Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leestafel.

8 minuten leestijd

DR. VISSCHER, Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, Het Levensprobleem. Utrecht, G. J. A. RuYS, 1909.

De SOCIETAS STUDIOSORUM REFORMATORUM hield den 10 sn Februari 11. te AMSTERDAM haar feestvergadering. Deze vereeniging van gereformeerde studenten, die aan onze openbare universiteiten de natuur-of de medische weten schappen beoefenen, —een vereeniging geboren uit die andere welke, onder den naam: HKNDMK Dl CocK, vroeger onder christelijk gereformeerde studenten bestond, — deze vereeniging had PROF. VISSCHEK, hoogleeraar in de facalteitder Godgeleerdheid aan de Utrechtsche Universiteit, uitgenoodigd in haar feest vergadering voor haar op te treden en dan als onderwerp te behandelen : Het Levensprobleem,

PROF. VisscHER heeft aan die uitnoodiging gehoor gegeven, en zijn toen uitgesproken rede ook in het licht gegeven.

In groot formaat ligt Het Levensprobkem thans in druk voor mij. Deze rede verdient in meer dan één opzicht, dat op haar de aandacht gevestigd wordt in De Heraut. In De Heraut, omdat wij, Gereformeerden, tot dusver nog een algemeen wetenschappelijk tijdschrift missen, waarin de bespreking van dergelijke geschriften, naar ik gaarne toegeef, beter op haar plaats zou zijn. „Het levensprobleem" toch, in den zin van: wat is en hoe ontstaat het „leven"? - het „leven" waarvan wij de verschijnselen waarnemen in wat men noemt de organische natuur, bij plant, dier en oiensch, dit probleem, welks algemeen geldende oplossing een der idealen van de wetenschap is, boezemt het meerendeel der menschen, omdat ze het te druk hebben met het „levensprobleem" in heel anderen zin, geen belangstelling in. Maar, omdat het levensprobleem als biologisch vraagstuk in deze rede ook in verband is gebracht met de religieuse geloofsovertuiging, en onze lezers in de laatste zeker wèl belangstellen, is een bespreking van Het Levensprobleem in de Heraut toch ook weer niet geheel misplaatst. Al ware het dan ook alleen maar om haar algemeene strekking, verdient VISSCHKR'S rede onder de aandacht gebracht ook van die HERAUT-lezers, welke buiten het wetenschappelijk bedrijf staan.

„De behandeling van biologische vraagstukken door een niet-natuurkundige heeft eenige rechtvaardiging noodig". Aldus begint DR. R. P. MEES zijn, door mij, reeds vóór jaren, met zooveel genot gelezen boek over: De Mechanische Verklaring der Levensverschijmelcn ('s-Gravenhage, Nijhcff, 1899).

„Ze kan, gelooven wij", zegt hij, met betrekking tot bedoelde rechtvaardiging, dan verder „gevonden worden in het nauwe verband tusschen de biologie en problemen, die het geestelijk leven betreffen".

Ook PROF. VISSCHER ZOU ter zijner rechtvaardiging hier denzelfden grond kunnen aanvoeren. Een naar het mij voorkomt, zelfs hechterendan wanneer hij op het uitgenoodigd zijn door de S. S. R., als zoodanig zou wijzen. Gaarne voeg ik hier echter aan toe, dat de S. S. R., die van een, bij medici en physici, zeer te waardeeren wijsgeerigen zin blijk gaf door op haar feestvergadering een spreker juist over dit onderwerp uittenoodigen, met DR. VISSCHER goed geslaagd is. Hij toch heeft haar een rede geleverd, die niet alleen, door een aan de Fransche oratorie herinnerende manier van zeggen, fraai is van vorm, maar die ook, door den wijsgeerigen zin, die dezen Theoloog kenmerkt en niet het minst door zijn_ zich op de hoogte stellen van de jongste biologische literatuur, degelijk is van inhoud.

Het is te verstaan, dat nadenkende jonge mannen van calvinistischen huize en die het bij de beoefening der natuur-of der medischewetenschap niet alleen maar te doen is om straks, op de manier van 'n bakker of'n slager, een min of meer winstgevend bedrijf uit te oefenen, van een gereformeerd Theoloog, die, naar zij wisten, zich van het levensprobleem genoegzaam op de hoogte had gesteld, verlangden te vernemen de verhouding welke, naar zijn oordeel, een christelijke wereldbeschouwing tegenover dat probleem heeft in te nemen. Wat is en hoe ontstaat het leven ? zijn toch vragen die zich telkens, bij eenigszins diepere studie dan die welke zich op bloote vakkennis richt, aan hen voordoen. En achter dit vraagteeken vernemen zij dan, dat antwoorden worden geplaatst, waarbij wederom een tweede vraag zich aan hen opdringt: welke van die antwoorden laten zich al dan niet invoegen in ónze wereldbeschouwing.

DR. VIS'^CHER komt aan dit verlangen van hen die hem inviteerden tegemoet en gaat nu in zijn rede enkele van die antwoorden door de tegenwoordige beoefenaars der biologie ge geven, na, om dan ten slotte ook tot de beantwoording der, zooeven genoemde, tweede vraag te komen.

Wanneer men afziet van de meening van sommige geleerden, dat het levensprobleem nu niet op te lossen is en ook nimmer op te lossen 2al zijn, en die dus op de vraag wat het leven is en hoe het ontstaat, van geen antwoord willen weten, iets wat bij deze geleerden dan samenüangt öf met hun kenleer, of, geüjk bij den ook door DR. VISSCHER vermeldden ARRHENIUS, met hun meening, dat het leven eeuwig is, dan zijn het in hoofdzaak twee richtingen waarin hier het antwoord wordt gezocht, twee verklaringen waardoor men de duisterheid van de zaak wil trachten op te helderen.

Men duidt ze, gelijk ook PROF. VISSCHER doet, aan als de mechanische en de vitalistische verklaring der levens verschijnselen.

Het verschil tusschen die beide wijzen vac verklaring wordt in de rede, op p. lo, vrij duidelijk omschreven : „het leven is iets speciaals, iets van het materieeie onderscheiden, öf wel het is resultaat van een mechanisch proces".

DR. VISSCHER laat die twee verklaringen opkomen met DESCARTES en LEIBNITZ en verbindt dill de mechanische aan den naam van den eerste, de dynamische of vitalistische aan dien van den tweede. Mij dunkt, dat hier nog wel iets verder terug kan worden gegaan en men b.v. voor het opkomen der mechanische theorie terecht moet komen bij DEMOKRITUS. Ook begrijp ik niet recht, waarom het ^j/öz^iiV? »!? , het denkbeeld van „kvende siof" dat, als ik het goed versta, op p. 8 wordt aangeduid, niet ook met name ge noemd is. Over het geheel maakt de redenaar zich van het levensprobleem in de oudheid, van het levensprobleem in de geschiedenis van het Grieksche denken, wel wat heel spoedig af. Maar, het is ook waar, dat een redenaar rekening moet houden met zijn gehoor.

Van de twee genoemde verklaringen dan vindt de vitalistische of dynamische bij DR. VISSCHER hooger waardeering dan de mechanische, iets wat licht te begrijpen is. Als theorie toch, heeft de laatste een onmiskenbaren macerialistischen bijsmaak, en de philosophie, die men kiest, de wereldbeschouwing waarin men zich het best vinden kan, hangt ten slotte af van wat voor een mensch men is.

Uitvoerig en met blijkbare voorliefde wordt ill de rede dan ook stilgestaan bij LEIBNITZ, bij diens leer van de monaden; van de monaden als de „eenvoudige", voorstellende en strevende, dus levende eenheden wier totaliteit het universum is; van de „monaden" veeleer „eenbeden" dan de stoüfelijke en daarom niet „eenvoudige" atotnen; veeleer „reëel" dan de alleen in de gedachte bestaande wiskundige punten.

Deze voorliefde van den heer VISSCHER voor LEIBNITZ kan ik, gelijk ik reeds opmerkte, als reactie tegen het materialisme verstaan; het zij mij echter vergund hem te herinneren, dat men met LEIBNITZ monadologie in volle vaart de have» van het physisch idealisme binnen loopt, d. w. z, dat het natuurlijke geestelijk, het somatische psychisch, het reèele ideëel is. Een korte mededeeling daaromtrent aan zijn, voor het meeren deel, op dit stuk argelooze hoorders ware mij dunkt niet ongepast geweest. Ook zou een meer opzettelijke bezinning over het idealistische, karakter van de monaden-leer bij den geachten redenaar zelf, naar alle waarschijnlijkheid, niet zonder invloed zijn geweest op zijn eigeiie wijze van vraagstelling.

Want hoe men tegenwoordig ook over de atomentheoti? denkt, nog altijd geldt het woord van DR. MEES uit zijn boven door mij geciteerd werk: „Kent men eenige bezieling toe aan alle stof, dan worden toch^de atomen der anorganische materie iets anders dan ze voor de pbysica en chemie zijn, en men kan met; evenveel recht beweren dat niets, als dat alles uit mechanisme wordt afgeleid."

Na nog kortelijk gewezen te hebben op LEIBNITZ zeker merkwaardige speculatieve constructie van het organische ; : |.na, — en later zal dan blijken waarom, — gewezen te hebben op LEIBNITZ leer, dat ieder organisme, hetzij plant, dier of mensch, een complex is van monaden, — alzoo van levende, immaterieele eenheden, — onder welke monaden dan eene de ziel of de heerschende is (de monade of, met een term door LEIBNITZ aan ARISTOTELES ontleend, de entéléchie dominante') en de andere monaden, deze eene domineerende dienende, het lichaam vormen, komt DR. VISSCHER tot de bespreking van het nieu were of neo-vitaüsme of dynamisme, en wel gelijk dit in den laatsten tijd voorgedragen is door J. REIMKE in zijn bekende dominanten-theorie.

(Slot vervolgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's