GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Alleen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Alleen.”

8 minuten leestijd

Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volkeren met mij; en ik heb hen getreden in mijnen toorn, en heb hen vertrapt in mijne grimmigheid; en hunne kracht is gesprengd op mijne kleederen, en al mijn gewaad heb ik bezoedeld. Jesaja 63 : 3.

Als memch heeft ieder onzer behoefte aan het bijzijn van mensehen. Het alleen-zijn valt, zoo 't lang aanhoudt, al zwaarder. Het alleenzijn beklemt ons en geeft ons een gevoel vaü onrust. Dat komt reeds bij het jonge kind uit, dat bang wordt, als moeder weg is, en niemand in moeders plaats komt. Het is voor onze kleinen zulk een zegen als ze zóó in 't wiegje gelegd, terstond inslapen, want alleen te blijven, vooral in 't donker, durft zoo'n kleine lieveling haast niet.

En zoo als het bij onze kleinen is, zoo blijft 't in den grond bij ons ouderen. We voelen allen, dat we als menschen op menschelijk gezelschap zijn aangelegd, en die behoefte aan 't bijzijn van menschen klimt ook bij ons naar mate angst of zorg het hart benauwt. Doch vooral als we verdriet hebben, als droefheid ot rouw ons aangreep, of smart en lijden ons vervolgt, is het hart telkens zoo vol, dat we behoefte hebben om 't uit te storten, en dan komt er geen rust eer we een deelnemend vriend gevonden hebben, die luisteren wil naar wat ons beklemt, en in onze droefenis wil ingaan.

Daar zijn wij menschen op aangelegd. We zijn geen eenlingen die elk op zich zelf staan. We hooren als menschen bijeen, we hebben aan menschen behoefte, we kunnen niet buiten mensches. De zuilheilige moge zich die straf opleggen, maar onderdrukt dan ook de inspraak van zijn menschelijke natuur, en zoolang die natuur gezond is, en krachtig in ons spreekt, blijft het gejaagde, het benauwde, het overstelpte hart om troost, om. verluchting roepen, en zoekt die bij medemenschen.

Het is zoo, ook een dier kan 'VA een bang oogenblik ons goed doen. Een trouwe hond, die merkè dat ons iets scheelt, en ons liefkoost en aanhaalt, geeft ons wel niet wat een mensch kan geven, maar doet ons in een benauwd oogenblik toch goed.

Meer dan eens is ook een engel in zulk een oogenblik aan menschen verschenen en heeft aan het benauivde hart verademing geschonken. Maar toch, ook een engel kan ons niet geven, wat een mensch in zulk een oogenblik voor ons zijn kan. Een engel blijft altoos een engel ec verstaat ons menschzijn nooit. Om wat hij van God ons brengt, verkwikt hij, maar de engel als engel verstaat het lijden van ons menschelijk hart niet.

Zelfs moet hier nog een stap verder gegaan.

Natuurlijk is de zaligste troost die in de ure der benauwdheid ons kan toekomen, de vertroosting waarmee onze God ons vertroost. Maar toch is zelfs die Goddelijke vertroosting ons eerst daardoor nader aan en tot in ons hart gebracht, datj onze God geopenbaard is in het vleescb, dat de Zone Gods het vleesch en bloed der kinderen heeft aangenomen, en dat zóó de Goddelijki: vertroosting in menschelijke taal, doorgegaan door een menschelijk hart, en in den Zoon des menschen ons is toegekomen.

In den Middelaar is Godzelf ons nadergekomen juist doordat Hij ons naderde in onze eigen menschelijke natuur.

Nu spreekt de behoefte van de menschelijke natuur lang niet in een ieder van ons even zuiver en beslist. Er zijn er helaas zoovelen, die de duisternis liever hebben dan 't licht, die hun hart 't zwijgen opleggen, en eer menschenscfiuw zijn geworden, dan dat ze 't bijzijn van menschen zouden zoeken. Bij niemand onzer spreekt de stem der natuur geheel zuiver meer. Bij den een te sterk, bij den ander te zwak. Alleen vóór den val, in Adam sprak die behoefte nog geheel zuiver, en daarom schiep God hem Eva. Ea na het paradijs heeft die menschelijke natuur in volle zuiverheid nooit anders gesproken dan in den Christus.

Om 't onheilige en zondige in den mensch, moeat Jezus wel zekere menschenschuwheid in zich ontwaren, en daarom gedurig de eenzaamheid zoeken, de eenzaamheid van het gebed, en in & \i gebed de gemeenschap met den Vader. Maar van dit zondige en onheilige ai gezien, trok zijn menschelijke natuur van zelf naar wat mensch was, en gevoelde onze Middelaar, ook bij benauwdheid des harten, behoefte aan menschdijken troost. In dat verwijt tot Petrus in Gethsemané: „Simon, kunt gij niet één ure met mij waken? " spreekt die behoefte zoo roerend schoon. En als dan de engel komt om hem te troosten, dan vergoedt dit zeer zeker voor een deel het gemis aan menschelijke vertroosting, maar toch nooit geheel. Ook aan Jezus kon de engel nooit brengen, wat hem uit een menschenbart en uit een menschenoog en van menschenlippên zoo zoet een balsem in de wonde van zijn ziel ware geweest.

En toch is het alleeniijn schier al de dagen van zijn omwandeling op aarde Jezus deel en lot geweest, en wat Immanuel bij Jesaja uitroept: „Ik heb den wijnpersbak alleen getreden, " is en blijft het aangrijpend motto van al wat onzen Heiland wedervaart. Wat in datjesajaansch woord van zijn overwinning op zijn vijanden wordt geroemd, gaat toch even pijnlijk door bij al het leed en de zielsbenauwing, die zijn vijandenden Man van Smarten aandoen.

Reeds kon het op zichzelf niet anders, of een zoo boven alles staand iemand als Jezus, die nooit en in niemand zijns gelijke vond, vond ook nimmer een medemenscb die kon inleven in de stormen die door zijn hart jaagden. Vandaar die onnoozelheid, waarmee de discipelen in de heftigst bewogen oogenbiikken van zijn leven hem gedurig antwoordden. Als Jezus eindelijk het uitspreekt: mijn jongeren, ik ga naar Jeruzalem om aan het Kruis te sterven! dan treedt Petrus op om Jezus die gedachte te ontnemen, en door satan geïnspireerd, te zeggen: Heere, dit zal u geenszins geschieden. En als Jezus in Gethsémané zijn felbewogen hart bijna voelt bersten van weedom, slapen zelfs Petrus, Johannes en Jacobus rustig onder de olijf boomen, en van Jezus begrijpen ze niets.

Juist Jezus' geheel eeuige uitnemendheid als de Heilige Israels sloot hem op in een geestelijk isolement, waarin niemand binnen kon dringen. Juist dat hooge gevoel van Jezus deed hem als mensch leed ontwaren, waar geen onzer nog leed zou bespeurd hebben. Wij zien alle men schen om ons heen aan, zóó als ze zich aan ons verioonen, maar Jezus kende alle menschen uit zijn omgeving door en door van iinnen, en zag ze voortdurend voor zich met al de bloedende, giftige zondm, die zieh rerdrongan in hun hut. Altoos was Jezus alleen. Alleen, als hij zich terugtrok in de eenzaamheid, maar ook alleen als de schare om hem jubelde, en alleen dan zelfs, als hij met zijn jongeren aanzat aan den Paaschdisch.

Zelfs moet ge diep in die scheiding, die tusschen Jezus en ons menschen bestond, indringen, om zijn dragen van onze zonden, en banger nog, het dragen van Gods toorn ter wille van onze zonden, te verstaan. Dit dragen van onze zonden was niet een idee van Jezus. Niet dat hij 't zoo maar dacht, en door dat denken het meende te gevoelen.

Neen, dit dragen van onze zonden vloeide rechtstreeks voort uit zijn gemeenschap met onze menschelijke natuur, uit zijn mensch-zijn te midden van ons menschen, en het ten volle laten doorwerken van wat uit die aanraking met onze onheilige natuur in zijn smettelooze menschheid gevoeld en ervaren werd.

Ook dit ging niet plotseling, niet op eens. Van kind tot man opgegroeid, is Jezus steeds meer in dat zondig menschelijk wezen ingeleefd, en heeft hij door zijn eigen heiligheid steeds voller den vloek ontwaard en gevoeld, dien Gods toorn op dit zondig menschelijk wezen deed neerdalen.

Er is bij Jezus klimming in dit lijden.

Vooral tegen het einde neemt dit lijden hand over hand toe. Van daar dat die gewaarwording in Gethsémané, zoo vlak voor zijn ingang in Cajaphas raadzaal, het heftigst en het bangst hem aangreep, zoo zelfs dat hij schier smeekte om menschelijke vertroosting, die toen zelfs zijn discipelen hem onthielden.

Altoos is Jezus in het diepst zijner ziele alleen. Alleen doorzwoegt hij 't alles, alleen doorworstelt hij 't alles. Niemand kan hem bijstaan, niemand kan hem troosten. En kwam dan in Gethsémané nog een engel hem de ziel sterken, op Golgotha ontvalt hem zelfs die hemelsche vertroosting.

Ja, meer nog.

Had dusver onze Heiland zich alleen onder menschen, maar toch altoos één met zijn Vader gevoeld, op het laatste oogenblik ontvalt den Middelaar zelfs die vertroosting. Van menschen en van engelen niet alleen, maar zelfs van zijn God voelde hij zich in zijn sterven verlaten.

Alleen heeft Jezus geleefd, alleen heeft Jeïus voor ons geleden al de dagen zijns levens; en alleen is hij, zelfs van de gemeenschap met zijn God verlaten, den dood aan het Kruis ingegaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's

„Alleen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken