Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leestafel.

8 minuten leestijd

DR. H. VISSCHER, Hoogleeraar aan de Rijks Universiteit te UTRECHT, Het Levensprobleem. Utrecht, G. J. A. RUYS, 1909. (Slot).

Tusschen de dominanten-theorie van REINKE *» LEIBNITZ monaden-leer is zeker groote over ^eakomst en in de rede wordt dan ook niet verzuimd dit aan te wijzen.

Ook yoor REINKE is de natuur een systeem van krachten en zijn theorie ter verklaring van het leven is dus dynamisch. De verschijnselen, die vaa deze krachten afhankelijk zijn, onderscheidt hij in f kysisch-chemische, wat hij ook wel 'nergetische gelieft te noemen, en in psychische. Jo elk organisme, dus ook in elke cel reeds, werken deze 'weeerlei krachten en wel de „physisch-"ïiiemische" en de „psychische". Zij zijn als «dienende" en „heerschende" te onderscheiden. "« laatste of „de dominanten", geven aan het organisme zijn structuur.

Ook deze bespiegeling is, al ware het alleen om haar scherpzinnigheid, weer merkwaardig. "« natuur een systeem van krachten en haar weien dus immaterieel; al haro verschijnselen terug te brengen tot een werking van krachten. De structuur of de bouw van de organismen, van de cel M, terugtebrengen tot de werking van domineerende, van psychische dus levende of iiiiale krachten

Vertelde REINKE ons nu ook maar wat „kracht" is, zijn „dominanten-theorie" zou de oplossing van het levensprobleem zeker meer benaderen. Maar wat „kracht" is zegt ons ook REINKE niet, al neemt hij er den schijn van aan. Wie b. V. bij hem leest „Wenn etwas bewirkt wird, muss ein wirkendes dasein, uud das wiikende nennen wir Kraft, " of „Kraft ist wirkungsververmögen" — zal indien hij zich daarover bezint, tot het inzicht komen, dat dergelijke omschrijvingen van het begrip „kracht" niet anders dan woordenspel zijn.

Men krijge, wat trouwens ook VISSCHER aller, minst bedoelt, bij het lezen 'van de rede dan ook vooral niet den indruk, dat het vitalisme, het neo-vitalisme, öok dat van REINKE met zijn dominanten-theorie, het levensprobleem zou hebben opgelost.

Maar evenmin kan dit worden gezegd van de mechanische verklaring der levensverschijnselen. Hierop de beoefenaren der natuurwetenschappen nog weer eens nadrukkelijk te hebben gewezen, acht ik dan ook een voorname beteekenis van deze rede. Want, het mechanisme, volgens hetwelk, naar DR. VISSCHER (p. 17) terecht opmerkt, „de pbysico-chemische wetten rekenschap geven van het levensgeschie den"; „het leven product is van de materie, die zich naar mechanische wetten verandert"; „het leven opkomt uit het levenlooze", — dit mechanisme trad met niet meer of minder op dan met de belofte van het levensprobleem te kunnen verklaren.

In een boek dat hier voor mij ligt, de zesde druk van STEINER'S Physiologic, Leipzig 1892, lees ik op p. 2, dat de theorie van een levenskracht uit den weg is geruimd, „durch die Etkenntnis {N.B.Ï) das alle Erscheinungen in der Natur, sowohl in der anorganischen wie in der organischen, auf ein und dieselben Kiafte zurüchzuführen sind, welche bestehen in der Be wegung der denkbar kleinsten Teilchen, der Atome, die einander anziehen oder sich gegen seitig abstoszen."

Terloops zij hier aangemerkt, dat wanneer VISSCHER op p. 17 van het mechanisme beweert „onder de vakmannen heeft dit verreweg de meeste aachargers", ik mij, bij allen eerbied voor de Veritas ethica van mijn geachten collega, toch de vrijheid voorbehoud, voor dit zijn beweren nader te informseren bij de vakmannen of het nog wel juist is. Dan hoe dit zij, ik ben het goed eens met den redenaar wanneer hij de - ammarigiag vaa dit m-ichanisme: oplossing van, het levensprobleem te zijn, in hei licht steit. Alleen wil het mij voorkomen, dat dit nog iets sterker had gekund door te wijzen op de mislukte pogingen om de z.g, generatio acquivoca of het ontstaan van het leven uit leven iooze stoffen, tot een ervaringsfeit te maken. Door dit niet te doen, althans niet in dit gedeelte van de rede, — in een vroeger deel wordt het punt even aangeraakt — is een sterk argument ter weerlegging van: „het leven komt op uit het levenlooze", ongebruikt gelaten.

In het met gloed van overtuiging geschreven slot van zij a merkwaardige rede komt PROF. VISSCHER dan op p. 21 tot de vraag naar de verhouding, die een christelijke wereldbeschou wing tegenover het levensprobleem heeft intenemen. Hier wordt ahoo het biologisch probleem in verband gebracht met de religieuse, de chris telijke Geloofsovertuiging. Het goed recht daar tos komt èns christenen zeker minstens evenzeer toe, als aan anderen, die dit probleem in verband brengen met mtti-physische overtuigingen, hetzij dan van materialistische of idealistische tint.

Vaststaande in het Schriftgeloof, wijst VISSCHER er hier op, dat uit de Schrift voor den christen licht gloort ook over het wereldproces. Dat in het op de Schrift gegronde leerstuk Asi Heilige Drievuldigheid, „^.ich handhaaft zoowel het transcendente wezen Gods als zijn immanente tegenv/ootdigheid in heel het kosmische zijn." Waarom dan ook, gelijk hij zegt, „de christelijke religie met de prediking optreedt van |de schep ping en onderhouding aller dingen."

Allerminst echter, en dit acht ik weer een groote verdienste van zijn rede, tracht Dr. VISSCHER bij zijn hoorders hier den indruk te maken als zou, bij het licht der revelatie, als zou, van uit het standpunt der christelijke religie, het levensprobleem reeds opgelost zijn. Dat dit niet zoo is, spreekt hij onverholen uit door op p. 22 te gewagen van „een van uil dit standpunt benaderen".

Op benaderen valt hier terecht de nadruk.

De verhouding, die een christelijk wereldbeschouwing tegenover het levensprobleem moet innemen, is deze, dat zij het door denken, van uit haar standpunt, zoekt te benaderen. Dit zeker eenerzijds.

Ma.ar anderzijds moet ook 'n christen het zoeken te benaderen door waarneming, door nauwgezette en langzame waarneming en hierbij denk ik aan BACONS: „Lood aan de vleugelen". Door waarneming waarvoor het dan een eerste vereischte is, dat zij noch door materialistische, noch door idealistische neigingen bij den waarnemer zelf beneveld zij. En ook, dat de waarnemer de materieele processen in het organisme, tot wier verklaring het mechanisme in den weg van pbysisch-chemisch onderzoek, zooals ook VISSCHER zegt, „goede resultaten heeft verkregen", — niet vereenzelvige met de werkzaamheid van „het leven zelf', met de immanente kracht in de cel, waardoor het neo vitalisme, zooals DR. MEES zegt, „een meer concreten vorm heeft verkregen".

Dit benaderen van het levensprobleem, ook van de zijde der waarneming had, verbonden nset de ernstige waarschuwing het eigenlijk biologische en het' physisch-chemische niet te identificeeren, vooral met het oog op het gehoor dat DR. VISSCHER voor zich had, naar het mij toeschijut, nog wel wat scherper kunnen zijn geaccentueerd.

Dat de levende God de bron van alle leven is, — een waarheid die het mechanisme, niet waar het als methode van empirisch onderzoek naar de materieele processen in de organismen, maar waar het als theorie van het leven optreedt, verwerpt, en waarvoor het vitalistne althans plaats laat, — deze waarheid wordt in bezielde taal verkondigd.

Ten laatste stelt de redenaar zijn gehoor ook voor een gansch nieuw probleem wanneer hij zegt: „Het levensprobleem heeft echter dit bijzondere, dat het ons meer dan eenig ander tot taak stelt het aanrakingspunt te zoeken, waar de eeuwige Schepper aan het geschapene roert". 't Kan zijn.

Maar zoo ergens, hebben wij hier dan toch een zoeken naar wat te vinden, ik voor mij acht, te gaan, om met onz«Bslijdenis te spreken, „boven het begrip des menschelijke verslands, " naar wat is „meer dan ons begrip verdragen kan."

Want al geloof ook ik dat er zulk een aanrakingspunt is, het hoe is mij een mysterie! Dat wij hier ons denken hebben te richten op „Gods immanente tegenwoordigheid in heelh^t kosmisch zijn; dat hier een werking Zijns Geestes is" — geloof ik met VISSCHER. Maar het hoe blijft mij verborgen. Blijft mij verborgen'ook waar deze zegt: „De Geest is God en dus ook van Hem geldt, dat Hij „actus purissimus" is, „Daarom kan Hij in oneindige volheid de geschapene energie als vonken uit de lichtzee van zijn deugdenbeelden zaaien". Want al biedt de eerste zin, als ik van de Scholastiek op^ ARIS-TOTELES terugga, mij ook een gedachte aan, de tweede door mij gecursiveerd, doet mij dat niet. En ook de verdere speculatieve constructie van VISSCHER, waarin het physisch-idealisme van LEIBNITZ een rol speelt, helpt mij niet op weg. Bij die constructie toch dreigt de tegenstelling van stof en geest in de geschapen wereld voor mij verloren te gaan.

Dit alles neemt echter niets weg van mijn hooge waardeering van de rede zelf als een welgeslaagde poging om voor gereformeerde studenten de vraag te beantwoorden rsaar de verhouding die een christelijke wereldbeschouwing tegenover het levensprobleem heeft inte nemen.

Hei Levensprobleem door DR. H. VISSCHER, deze, met evenveel zaakkennis als wijsgeerigen zin, van christelijk standpunt gehouden rede, is een stuk van blijvende waarde in de weten schappelijke literatuur vm ons gereformeerden.

Naast de lezing van De Mechanische Verklaring der Levensverschijnselen door DR. R. P. MEES, een niet-gereformeerde, zij de rede van den gereformeerden hoogleeraar zeer aanbevolen, niet alleen aan de vakmannen onder ons, maar bij het nauwe verband tusschen de biologie en problemen, die het geestelijk leven bstrefifen, ook aan allen onder ons die de geestelijke wetenschappen beoefenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 maart 1909

De Heraut | 4 Pagina's