vereenigingsleven.
HET EVANGELIE ONDER ONZE VISSCHERS.
II.
In ons vorig artikeltje konden we, wat den eigenlijken arbeid onder onze visschers te Lerwick betreft, van niets dan van zegeningen gewagen. Oat dit niet aldus geschieden kan ten opzichie van Baltasound, vindt niet z'n oorzaak in minder voorspoedigen arbeid aldaar, maar in de omstandigheid, dat te Baltasound zoo wemig Nederlandsche visschersschepen binnenliepen, dat de broeders, die den arbeid onder de visschers op zich genomen en de opdracht ontvangen hadden, naar bevind van zaken te handelen, besloten, niet derwaarts te reizen, maar zich er toe te bepalen, gezamenlijk den aange namen en voorspoedigen arbeid te Lerwick te volbrengen.
In één opzicht is echter het verslag, dat Ds, Datema en Ds. Hoek van hun werk uitbrachten, minder gunstig dan het vorige. Immers, werd in het voorafgaande jaar nimmer de doodenakker jbetreden, om een van de Nederlandsche schepelingen ten grave te dragen, ditmaal mocht het niet zoo wezen. Twee visschers zagen de vaderlandsche kust niet terug. Een van hen was de eenige, 16 jarige, zoon van een weduwe uit Terneusen, die zicb had laten aanmonsteren om in den nood van het kleine gezin zijner moeder tegen den winter te kunnen voorzien Een hartziekte nam den nog tengeren knaap uit het leven weg tijdens zijn verblijf op de visschersvloot, en zijn graf werd gegraven in Lerwick, ver van zijn moeder, die natuurlijk zelfs geen afscheid van haar eenige kon nemen. Naar aanleiding van dit treffende sterfgeval werd door de HoUandsche predikanten een ernstig woord gesproken met de bemanning van het betrokken schip, terwijl de begrafenis op gepaste wijze plaats had.
Alle Nederlandsche schepen, die opzettelijk wat langer dan anders waren gebleven, hadden den gebruikelijken rouw aangenomen. Vóór de woning van den Sherif werd de stoet ge vormd; voorop de bemanning van het schip, welks zestienjarige matroos was gestorven, dragende het stoffelijk overschot. Dan volgden de beide predikanten op uitdrukkelijk verlangen van den vertegenwoordiger der reeders, door wie de plechtigheid, wat de stoffelijke zijde wngaat, was voorbereid en geregeld. Achter hen liepen honderden Nederlandsche visschers, die, de een meer daa de ander, diep onder den indruk der aangrijpende ure waren. De trein werd gesloten door enkele reeders, door een van welke in den loop der week een indrukwekkende krans, met door de predikanten opgesteld grafschrift, op het grafheuveltje werd neergelegd.
De zon brandde als met Oosterschen gloed. Langzaam ging het den stellen heuvel op en iuigzaam daalde men weer af. Overal stonden Lerwicksche burgers met ontblooten hoofde. Zoo bereikte de stoet het benedenste gedeelte Van den tegen rotsen aangelegden doodenakker, onmiddellijk aan de zee, wier waterspiegel echter fleer (jan 100 voet lager was. Diar, waar van jaar tot jaar, blijkens de grafschriften reeds fjeer dan twee eeuwen lang, Nederlanders waren bijgezet, werd ook deze jeugdige gestorvene in "et graf gelegd om er den dag der opstanding |e verwachten. Daar aan dat graf spraken de beide leeraars de aanwezigen toe, die diep geroerd na de beëindiging der droeve plechtigheid uiteengingen.
Het zal wel niet gezegd behoeven te worden, dat, hoe smartelijk het ook is, als dergelijke sterfgevallen zich in den vreemde voordoen, het op de visschers van grooten en goeden invloed is, wanneer de doode maar niet zonder meer in het graf gelegd wordt, doch de begrafenis plaats heeft op de Vaderlandsche, godsdienstige wijze. Dat versterkt niet alleen den band met het verre vaderland, maar doet ook te midden van de verleidingen, die ook het visschersleven in ruime mate oplevert, het besef toenemen van den ernst des levens, het besef, dat we hier geen blijvende stad hebben, en dat het met dit leven niet uit is, doch dat de aarde en de zee, die zoovele dooden omsloten houden, deze eenmaal zullen teruggeven, om ze te doen komen voor hel gericht.
Helaas ja, ook de zee verzwelgt er zoovelen, die ze snel, zonder menschelijke hulp, begraaft in haar schoot. Zij roofde ook van de Nederlandsche visschersvloot ditmaal een leven weg, het leven van een 22 jarigen visscher, die ongelukkiglijk te water geraakte en nimmer werd teruggezien. Ook met zijn bedroefde kameraden werd door de Nederlandsche predikanten gesproken, toen-zij op een kouden Maandagmorgen met sombere gezichten in de Hall kwamen, om daar van het hun overkomen leed te vertellen. De omstandigheden waren wel eigenaardig, en van een begrafenis kon natuurlijk geen sprake zijn, maar toch werd er gelezen, gesproken en gebeden, ja werd op Gereformeerde wijze een lijkdienst gehouden.
Verdere sterfgevallen deden zich gelukkig niet voor. Wel waren er eenige kranken, met welke over de eeuwige dingen gesproken en bet aangezicht des Heeren werd gezocht. Wie van al deze dingen leest in het verslag, wordt met de beide predikanten versterkt in de overtuiging, „hoe noodig, broodnoodig het is, dat er gedurende de haringcampagne op Lerwick een paar mannen geposteerd staan, die wijzen op Hem, die, naar het woord des Heeren bij Jesaja, een tong der geleerden heeft ontvangen en met den moede weet een woord ter rechter tijde te spreken".
Moge het hoe langer hoe meer blijken, dat deze schoone arbeid onder de visschers allewegen wordt gewaardeerd. In het verslag vinden we melding gemaakt van eentekortvan/3s8 301/2, hetwelk hooger is dan het tekort, dat verleden jaar werd vermeld, maar dat met lenigen goeden wil van de zijde der belangstellenden toch spoedig genoeg gedekt zou kunnen worden. Bijdragen zullen wel met groote waardeering worden in ontvangst genomen door Ds. J. T. Gosiinga, te Schiedam, Penningmeester der Vereeniging „Bethsaida".
Van harte stemmen ook wij in met wat Ds. Datema aan het slot van het verslag schrijft:
„Zegene de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Wiens Woord immers niet ledig wederkeert, ook dezen arbeid, in zwakheid en gebrekkig, maar met liefde verricht, tot eere Zijns heerlijken Naams en uitbreiding van Zijn gezegend Koninkrijk.
„Moge het den Zeekerken gegeven worden, gelijk door al de kerken van Schotland en Engeland, en door de Luthersche kerk van Zweden gedaan wordt, met toewijding en liefde voort te arbeiden, onder de Nederlandsche haringvloot het bevel des Konings te doen uil gaan, licht brengend in donkere harten, troost Diedend in bedroefde kringen, roepende ouderen en jongeren iii des Heeren Naam toe: „Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde IS de schandvlek der natiën!"
„Opdat ook de Nederlandsche visscher niet afgevoerd worde op „nieuwe banen", maar, getrouw aan zijne schoone traditie, wandele op de „oude paden", die naar de Godzaligheid zijn. Immers, de Godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en dés toekomenden levens."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juni 1909
De Heraut | 4 Pagina's