Negen-en-twintigste Jaarvergadering VAN DE VEREENIGING VOOR HOOGER ONDERWIJS -: OP GEREFORMEERDEN GRONDSLAG, : - gehouden te Arnbem op 30 Junlen 1 Juli.
Onze jaarvergaderingen vallen om de vier jaar direct na den uitslag der politieke verkiezingen; geen wonder dat die uitslag er nogal eens het stempel op drukt. In 1901 waren we in Arnhem na de overwinning; en nu, in 1909, ziet ons de Geldersche hoofdstad opnieuw samenkomen, met een hart vol lof en dank voor de victorie, die ons door Gods genade werd geschonken.
En toch, niet alléén blijdschap is het, die het terugdenken ons brengt. Nog maar ééajaar geleden is het, dat in den kring onzer Vereeaigicg enkele voormannen meeleefden, die DU üijn weggeroepen van hun arbeid, om de eeuwige ruste in te gaan.
We missen den man, die van de oprichting onzer Hoogeschool met den Bijoel af, haar als Curator heeft gediend, Dr. J. W. A. Monnik; nog maar enkele dagen geleden ter laatste lustplaats geleid. En we missen uit den kricg der Hoogleeraren Prof. P. Biesterveld, weg genomen in de kracht zijns levens; herinnering latend aan diepgaande studie, aan noesten Irbeid.
Zoo werden enkelen weggenomen, maar God lof! velen zijn ons nog gelaten; en ook al vergeten we de mannenbroeders niet die van ons gingen, we hebben alle reden om te danken voor telkens nieuwe zegeningen, barmhartigheden Gods, eiken morgen nieuw.
In die stemming togen de vrienden onzer Vereeniging op naar de schoone hoofdstad van Gelderland; lieflijk gelegen te midden van het heerlijkste natuurschoon dat ons Vaderland biedt, aan den hier altijd nog rcachtigen Rijnstroom, die het oog bekoort.
URE DES GEBEDS.
Als naar gewoonte ging aan de jaarvergadering een ure des gebeds vooraf. Daartoe kwam men Woensdagavond te 7I/3 uur samen in de Oosterkerk aan de Rietgrachtstraat, waarin als voorganger op verzoek van H.H. Directeuren optrad Ds. J. J. M i e d e m a van Groningen.
Nadat gezongen was Psalm 6S vs.-ro, werd voorgelezen Psalm 1Q3. Daartja hief de schare aan Ps. 89 vs. i en 8.
De leider van de Gebedsure ving zijn bezielende rede aan met een herinnering aan de overwinning van de Christelijke partijen bij de stembus, die nu, evenals in 1901, den Arnhemschen Universiteitsdag tot een zoo blijde samenkomst maakt.
Toch — zoo vervolgt hij — maakt dit alles juist de roeping onzer Hoogeschool ook weer zwaarder. Om leiding vraagt 't leven, om mannen ons volk. Die bij Gods woord leven.
Zouden wij't daarbij van ons zelf verwachten? Van onze professoren en studenten? Neen, de jaarlijksche bidstond mag geen vorm zijn. Maar openlijke en diep beleefde uiting der afhankelijke betuiging: nze hulpe staat in d-; n Naam des Heeren, die den hemel en de aarde gemaakt heeft. Ter inleiding van het gebed bepaalt Spr. daarom zijn gehoor bij Ps 4 : 7. „Velen zeggen : Wie zal ons tiet goede doen zien ? Verhef Gij over ons het licht uws aanschijns, o Heere."
Ps. 4, een lied ontstaan in den droeven tijd van Davids vlucht voor Absalom, verplaatst ons in de oogenblikken, toen bij vlood tot over den Jordaan, om zich te bergen voor het leger van zijnen zoon. Er was schier geen leeftocht; 't was een klein groepje getrouwen, maar daaronder was nog bij velen 't zeggen: Wie zal ons 't goede doen zien? De koning evenwel bleef bidden en betrouwen, en betuigde: Verhef Gij over ons 't licht uws aanschijns. 't Zeggen en bidden.
Moedeloosheid en geloof staan hier tegenover elkander. Het zeggen der massa in Israël was eerst, dat David te oud werd, dat Absalom de toekomst had, en ze wagen 't met hem. Maar hun overmoed veranderde weldra in mismoedigheid, want Absaloms toeleg faalde. Maar ook, jt zelfs, onder Davids eigen mannen waren ze de moedeloozen, schoon hun koning bij hen was, Die alzoo eer een gevaar dan een steun waren.
Is het' in onzen tijd anders ? Ja, wel telkens begint de massa, die met God niet rekent, met moed : gedurig weer flikkert 't vuur op en roept men: nu is het goede gevonden en zal de vrede komen. En door Gods gemeene genade is 's menschen weten vermeerderd en zijn macht over de schepping toegenomen, maar olet zijn geluk. En droever zelfs dan ooit te voren klinkt 't klagen over 't bankroet der wetenschap; over de vertrapping van recht en waarheid; over de toenemende ontaarding en verwildering, en het blijft een refrein, : het vragen niet, maar 't zeggen: Wie zal ons 't goede doen zien!
Toch is ook hier 't droefste weer, dat vaak en ook in de kringen der Christenen meegedaan wordt met die klacht. Dat de moed zonk, omdat men ziet op de kleine kracht, die bij ons is, tegenover de groote sterkte dergenen, die met Gods Woord niet rekenen willen. En zij vinden telkens' nieuwe stof ook om onze V. U. Immers lang niet alle Gereformeerden, veel minder alle Christenen steunen haar. Telkens ontvallen haar mannen. De voormannen worden oud. Haar budget is nauwelijks een halve ton. Wat zal dat alles toch ?
Nochtans spreken wij ook: Verhef Gij over ons 't licht uws aanschijns, o Heere. De Heere is onze God. Hij die hemel en aarde schiep. Die 't licht schiep en is. Die ons geslacht, dat van Hem afviel, zond 't Eeuwige Woord, vleesch geworden. Die zich een volk formeerde om, door zijn Geest en Waarheid geleid, Zijn naam te verkonden. Een volk waarover Hij zijn zegen gebiedt, 't Licht zijns aanschijns. Zijn genade en goedertierenheid, die tot hen afstraalt in 't aangezicht van Jezus Christus. Die dat licht over hen verheft in Jezus Christus, zoodat 't hen omschijnt in volle klaarheid. Om dat licbt bad David. In 't geloof aan dien zegen, en die genade Gods. Niet in zichzelf, maar in de goedgunstigheid en de verbondstrouw des Heeren geloovende.
Zullen wij iets anders kunnen vragen, ook voor onze Hoogeschool ? Het volk des Heeren heeft dat licht van 's Heeren aangezicht noodig, opdat 't, ziende en de kracht ervarende van Gods genade, gewillig zij, mede te strijden 's Heeren strijd ook op 't erf der wetenschap, Als 't licht van Gods aanschijn over hen licht, dan weet dat volk dat zij des Heeren zijn, dan zullen ze niet versagen.
’t Licht van Gods aangezicht bidden we ook over de mannen van wetenschap, de delvers in de diepten, opdat ze steeds de gemeen schap van Christus zich bewust, door Hem in alle waarheid geleid, vooial in onzen tijd voor de zeer ernstige taak der Christelijke wetenschap mogen bekwaam zijn.
Ja, om verheffing van 't licht van Gods aangezicht bidden we. De psalm Davids vat hier samen den inhoud van de beide laatste deelen van den Aaronitischen zegen. Maar Ps. 4 : 7 heeft een kleine wijziging in 't woord ver/le^en. 't Hier gebruikte bevat een woordspeling met een ander woord dat óanier beteekent. David bidt om de verheffing van 't licht van Gods aangezicht als een banier over Israël.
Als de banier van een machtig vorst over 't leger wordt opgeheven, dan deinzen de vijanden, dan wordt de meed van 't eigen volk verhoogd, want dan gaan we ter overwinning. Hun koning is bij hen.
Dat heeft nu ook onze V. U, noodig. Hare professoren en studenten; onze vereeniging, hare directeuren, leden en begunstigers.
Dat ze weten van 's Heeren nabijheid, mogendheid en genade. Dat ze die aanschouwen door 't geloof, door de kracht zijns Woords, door de leiding en invloed des H. Geestes.
Dan zullen de vijanden deinzen. Wie zal bestaan voor Gods aangezicht!
Dan is er moed en geestkracht in onze harten. Dan is er vreugde en lust in den strijd. Dan wordt door Gods volk Gods naam verheerlijkt.
Met stille aandacht was de rede aangehoord.
Na het zingen van Ps. ï2t: r ging Ds. Miedema de schare voor in gebed en droeg hij de belangen der Vereeniging en haar stichting den Heere op.
Daarna werd gezongen Ps. 72 : 11 en verliet de schare het Kerkgebouw.
Altijd na de gebedsure wordt aan de leden en begunstigers gelegenheid geschonken, elkander in gezellig samenzijn te ontmoeten. „Musis Sacrum" was geopend om de vrienden en vriendinnen te ontvangen. Aan de vriendelijke uitnoodiging werd door velen gehoor gegeven. Ook door Dr. A. Kuyper, die met toejuiching ontvangen v/erd. Het was een alleraangenaamst, rustig samenwezen ; in het late avonduur ging men opgewekt en blij gestemd ter ruste, met het genoegelijke vooruitzicht van een jaarvergadering die immer een feestelijk karakter heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1909
De Heraut | 4 Pagina's