„Gij zult mijn getuigen zijn.”
Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal; en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde. Hand. i : 8.
Jezus zelf legt rechtstreeksch verband tusschen de uitstorting van den Heiligen Geest, en ons optreden als zijn getuigen in de wereld. Aldus toch sprak hij vlak vóór zijn hemelvaart: „Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes die over u komen zal, en gij zult mijn getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde."
Natuurlijk hebben de twaalf apostelen in hun kort leven niet heel de wereld kunnen bereizen, en was toen ze uitstierven het £(ran> gelie nog slechts tot een kleinen kring van de bekende wereld doorgedrongen. Jezus last reikte uit dien hoofde veel verder dan het leven der apostelen. Het is een last, die doorloopt tot aan zijn wederkomst. Die last nu wordt nog altoos in zooverre door de apostelen zelve volvoerd, dat zij niet alleen door hun gesproken, maar ook door hun geschreven woord, getuige van Christus alle eeuwen door tot op dezen dag geweest zijn. Maar evenzoo is die last vervuld door de Kerk aller eeuwen, door de predikers, door de geloovigen en met name door de martelaren, of bloedgetuigen, en zoo is ingevolge dezen last op den Olijfberg gegeven, het levende beeld van den Christus nu reeds twintig eeuwen lang de wereld ingedragen, en mag thans wel gezegd dat er geen volk meer is, tot 't welk niet in een of anderen vorm het Evangelie doordrong.
Dit getuigenis begon-vereischt te worden van 't oogenblik af, dat Jezus zelf deze aarde verliet, opvoer ten hemel en gezet werd aan Gods rechterhand in heerlijkheid.
Tot aan die ure toe was de Christus zelf er, sprak hij zelf, volbracht hij zelf zijn werken, die hem van God te doen gegeven waren, en ging alzoo de propaganda voor zijn Koninkrijk van hem zelf uit.
Maar met dat Jezus van deze aarde verdwijnt, ontstaat aanstonds de noodzakelijkheid, dat hij vervangen wordt en dat zijn beeld in en door anderen aan de wereld, die nu zijn tegenwoordigheid verloor, wordt voorgehouden. Dit nu kon niet door een beeltenis, die altoos dood is, maar alleen door het levende beeld dat zich in zijn geloovigen vertoont, en deswege uit te spreken was.
Zijn geloovigen toch mochten niet in geestelijk egoïsme het rijk bezit van den Christus voor zichzelven houden, en in hun hart opsluiten. Het verworven heil was hun gegeven met drieërlei doel. Zeer zeker ook voor hun eigen zaligheid, maar ook ten tweede niet minder, opdat ze ook anderen ten zegen mochten zijn, en bovenal in de derde plaats opdat ze getuigen van Christus zouden zijn.
Het licht op den kandelaar mocht niet onder de korenmaat gezet, maar moet voor allen schijnen. En de zijnen moesten wezen als een stad op een berg, die vanzelf in het oog valt, en die ieder van verre ziet.
Dit roepen tot getuigen drukte de Kerk van meet af uit, door het afeischen van belijdenis van een iegelijk die tot het Sacrament des Ayondraaals zou worden toegelaten. In de belijdenis toch ligt veel meer dan betuiging van instemmbg. Belijden is niet belijden in de Kerk, maar belijden tegenover de wereld. Door belijdenis te doen sloot men zich aan bij hen, die als getuigen van Christus in het midden der wereld stonden, endeed met hen mee. Vanzelf kreeg men daardoor deel aan den smaad, waarmee de wereld de getuigen van Christus, ji, heel de wolke der getuigen, gelijk het in den Hebrefirbrief heet, achtervolgt. Het woord martelaar is afgeleid van Martyr, en Martyr beteekent niet anders dan getuige. Belijder en martelaar zijn éen in de grondgedachte, en het hangt alleen van den tegenstand der wereld af, of de belijder martelaar worden zal al dan niet.
In de eerste eeuwen der Christenheid was een kerklid, dat niet tevens als getuige optrad, eenvoudig ondenkbaar. Een ieder die werd toegebracht, voelde aanstonds den drang, om als getuige voor den Christus op te treden in zijn huis, in zijn omgeving, in het publiek. Zelfs de slaven en slavinnen die voor Jezus gewonnen werden, waren in dat belijden van hun Koning volijverig. Tal van plaatsen zijn er, waar het eerst door het getuigen van een slaaf of slavin het Evangelie van Christus bekend is geworden. Man of vrouw, oud of jong, vrije of slaaf, het maakt geen onderscheid. De Geest drong om voor Jezus uit te komen. Men kon niet zwijgen. Men moest steeds nieuwe volgelingen voor Jezus trachten te winnen. En het is met name door dit alzijdig getuigenis van wat wij particuliere personen zouden noemen, dat Christus Kerk zich in de eerste eeuwen, in weerwil van de vervolgingen, zoo wondersnel heeft uitgebreid.
Natuurlijk gingen de apostelen en predikers voorop, maar toch was 't soms, of de geloovigen hun voorgangers poogden te overtreffen.
Wie geloofde moest belijden, wie beleed moest getuigen, en als een vuur dat vanzelf voortkroop en allen aantastte, plantte het Evangelie van Christus zich uit stad naar stad en . uit dorp naar dorp over.
Wie niet beleed en als getuige optrad, stond niet recht in het geloof.
Vanwaar komt het dan, dat thans deze drang om te getuigen, zooveel zwakker en in zooveel beperkter kring werkt?
Het antwoord op die vraag geeft u de Zending.
Voor de Zending voelt ieder Christen. Aan de Zending wil ieder meewerken. Voor de Zending wil een ieder zijn offer brengen. In het werk der Zending te mogen uitgaan, geldt in veler oog als hooger eere, dan Dienaar des Woords in het vaderland te mogen zijn. Voor de Zending wordt de geestdrift als van zelf ontstoken. De Zending is een macht.
Maar volgt hier uu uit, dat in het heidenland of in het land van den Islam, een ieder, man of vrouw, jong of oud, geleerd of ongeleerd, die bij Christus Kerk is aangesloten, daarom ook aan het werk der Zending meedoet, openlijk belijdt, en drang in zich voelt om bij heiden of Mohamedaan als getuige voor den Christus op te treden? .
Helaas neen. Veeleer wordt door tal van zich noemende Christenen, die in zulke landen wonen, de Zending onvriendelijk aangezien. Immers men is zelf slechts in naam bij de Kerk aangesloten, voelt zelf de waarde van het Evanëëlie niet én kan daarom den drang niet kennen, om aan heiden ofjavaan het Evangelie te brengen.
Zij daarentegen die in onze koloniën als ware geloovigen leven, zijn van zelf Zendingsvrienden, steunen de Zending, en pogen elk op hun beurt en op hun manier een getuige voor den Christus bij den inlander te zijn.
Dit gaat van zelf, dit kost nauwelijks strijd, en men kan geen andere positie fals geloovige in zulke landen innemen, omdat men staat tegenover een bevolking, die in baar groote massa er zelve voor uitkomt, dat ze aan den Christus nog vreemd is. Hier keert alzoo de toestand der eerste eeuwen terug. Gelijk toen de weinige Christenen tegenover de machtige Heidenwereld stonden, zoo staat thans de kleine groep geloovigen in onze Oost .tegenover de geheele Mohamedaansche wereld. De tegenstelling tusschen beiden teekent zich eiken morgen en eiken avond in heel het leven af. Wie Christus^ liefheeft en eert, moet dus wel als zijn getuige optreden. Al werd het verboden, men zou het toch doen.
In het moederland daarentegen heeft eens de Kerk van Christus een volkomen triomf behaald. De tijden zijn gekomen en lang gebleven dat heel het volk gedoopt was. En toen van zeli had de Zending hier te lande het tegenover andere belijders, had het getuige zijn van Christus zijn eindpaal bereikt. Waar alles gedoopt is, of van zelf gedoopt wordt, is er voor het roepen en lokken naar den Doop geen plaats meer.
Doch juist hierdoor treedt dan ook een geheel gewijzigde toestand in, die aan het getuige zijn van Christus een geheel ander karakter verleent.
Dan toch vindt ge u geplaatst voor een wereld, die wel Christelijk heet, en waarin de Doop algemeen is, maar met een kerkelijk leven, waarin half-geloof en zelfs afval doordrong. Het komt dan aan op een geheel andere onderscheiding. Het staat niet meer gelovige en heiden tegenover elkander, maar in de Christe lijke wereld zelve dringt het ongeloof door om het geloof te ondermijnen, een valsch Christusbeeld voor den waarachtigen Christus in de plaats te schuiven, en den geest der wereld tot onder de gedoopten te doen heerschen.
Natuurlijk leeft de plicht om een getuige van den Christus'te zijn, hierdoor reeds in volle kracht op, want het waarachtig beeld van den Christus moet aldus en op elk gebied tegen het Christusbeeld der fantasie worden overgesteld, maar deze plicht tot getuigen stelt nog andere eischen.
Tweeërlei eisch.
Ten eerste, om in uw omgeving, en vooral in uw huis, aan wie den Christus nog niet aan , nam, den Christus dierbaar te maken, en den tegenstand tegen het geloof in liefde voor Jezus om te zetten, niet 't minst door uw eigen leven.
Maar dan ook ten tweede en niet minder, om uit uw geloof de consequentie voor heel het leven van uw volk te trekken, en moedig en zonder voorbehoud, het stempel van Christus dat op het leven gedrukt stond, te handhaven of er opnieuw in te drukken.
Getuige zijn is niet in uw bidcel of in eigen vriendenkring zich terugtrekken, maar om ook tegenover andersdenkenden voor den Christus en zijn eere op te komen. U te laten hooren. Voor aller oor te belijden. En ihb in eiken kring op te treden, dat de wereld niet enkel weet: die man, die vrouw is orthodox, maar dat ze het u, waar ge ook optreedt, vanzelf aanziet, het aan u merkt, het in uw doen en laten gewaar wordt, en het voelt dat in u en in alle geloovigen de Christus zelf voortleeft, en door u aan het leven van den tegenwoordigen tijd geheel dezelfde, alomvattende eischen stelt, die hij voor 20* eeuwen aan Israel stelde, toen hij als de van God gezalfde Koning in het heilige land der vadeten optrad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1909
De Heraut | 4 Pagina's