„Vervolgen om den Heere te kennen”.
Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om denHEERE te kennen; zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands. Hoséa 6 : 3.
„Den Heere te kennen" is het hoogste doel van ons aanzijn. „Dit is het eeuwige leven, " zoo leerde Christus het ons, dat ze u kennen den eenigen waarachtigen God". Voor de reinen van harte is de rijkste zaligheid dat ze God zullen zien. En waar we nu nog bet beeld onzes Gods als in een spiegel aanschouwen, bestaat de heerlijkheid die komt daarin, „dat we kennen zullen gelijk we gekend zijn", en dat we
Maar juist omdat de kennisse Gods het hoogste is, zijn wij in onze kleinheid en in ons schuldbewust zelfbesef geheel onbekwaam om die kennisse onzes Gods op eenmaal te grijpen. Nooit anders begint die kennisse bij ons dan met een uiterst gering stukske der zaak. Esrst van lieverlede kan die kennisse Gods in ons wassen. Hier op aarde zal onze kennis van onzen God altoos uiterst beperkt blijven. En eerst in het rijk der heerlijkheid zal het klare licht ons bestralen. Reeds Hosea voelde dit langzaam aanwassen van die ken nisse Gods. En vandaar zijn aangrijpende uitroep : „Wij zullen kennen, en wij zullen vervolgen om den Heere te kennen. Vervolgen óok in den zin van „er mee doorgaan", er verder indringen, steeds meer er ons meê verrijken, maar toch eigenlijk dieper nog opgevat, dat zooals de jager van het wild niét aflaat, en niet rust vóór hij het gegrepen heeft, dat zoo ook onze ziel niet zal kunnen rusten, en steeds ook de kennisse Gods zal najagen tot we haar gegrepen hebben. Die kennisse Gods het heilig ideaal en het hooge doelwit van ons leven!
Vanzelf mag hier geen oogenblik gedacht worden aan de van buiten geleerde kennis, aan een kennisse des Heeren, die we leerden naspellen of uit een boek ons eigen hebben gemaakt. Niet het geheugen, het hart is hier het orgaan waardoor we ons deze kennisse Gods moeten verwerven. Niet van huilen, maar van Unnen moet die kennisse ons zijn toegekomen. Wat van buiten geleerd wordt is van deze bedeeling en valt met het sterven weg; en de kennisse onzes Gods waarop het hier aankomt, is juist een geestelijke verrijking van heel ons innerlijk leven, die we als verworven schat eens in het Vaderhuis zullen indragen, opdat ze daar eerst haar voltooiing en voleinding vinde.
Dat ock de Godgeleerdheid de kennisse Gods in stellingen poogt uiteen te zetten, is kostelijk. Dit kan ons hulpe bieden, om onze verworven kennisse Gods te leeren verstaan. Maar de kennisse zelve van onzen God blijft altoos hartewerk in de gemeenschap met onzen God door ons verworven. Zoo als ge uw kind niet uit een beschrijving, maar uit het leven leert kennen, zoo ook gaat het met de kennisse Gods in ons bewustzijn toe. Uit het leven, niet uit het verstand komt ze ons op, en wie in zijn leven den omgang met zijn God niet vindt, komt tot de kennisse Gods nooit.
Juist daarom kan die kennisse Gods niet blijven wat ze eerst was, maar wast ze gestadig aan. Wat door u van buiten geleerd wordt is geheugenwerk, dat niet leeft, en daarom geen vooruitgang kent. Wat leeft en uit het leven opkomt draagt daarentegen een innerlijke verborgen drijfkracht in zich, spruit telkens weer uit, en zet nieuwe vrucht.
De gacg daarbij is gemeenlijk deze, dat we met de kennisse van Gods Voorzienig bestel beginnen en Hem aanroepen als Onze Vader die in de hemelen is; dat we daarna de bange vraag naar Verlossing in ons voelen wakker worden, en nu ingaan in de kennisse van den Zoon; dat dan de kennisse onzer Verlossing den dorst naar het gebed doet opleven en ons inleidt in de gemeenschap met den Heiligen Geest; en dat ten slotte deze drieërlei kennisse Gods ons de weelde van het kindschap ontdekt, en God Drieëenig als onze Vader uit wien we geboren zijn leert aanbidden.
Raadpleeg slechts uw eigen ervaring.
Als jong kind hadt ge niet anders dan zeker zwevend mystiek besef van een Eeuwig Wezen, dat hoog in de hemelen zijn troon had. Ge leefdet nog onbezorgd, ge kendet nog de wisselingen van het leven niet, en eerst toen ge later tusschen vreugd en droefenisse, tusschen blijdschap en teleurstelling geslingerd werdt, ontwaakte langzaam in u het besef, dat er een bestel door uw leven ging en begont ge iets van het doen uws Gods in zijn Voorzienig bestel te verstaan. Deze reeds iets rijpere kennisse van uw God ging voortaan gepaard met het ontwakend vermoeden, dat er zeker verband bestond tusschen het bestel uws Gods over uw leven, en de rust öf onrust in uw conscieniie. Was er niet, zoo ge wel deedt, verhooging, en zoo ge misgingt een bangheid voor uw God in uw hart?
Dit nu is helaas het standpunt waarop o, zoovelen staan bleven. Ze gelooven ja, dat er een God is. Ze voelen zeer wel, dat hun lot in de hand van dien God is. En nu bidden ze en danken ze, om in dien God, die immers almachtig is, een hulpe voor hun nood te vinden. Een lifithebbend Vader die hen bijstaan en zegenen zal. Maar juist daarom dan ook maar al te zeer een God die bestaat om hen, om hen te redden en te helpen, en niets nog ontwaren ze er van, dat zij zelven bestaan xaoe.\.Qn allee om hun God.
Maar ontwaakt er nu in de ziel een begeerte om te vervolgen in de kennisse Gods, dan ontsluitert zich heel iets anders in de binnenkamer van het hart, leeft het schuldbesef op, begint de toorn Gods te drukken, en ontwaren ze nu eeuerzijds een dorst naar dien God, die hen zoekt, maardaarentegen een strijd met dien God in zijn heiligheid, die hen terugstoot in hun vertwijfeling. Reeds dit is een teeken dat God hun genaderd is, dat er een werk in hen begonnen is, en nu komt de Goël, de Verlosser, de Redder, verzinken ze in het Kruis, vloeit de ziel van berouw en boete over, en vindt die ziel in haar Heiland een zalige verzoening die hen rechtvaardigt voor hun God, en juist hierdoor voor het eerst met hun God in omgang en verkeer en allengs in zalige gemeenschap brengt. Het is hun dan, of de hooge, heilige God, die eerst voor hun besef een God van verre was, alineer een God van nabij voor hen is geworden, en in Christus voelen ze zich als tot Gods heilige gemeenschap toegelaten.
Doch ook hierbij blijft het niet. Juist die aanvankelijke gemeenschap met den Heilige brengt hen thans tot de ervaring, dat de gemeenschap met hun God telkens verstoord wordt door de nawerking der zonde, en slechts in die enkele oogenblikken krachtig bij hen opleeft, als heilige zin hen aangrijpt. Zoo blijft dan de gemeenschap met hun God iets, dat ze slechts af en toe genieten, maar dat dikwijls hun weer begeeft, en hen dan troosteloos terugwerpt in de ledigheid van hun eigen hart. En zoo eerst ontdekt zich aan hen de Trooster, en maakt de Heilige Geest bij hen woning. Die maakt dan de gemeenschap met hun God tot een blijvende, tot een duurzame gemeenschap. Ook als zij terugvielen, hield toch de inwonende Heilige Geest de gemeenschap aan. En als zij zelf niet, gelijk 't behoort, bidden kunnen, bidt die Heilige Geest met onuitsprekelijke zuchtingen voor hen.
En nu is natuurlijk, niet naar intensiteit, ook niet in graden, maar toch in de trappen, gelijk men het noemt, de toenadering van hun God tot hen, en van hen tot hun God voleind. Nu hebben ze den Drieëenige gevonden, Vader, Zoon en Heiligen Geest. Voor Hem komt het Halelujah uit de verborgen diepte van het gemoed op. Ze grijpen het Kindschap. In dit Kindschap leeren ze God als hun Vader kennen. Niet zooals eerst alleen in zijn Voorzienig bestel, maar nu in zijn heilige toenadering en in zijn eeuwige liefde.
Niet dat ze alzoo het wezen van den Heilige zouden kennen. Zijn eeuwig wezen blijft een ondoorgrondelijke verborgenheid, maar ze leeren Hem nu kennen in zijn uitgangen naar hun inner lijk leven en naar zijn Goddelijke deugden. Ook vroeger hadden ze die deugden Gods wel op het rijtje af van buiten geleerd, maar dat voedde hen niet; en nu is zoo heel anders. Nu hebben ze de deugden Gods op zichzelven voelen aandringen er zelven de uitwerking van ondergaan en genoten. Die deugden van hun God zijn hun nu een leidende, bezielende kracht geworden. Zooals van de zon licht en gloed uitstraalt, zoo straalt uit die deugden Gods in hun ziel en voor heel hun leven heilige werking en bezieling uit. Door die deugden wordt God de Heere hun de magneet die hen trekt, die hen gestadig boeit, en van wien ze zich niet kunnen atkeeren, ja, naar wien ze telkens dieper en verder aandringen. Hun bidden wordt, zooals de apostel het noemt, nu. een „altijd bidden", een aldoor in de gemeenschap met hun God vetkeeren, en eiken dag en eiken nacht wordt de glans dier deugden van hun God hun rijker, zaliger, heerlijker. Alzoo wordt Hij hun hoogste goed, hun Redder en hun Schild, één uitvloeiing van hooge liefde voelen ze naar zich uitgaan; daar verliezen ze zich in; daar dorsten ze eiken morgen naar; en al missen ze de woorden om hun zaligheid in die liefde huns Gods naar waarde uit te spreken, toch zingen ze, en jubelen ze, zij 't al met de stameltaal van het kind.
En nu ervaren ze het. Zóó hun God te mogen kennen, dat is eeuwig leven. Eeuwig leven reeds hier op deze aarde ingedronken, en gesmaakt. Ingedronken met volle teugen, maar zonder dat daardoor hun dorst naar hun God ten volle gelescht wordt. Ze dorsten naar altoos meer, en hieruit komt als van self de begeerte op, om eens ontbonden te worden en met Christus, en in Christus bij hunjGod te zijn.
Hier op aarde blijft het altoos ten deele. Wat het worden moet, is om eindelijk eens ook tot het zien van hun God van aangezicht tot aangezicht te geraken.
En de belofte van die hoogste zaligheid voor Gods kinderen, vindt eerst haar volkomen vervulling in het Vaderhuis, dat hun wacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juli 1909
De Heraut | 4 Pagina's