„Die goed hebben”.
En Jezus, rondom ziende, zeide tot zijne discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het koninkrijk Gods inkomen! Markus 10 : 23.
Hoe vet is het er nog van daan, dat al wie Christen bedoelt te zijn, op „he/ goed" een oog zou hebben, zooals Jezus dat zelf had, en van ons wil.
Jezus heeft wel ter dege met „kei goed" als met een bestaande macht gerekend. Hij heeft „het goed" niet als een onverschillige zaak beschouwd, die men kon laten voor wat 2e was. Hij doorzag, hoe er in het goed en geld een geest huiüt en werkt, en dien geest als Mammen gepersonifieerd, om zijn jongeren tegen het gevaar dat ook hen van dien kant bedreigde, te waarschuwen.
Nooit heelt Jezus het goed zelf als zondig veroordeeld of het geld als boos gebrandmerkt. Wel had hij zelf geen goed, iets wat hij opzettelijk betuigde in zijn zoo bekende uitspraak: „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij 't hoofd nedetlegge"; maar in den kring dien hij om zich verzamelde, was toch een beurs, waaruit men leefde, en voorts waren er gegoede vrouwen die Jezus dienden van haar goederen. Ia beginsel heeft Jezus dus niet tegen het hebben van goed overgestaan. Goed of geld is op zichzelf kwaad noch goed, en eerst door het gebruik dat de mensch er van maakt, ontvangt het zijn zedelijk merk. Iets wat volstrekt rJet zeggen wil, dat alle geld en goed in aalmoes of offerande moet vergeven worden. In de eerste plaats zelfs strekt het om in eigen behoeften te voorzien, en die behoeften kunnen naar stand en levenspositie zeer verschillen. Men behoort ook met zijn geld en goed zijn naaste lief te hebben, maar als zich zelven. Allerminst is dus het zorgen voor zich zelf en voor eigen behoeften uitgesloten.
Maar al kan in dien dubbelen zin ook geld en goed een gave Gods zijn, waarvoor we hebben e danker, toch waarschuwt Jezus zijn jongeren tgedutig, dat er van het geld en goed een magae tische aactrekkings-, zuigings-en kleef kracht kan uitgaan, waaraan niet dan uiterst moeilijk weerstand is te bieden, en die, overmant ze ons, maakt dat wij er onder raken, en niet wi; meer het geld hebben, maar het geld ons.
Iets wat Jezus zóóver trekt, dat hij voor hen die „goed hebben", dit goed in den regel beschouwt als een belemmering, ja, als een beletsel om in de eeuwige zaligheid en in zijn Koninkrijk in te gaan.
Pijnlijk ernstig toch spreekt Jezus het met zoovele woorden uil: „Bij de menschen is het onmogelijk, dat wie „goed hebben" zalig worden Er kan wel een wonder van genade tusschen beiden kernen. Bij God zijn alle dingen mogelijk. Maar anders op zichzelf, en naar den mensch gerekend, zal eer een kemel door het oog van een naald gaan, dan dat een rijke zou ingaan in het Koninkrijk der hemelen.
Toch, zoudt ge zeggen, zijn er nog al rijke Christenen, en dit is ook zoo. Naar evenredigheid lang niet zooveel als onder de lieden der wereld, en ge behoeft in onze groote steden de hoofdstraten en hoofdgrachten, waar de rijken wonen, slechts langs te wandelen, en de namen op de deu! posten te lezen, om u te overtuigen, hoe klein io aantal op die lange rijen de huizen zijn, waarin mannen of vrouwen wonen, die openlijk den Heere belijden, bij zijn volk zich aansluiten, en op allerlei terrein voor de zaak des Heercn uitkomen.
Maar toch is het zoo, ook onder de Christe nen zijn er heel wat „die goed hebben", en zeer stellig zijn er onder dezen meer dan één, die zichzeif met al wat ze hebben voor den naam des Heeren Jezus hebben overgegeven. Maar gaat 't daarom door dat allen, die voor Christenen doorgaan en goed hebben, metterdaad reeds in het Koninkrijk van Christus zijn binnengegaan en van hun zaligheid gewis zijn?
En met die vraag nu komt het op het beslissende punt.
Of wat dunkt u, zoo Jezus morgen den dag ook tot hen kwam, om hun te zeggen: „Ga heen, veikoop al wat gij hebt en geef het den armen, en dan eerst zult ge uw schat in den hemel hebben, en kom dan, neem uw kruis op, en volg mij", — hoevelen zouden dan aanstonds bereid zijn, van hun goederen te scheiden?
Niet alsof Jezus dit eischt van een ieder die goed heeft. Bij den rijken jongeling nam Jezus een proef om hem aan zich zelf te ontdekken, en omgekeerd heeft Jezus de velen die hem dienden van hun goederen, in het rustig bezit van dit goed gelaten. Maar hiermee vervalt de vraag niet. Als Jezus ook tot fi die goed hebt, met dien eisch kwam, zoudt ge toeslaan? En ook, kunt ge van de Christenen, die goed hebben, hoofd voor hoofd aannemen, dat ze 't doen zouden, en niet als de rijke jongeling bedroefd heengaan?
Ze geven veel, de Christenen die goed hebben. In aalmoezen en giften voor de zaak des Heeren zijn ze veelal niet karig. Ze heeten wel eens mild, al geven ze geen tiende voorde zaak des Heeren va'D wat ze voor eigen weelde en positie spillen. Naar evenredigheid geven ze vaak een kleiner deel van hun inkomen, dan een kleine man, jx dan een arbeider of dienstbode. Maar in het algemeen mag toch geroemd, dat de eerenaam van goedgeefsch ook hun toekomt.
Doch hiermee is de zaak niet beslist. Ook voor hen toch is en blijft de hoofdvraag, of hel steunpunt van hun vertrouwen is hun goed of hun God.
Zekerheid van levenspositie heeft groote bekoring. Op een vast inkomen tot aan zijn dood toe te kunnen rekenen, geeft een gevoel van gerustheid. Vandaar de toenemende zucht om een Staatsbetrekking te erlangen met vast pensioen. Maar onzekerheid van positie leidt gemeenlijk meer tot gebed. Op het platteland, waar de oogst meê kan vallen, maar ook tegen kan slaan, wordt de af hankelijkheid van Hooger macht in den regel dieper gevoeld. De kleine winkelier, die eiken morgen uitziet, wie bij hem zal komen koopen, en de goede dagen met de kwade dagen ziet afwisselen, voelt meer, hoe hij afhangt van de koopers die God hem zendt. Juist het onvaste en onzekere leidt er hier toe, om de vastheid van zijn steunpunt in zijn God te zoeken. En die drang nu ontbreekt zoo vaak bij hen die 't goed hebben.
Dit hoelt niet. Ze kunnen zoo diep doordrongen zijn van de heerlijkheid Gods, en van het ijdele en wisselvallige, dat daarentegen aan al het aardsche kleeft, dat ze in weerwil van het vele goed, toch in het diepst hunner ziel eeniglijk steunen op den Rotssteen, en het oprechtelijk meenen, zoo ze eiken morgen weer d bidden: Geef mij heden met de mijnen ons n dagelijksch brood 1 Maar of het in den regel c bij hen, die goed hebben, zoo is, wie zou 't e durven zeggen? Naar wat ge van hen hoort en i van hen merkt, en naar wat er in uw eigen hart is omgegaan, ' zoudt ge eer tot het tegen v deel besluiten.
Dit is het dan ook juist wat Jezus zegt, dat zij die goed hebben, staan voor een geloofsstrijd, dien de arme of de kleine man niet kent. Wie niet heeft, zoekt vanzelf zijn steunpunt in God. Hij kan niet anders. Goed of geld om op te steunen heeft hij niet. De innerlijke worsteling of hij op God of op zijn goed vertrouwen zal, komt bij hem niet voor.
Maar bij hen die goed hebben, komt die strijd in steeds machtiger evenredigheid opzetten. Zoolang de mensch in zijn onmacht aan gevaren bloot staat, bidt hij. Toen de zee nog pas met kleine hulkj ens bevaren werd, bad wie scheep ging; op onze groote mailbooten, die rustig door de golven snijden, voelt men zich even veilig als op 't vaste land, en meestal bidt men niet meer. En zoo ook hier, wie uit de hand in den tand leeft, bidt eiken morgen om zijn dagelijksch brood, maar bij den man, in wiens huis al wat hij behoeft, als van zelf wordt ingedragen, klemt de nood niet meer, geeft zijn geld 't brood; wat zou hij 't dan van God nog vragen?
Vandaar dan ookdatjezus dezen geloofsstrijd, waarin de rijke, om zalig te worden, overwinnen moet, scherp aldus omschrijft: „Kinderen, hoe zwaar is het, dat degenen die op hun goed hun vertrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!”
God is uw God niet, zoo ge op iets anders, wat ook, dan op Hem, en op Hem alleen, uw vertrouwen zet, en juist dat vertrouwen poogt Mammon steeds in uw ziel te breken. Het is dan of Mammon u gedurig ie fluistert: „Ik ben er toch ook goed voori Zoolang ik u van het noodige goed verzeker, voor nu en voor uw toekomst, kunt ge toch onbezorgd zijn”.
En daartegen nu moet de man die het goed heeft, met al de veerkracht van zijn geloof inworstclen. Levendig moet steeds het besef bij hem zijn, dat Mammon hem niets geeft, en al 't goed dat hij heeft, hem van God toekwam, en allen dag opnieuw toekomt. Hij moet 't als vastheien in zijn ziel, dat al wat hij heeft, niet van hem, maar van God is en blijft, en dat hij er slechts, onder verantwoordelijkheid aan zijn God, over rentmeestert. Het moet zijn opstaan en zijn naar bedgaan zijn, het zich zelf telkens in te prenten, dat er in 't goed dat hij heeft, niets wezenlijks is, en dat 't bij zijn sterven hem tot de laatste penning ontvalt.
Wat goed hij ook hebbe, God moet zijn Hoogste Goed zijn en blijven, en hij moet 't . verstaan, dat een arme met God in den tempel van zijn hart, veel, veel rijker is, dan de rijkste op aarde, in wiens hart God geen woonstede heeft.
Voelt hij dan het gevaar dat zijn geld en goed te veel beslag op zijn hart wil leggen, dan geeft hij te meer weg, om van onder dien druk uit te komen, en zoekt bij zijn God de kracht en de volharding, om zijn ziel uit de doodelijke omarmii^g van Mammon los te maken.
Want dit is 't punt, waar het altoos op aankomt. Wie 't goed heeft, zoodat het goed hem heeft, kin in het Koninkrijk van Christus niet ingaan, omdat hij zich geen schat in den heme) heeft opgelegd. En dan eerst is in dezen harden geloofsstrijd een volkomen overwinning behaald, zoo ge voor den Almachtigen God het betuigen kunt, dat uw schat op aarde slechts éen doel heeft gehad, het hooge doel, om uw schat in den hemel te verrijken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 19 september 1909
De Heraut | 4 Pagina's