Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Zonde tot zonde.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zonde tot zonde.”

9 minuten leestijd

Wee den kinderen, die afvallen, spreekt de HEERE, om eenen raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met eene bedekking te bedekken, maar niet uit mijnen Geest; om zonde tot zonde te doen. Jesaja 30 ; 1.

Kunt ge zeggen, dat elke zonde altoos een nieuwe zonde baart, of althans een nieuwe zonde na zich sleept?

Stellig niet, en veeleer dienterkend, dat lang niet zoo zelden een begane zonde ons schrik voor die bepaalde zonde inboezemt, en er ons mee doet breken. Zoo is voor meer dan ééu, die gevaar liep een dronkaard te worden, een geval van ergerlijke zatheid, met de droeve gevolgen van dien, de aanleiding geweest om zicii aan te sluiten bij de afschaffers.

Moet ge dan zeggen, dat in zulk een geval uit zoo'n zonde iets goeds is voortgekomen? Dat zij verre. In de zonde a< V nooit iets goeds, en daarom komt er ook nooit iets goeds uit voort. Hoogstens kunt ge zeggen, dat de zonde er aanleiding toe werd, in zooverre, dat als die zonde niet ware voorgekomen, ook dit goede er niet op zou gevolgd zijn. Alle reddende liefde, die uitgaat om het verlorene te zoeken en het lijdende creatuur te helpen, is iets goeds, maar een goed dat er niet zou geweest zijn, indien de zonde en de ellende niet haar verwoesting aanrichtten. Ja, de liefde in God zou nooit tot die hoogere heerlijkheid van genade, ontferming en barmhartigheid zijn opgeklommen, indien het schepsel niet door de zonde een voorwerp van ontferming geworden ware. In dien zin kunt ge dan ook zeggen, dat ook de zonde bijdroeg tot de verheerlijking van Gods Naam. Zelfs persoonlijk gaat het door, dat wie verviel in diepe zonde, zoo bij verzoening vindt,

in ’t eerst een rijker, voller indruk van het ondoorgrondelijke van Gods genade ontvangt, dan menig ander. Het was dan ook uit het leven gegrepen, toen de apostel de vraag opwierp: „Zullen we dan in de zonde blijven, opdat de genaae ie meerder wordel David is dieper da de meesten gevallen, vooral door zijn moord op Uria gepleegd, en zoek nu maar in heel de Schrift, in wiens zielsuiting ge voller wegsmelten in de genade vindt, dan juist in Davids Üaagzangen. Ge moet er u dan ook niet over verbazen, zoo de geestelijke gruwel van het Antinomianisme telkens het hoofd weer opsteekt, ook in ons land. Het is nu eenmaal zoo, dat de vroom-brave man, ook al is hij waarachtig bekeerd, zijn teug uit de beker der genade soms, o, zoo klein neemt. Maria van Magdala, in wier ziel zeven duivels hadden gewoed, wat is ze Jezus niet veel dichter genaderd. De boetvaardige zondares, die in Simons eetzaal, Jezus' voet met heur haar afdroogde, wat stelt Jezus haar in de genade hoog. Het is nu eenmaal niet anders, zonde en genade staan tegen elkander als pool en pool over. Hoe dieper de zonde haar gleuf groef, hoe meer genade ér, bij oprechte bekeering, invloeide. De engelen, die staande bleven, en geen genade behoeven, zegt de apostel, zijn begeerig om in te zien in de heerlijkheid van de genade, die in deze zondige wereld openbaar wordt. Hoe donkerder de schaduw, hoe wit-glanziger het licht.

En toch \t dit geen voorkeur voor wie dieper viel, maar 't komt alleen op uit ons gebrek, 't Is de kennisse der zonde waaraan 't ons faalt. Doorzaagt ge zelf het wezen der zonde van uw hart, o, vroom-brave man, zooals 't al doorglurend oog van een Almachtig God 't doorziet, zoo zoudt ge de genade niet slechts met even diepe, als de diep gevallene, maar met nog dieper, voller teugen indrinken. Vergelijk Paulus, Petrus en Johannes maar, neem Augustinus en Calvijn. Paulus beweende levenslang zijn diepen val, dat hij de Gemeente Gods vervolgd had, en aan den moord op Ste phanus gepleegd, mee schuldig stond, en heeit als een „Godslasteraar, vervolger en verdrukker, die moord en dreiging blaasde", den weg der genade in deze diepte der zonde gekend. Petrus had zijn Heere driemaal verloochend, en satan had hem gesift als de tarwe, maar hij heeft dan ook die rijke genade bekend toen Jezus hem weer aannam met het driewerf: Weid mijne lammeren. Maar Joannes, van wien ons zulk een gruwelijk iets niet bericht wordt, verstond het dat wie zijn broeder haat, reeds daardoor een moordenaar is. Hij ploos de zonde in haar wortel na. £n zoo ook viel Augustinus diep, terwijl Calvijn voor eiken gruwel van dien aard bewaard werd, maar zie nu, of Calvijn ook maar in iets bij Augustinus, in de kennisse van de diepte der zonde en den rijkdom der genade, achterstaat.

De vroom-brave man, die de genade slechts bij matige teugen indrinkt, zit zich zelf in den weg, en vergeet het peillood in 't zondig moeras van zijn hart te laten zinken. Wie dat peillood tot op den bodem in de troebele wateren der zoude kat afdalen, kent, ook al bewaarde God hem voor gruwelijke zonde, den gruwel der zonde even diep als wie zichzelf vergat. Zoo waar en aangrijpend laat de Catechismus het elk geloovige belijden, dat hij tegen al Gods geboden twaarlijk gezondigd heeft, en nog steeds tot alle boosheid geneigd is. De zonde behoeft niet uit te breken, om er te zijn. En niet óf ze uitbrak, maar of ze er is, bepaalt de mate der genade, die ge, om gered te worden, van noode hebt.

En zoo genomen, en zoo moet ge 't nemen, blijft het de bange stelregel, dat alle zonde nieuwe zonde kweekt. Lang niet altijd een uitbrekende zonde, maar een verkalking van het aderengestel uwer ziel. Bij elke verzoeking die ge weerstondt, bij elke verlokking tot zonde, die ge overwont, leeft ge inwendig op, wint ge aan geestelijke kracht, wordt ge innerlijk sterker. Maar dan ook bij elke zonde, waarvoor ge bezwijkt, verslapt ge van binnen, zinkt ge in en krijgt heel het zondig wezen in u vrijer spel.

De zonden in u liggen niet los naast elkander, maar ze vormen een giftig weefsel. Het hangt alles saam. Het heeft alles één wortel. Uitdien wortel zuigen al de vertakkingen der zonde in u haar levenssap. £n door elke zonde die ge begaat, wordt die wortel weer besproeid, en zendt nieuwe levenskracht, nieuw giftig levenssap in al de vertakkingen der zonde naar boven.

Dit gaat nu bij wat ge een „kleine zonde" noemt, soms weken en maanden lang zoo geregeld door. Dan ontvangt de wortel der zonde zijn besproeiing wel bij druppels, maar die druppels hebben toch op 't eind dezelfde uitwerking. Vooral omdat die vele kleine, gewone, dagelijksche zonden, geen weeromstuit krijgen. Ge raakt er aan gewend. Ge gevoelt ze niet meer als zonde. En ook uw omgeving ziet ze door de vingers, regeert er niet tegen, maakt er u geen verwijt van*. Als ge 's avonds voor uw God neerknielt, komt 't zelfs niet in u op, er vergeving voor af te bidden. Ge rekent ze niet, en waant dat ook uw God er niet mee rekent. En zoo zondigt ge in 't kleine door. Elke begane zonde maakt't begaan van nieuwe zonde lichter voor uw zelfbesef. Zoo wordt dit soort van zonden met uw leven vereenzelvigd. Soms kunt ge er zelfs om lachen, zoo nietig klein en onbeduidend als ge deze pecca^ dillo's vindt. En toch zetten ze hun vernielingswerk in het binnenste van uw aderen voort. Zoo als de tuberkels de long allengs vernielen, zoo vernielen zulke zonde-tuberkels het fijner weefsel van uw hart.

Het is alsdan een doen van zonde tot zonde, maar zoo in het klein, dat de geestelijke microscoop noodig is, om ze te ontdekken. En juist dien geestelijken microscoop, die de zonde tot in haar wortel begluurt, mist ge nog altoos, of zoo ge ze een oogenblik hadt, hebt ge ze ter zijde gelegd.

Doch hierbij blijft het niet. Het is niet maar, dat de nauwelijks getelde kleine zonde u innerlijk verzwakt, en er u telkens weer in doet vervallen, totdat ze u een zondige hebbelijkheid, een zondige gewoonte, een zondige levensmanier geworden is; ook lokt zonde nieuwe zonde uit, als ze krasser uitbrak. Het kind dat snoepte, staat aanstonds voor de leugen. Snoepen is voor een kind lang geen kleine zonde. Het is de kindsvorm van wat Jacobus betuigt: „Een iegelijk wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerlijkheid verlokt wordt, en die begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zonde". Reeds die begeerlijkheid naar het verbodene was in 't kind zonde, en het snoepen zelf is de diefstal in kiem. Wie 't snoepen in 't kind licht telt, is geen opvoeder. De leugen-komt er dan ook aanstonds bij, en de leugen is verharding van de conscientie.

Zoo gaat 't bij 't kind, en niet anders gaat 't, altoos naar proportie, bij de volwassenen. Niet als alleen God en onze ziel er van weet, maar wel zoo 't gemerkt werd. Dan staat men voor de gevolgen, en dan poogt men die ge­ n volgen te niet te doen. Hoe menige moeder heeft niet haar eigen kind den hals toegenepen, omdat 't in ontucht verwekt werd. Hoevelen vervielen niet tot oneerlijkheid, omdat ze in weelde meer verspilden dan het hunne was? Hoe vaak is niet in meineed heil gezocht, om een begane zonde te bedekken? Zoo gaat 't in het groote, en zoo gaat 't in het kleine, zoo men een begane zonde door een tweede zonde weg moet werken. Dan wijst de eerste zonde van zelf de tweede aan, en aan het zonde tot zonde doen, is voor den schuldige, zoo God hem niet weerhoudt, bijna geen ontkomen. Het ééne zit altoos aan het andere vast. Het is de slavernij der zonde die haar schalmen ineenschakelt.

En of dit onheilig werk nu, dat God 't alleen ziet, in het hart toegaat, of wel dat het uitbrak, en feitelijk toegaat, het blijft altoos dezelfde noodlottigheid, dat de ééne zonde de andere roept, en langs het hellend pad doet afglijden.

Bij elke zonde gaat 't voor God nooit alleen om dit ééne kwaad, maar altoos tevens om al den aankleve van dien.

De zonde is een microbe, die in uw ziel zich zelve voortplant. En daarom, neem toch uw geestelijk microscoop weer op en wees voor de zonde bang als voor een giftige infectie van uw hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 september 1909

De Heraut | 4 Pagina's

„Zonde tot zonde.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 september 1909

De Heraut | 4 Pagina's