Naar ouder gewoonte
Naar ouder gewoonte werden de colleges an de Vrije Universiteit den derden oensdag in September geopend, door den rorector Prof. Dr. J. Woltjer, die daarbij en rede hield over de beteekenis der ereformeerde beginselen voor de wetenchap.
Aan het persverslag ontleenen wij het olgende resumé van deze rede, die met roote aandacht werd gevolgd:
Spreker begon met op te merken, dat een ieder die als hoogleeraar of als student aan de Vrije Universiteit werkzaam is, telkens weder behoort te o verwegen wat de Gereformeerde beginselen voor de wetenschap beteekenen. „Gereformeerd" is niet iets bijzonders, waarnaar men moet zoeken, het ligt voor de kerken geformuleerd in de „ware cjiristelijke belijdenis" in dezen vorm reeds dtie en een halve eeuw oud. Het gaat natuurlijk niet aan te zeggen die belijdenis betreft de eeuwige dingen en onze zaligheid, de wetenschap onderzoekt slechts de tijdelijke dingen en daarom kan ertusschen deze twee geen strijd zijn. Zoo iets beweert ook Herbert Spencer: de wetenschap geeft antwoord op de vragen: hoe? en wat? , de religie op de veel gewichtiger vragen: waartoe? en waarom? ladien nu de religie maar ophoudt onreligieus, de wetenschap ophoudt onwetenschappelijk te zijn, dan is er vrede.
Zoo gaat het echter niet, zooals denken en ervaring leeren. 't Gebied van de religie en dat van de wetenschap liggen niet het een buiten het ander. Spreker wenscht dat aan te toonen door een enkel voorbeeld: de heiliging van Gods Naam ook in de wetenschap.
Dat die heiliging in de religie het eerste is, behoeft geen betoog, zij is het echter ook wat het weten aangaat. Ons weten is altijd stukwerk; de volkomene, absolute wetenschap is alleen bij God. Daartegen rijzen naar ons denken bezwaren, die eene wetenschap oppantheïstischen of panpsychischen grondslag tracht op te lossen, maar zóó, dat zij den Schepper en het schepsel vereenzelvigt en dus niet God God laat, maar Zijnen Naam, Zijne openbaring ontheiligt.
Tegen het weten Gods rijzen ook voor onze ervaring bezwaren, zoo duidelijk reeds uitgesproken in Ps. 73, en die overal en altijd wedet opkomen. Die bezwaren worden door geen onverbreekbare wet van oorzaak en gevolg weggenoinen, door geen philosophische theodicee opgeheven. De wetenschap ontkent of staat machteloos, 't geloof heiligt Gods Naam en ei kent dat bij Hem geen onrecht is, maar belijdt ook, dat wij de diepten van het Goddelijk wezen niet kunnen peilen.
Ook daarin wordt Gods Naam geheiligd, dat wij erkennen, dat Hij die het [zaad der religie in onze harten gelegd heeft, in het gemoed ook het zaad der wetenschap plantte. Dat zulk een beroep op het gemoed ook in de wetenschap niet kan worden gewraakt, toonde Prof. Woltjer aan door aanhalingen uit Heinrich Hertz, Lotze en Spencer.
Neemt men wetenschap in concreten zin, als het wetenschappelijk onderzoek en zijne in systeem gebrachte resultaten, dan is het ook daarin de bede van een oprecht Christen: „Ut7 Naam worde geheiligd”.
De Spr. drong er bij de studenten op aas, hunne wetenschappelijke taak niet licht op te vatten, maar echt wetenschappelijk te leeren werken, de literatuur en de methoden te kennen en toe te passen, om eindelijk zelfstandig de eerste bronnen, het voorwerp van het onderzoek uit de eerste hand, te kunnen bewerken. Hoe op die wijze de Naam des Heeren wordt geheiligd, toonde de spreker aan door een woord van een der grootste mannen op het gebied der wetenschap, in de 19de eeuw, der Engelschen physicus Maxwell, onder wiens nagelaten papieren dit gebed gevonden werd: „Almachtige God, Gij, die den mensch naar U«r beeld geschapen en hem eene levende ziel gegeven hebt, opdat hij U zoeken en over Uwe schepselen heerschen zou, leer ons de werken Uwer handen zóó te onderzoeken, dat wij de aarde tot ons gebruik onderwerpen en ons verstand voor Uwen dienst versterken, en laat ons Uw Heilig Woord zoo in ons opnemen, dat wij aan Hem gelooven, dien Gij gezonden hebt om ons de wetenschap des heils en de vergeving onzer zonden te schenken. Om dat alles bidden wij in den Naam van denzelfden Jezus Christus, onzen Heere !”
Geen star dogmatisme, maar evenmin het evolutionisme mag ons leiden in de wetenschap. Het zijn moet worden erkend, maar evenzeer het worden. God is de onveranderlijke: „Ik zal zijn, die ik zijn zal". Maar ook: Gods raad is en wordt volvoerd in en door alles wat geschiedt en zich ontwikkelt. Dat die belijdenis met door allen erkende wetenschap kansamengaan, bewijst bijv. Oswald Heer, een der grootste geologen van de 19de eeuw, die in zijn werk: „die Urwelt der Schweiz" schrijft: „Hoe dieper wij indringen in de kennis der natuur, des te inniger wordt ook onze overtuiging, dat slechts het geloof aan eenen Almachtigen en Alwijzen Schepper, die hemel en aarde naar een van eeuwigheid voorbedacht plan geschapen heeft, de raadselen der natuur en van het menschenleven vermag, op te lossen.”
Hij hield geen dubbele boekhouding, eene voor het geloof en eene andere voor de wetenschap: gelooven en weten zijn geen volledige tegenstellingen. Vinden wij strijd tusschen den inhoud van ons geloof en de wetenschap, dan moet onderzocht, of onze uitlegging van de H.-Schrift wel de juiste is, maar veel meer nog oi hetgeen de wetenschap heet te leeren, wel werkelijk wetenschap is. Zooveel heet wetenschap, wat het niet is, en in de wetenschap zelf komen onopgeloste tegenstrijdigheden voor. En zien wij ten slotte tusschen ons geloof en onze wetenschap tegenstrijdigheden, die wij niet kunnen oplossen, dan wachten wij af, vasthoudend aan de belofte: „den oprechte gaat het licht op in de duisternis". Én is de meerderheid ons tegen, wij verwachten het niet anders; maar wij hebben ook in dezen eene wolke van getuigen rondom ons liggende, die ons zijn voorgegaan in de belijdenis, dat God heilig is en ook in de wetenschap geheiligd moet worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 26 september 1909
De Heraut | 4 Pagina's