Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De heer Bensdorp

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heer Bensdorp

6 minuten leestijd

De heer Bensdorp verzoekt ons nog eenmaal plaats voor repliek en we willen beleefdheidshalve hem die niet weigeren.

Geachte Redactie,

Uw poging om uw bewering betreffende RufRnus te handhaven, komt mij niet bijzonder o gelukkig voor. Uw voornaamste bewijs is gegrond op eene bewering, welke u aan Ruffinus toeschrijft, maar welke aan deze geheel vreemd is. Ruffinus zegt niet, gelijk u beweert, dat de termen „begraven" en „nedergedaald ter helle" elkander in de verschillende geloofsbelijdenissen afwisselen, hij zegt uitdrukkelijk, dat in verschillende symbolen de uitdrukking „nedergedaald der helle" niet aan het woord „begraven" is toegevoegd. Hij spreekt dus alleen van di twee uitdrukkingen naast elkander en niet van een afwisselen dier beide uitdrukkingen.

Verder geeft Ruffinus zeer duidelijk te kennen, welke beteekenis hij zelf aan de uitdrukking „nedergedaald ter helle" hecht. Mogelijk, dat bij bij de uiteenzetting dezer woorden minder slaande teksten gebruikt, die wellicht beter op de begrafenis van toepassing zijn; maar niettemin IS het ontwijfelbaar zeker, dat hij het „nedergedaald ter helle" wel degelijk verstaat van Christus' ziel; want hij beschouwt de bekende plaats van I Petrus III als een ver klaring van hetgeen Christus in de hel of onderwereld „verrteht heeft". Het zou trouwens teneenenmale onverklaarbaar zijn, dat Ruffians hier van het algemeen gevoelen der Vaderen zou afwijken en tegelijk aan de symbolen een van dit algemeen gevoelen af trijkende beteekenis zou toeschrijven; want geen enkele oude Vader of schrijver verstaat het „nedergedaald ter heile" van Christus' begrafenis. Ook Calvijn niet. Als ik mij niet vergis, is eerst Beza hiermede begonnen. Wanneer Ruffinus dus met het oog op de woorden „is nedergedaald ter helle" zegt: Men wete wel, dat deze toevoeging in verschillende symbolen gemist wordt, „maar het schijnt, dat m de uitdrukking, dat Hij begraven is, dezelfde kracht van beteekenis ligt'', dan bedoelt hij blijkbaar, dat het „nedergedaald ter helle", gelijk hij dit met alle oude Vaders opvat, schijnt te liggen opgesloten in „begraven'', en niet, dat die uitdrukking als „begraven" schijnt opgevat te nroeten worden, m. a. w. een beteekenis schijnt te hebben, welke noch eea enkele Vader noch hij zelf er aan hecht. Dat Ruffious hier het woord „schijnt, " gebruikt, is hiertegen geen bezwaar; integendeel is zulks in dezen samenhang heel natuurlijk; want, dat de oude symbolen onder „bsgtaven" ook „nedergedaald ter helle" verstonden, was, hoewel zeer waarschijnlijk, toch niet volstrekt zeker. Het „nedergedaald ter helle" kon, gelijk verschillende andere geloofspunten, in de symbolen eenvoudig zijn overgeslagen en noch expliciet noch impliciet zijn genoemd. Dit wat Riffinus aangaat.

Wat Augustinus betreft, zult u vergeefs bij dezen Kerkvader een tekst zoeken, die uw bewering wettigt, dat hij Christus' verblijf in de hel metterdaad opvat in borgtochtelijken zin als een dragen der helsche smarten, i) Niets belet echter den Katholiek in Christus' nederdaling ter helle ook zekere vernedering te zien. Reeds ia het feit, dat Christus' ziel van zijn lichaam gescheiden was, ligt mogelijk iets vernederends. Thomas Aquinas gebruikt, bepaal delijk met het oog ddarop, zelfs het woord „straf" (III qu. 52 art. i).

Verder merk ik op, dat volgens de Katholieke leer de verblijfplaatsen der heiligen wel degelijk in de onderwereld van die der verdoemden door een ondoordringbare muur of klove waren gescheiden; en ten slotte herhaal ik nog eens, dat volgens de Katholieke leer alle heiligen van het Oud-Verbond door Christus' verdiensten geheiligd en voorbestemd zijn tot het eeuwig geluk. Hoe dit mogelijk zou zijn zonder vooruitwerkende kracht van Christus' bloed, gaat mijn bevatting te boven.

Nog heel wat meer heb ik èn op uw antwoord èa op uw artikelen aan te merken. Misschien kom ik er elders, waar mij meer ruimte ten dienste staat, nog eens op terug. Met ware hoogachting verblijf ik.

Uw dw.: TH. BENSDORP, Cong. S. S. Red.

Amsterdam, 8 Nov. 1909.

i) De tekst die door Schwane wordt aangevoerd, bewijst dit allerminst.

Gelijk men ziet, loopt het geschil over de uitlesjging van drie plaatsen, het citaat uit Rufiaus, Augustinus en uit den Roomschen Catechismus.

Wat Rufinus betreft, stemt de heer Bensdorp thans toe, dat deze schrijver bij de verklaring van dit artikel in de eerste plaats teksten aanhaalt, die „wellicht beter op de begrafenis van toepassing zijn." Toch houdt hij staande, dat Ruünus niet aan Christus' begrafenis gedacht heeft bij de nederdaling ter helle, omdat die gedachte nergens bij de Kerkvaders voorkomt. Een argumentum e silentio, dat zeker niet afdoende is. Vooral niet, waar Rufiaus elders verklaart, dat de beteekenis van het artikel nedergedaald ter helle in het symbool van Aquileja ftetselfde schijnt te zijn als begraven. Óf Rufinus het artikel nedergedaald ter heile in het symbool van Aquileja voorts een toevoegsel noemt, doet ter zake niets af. Want hij zegt uitdrukkelijk, dat in alle andere symbolen, die hij kent, dat artikel ontbreekt. De vraag kan dus alleen zijn, of in den tekst van het symbool van Aquileja beide uitdrukkingen : begraven en nedergedaald ter helle, naast eikander voorkwamen, en juist die vraag is met het oog op den corrupten t^kst niet met stelligheid uit te maken. De geleerden zijn het hierover niet eens.

Wat Augustinus betreft meenen we, dat het gezag van Dr. Schwane voorloopig nog opweegt tegen den uitspraak van den heer Bensdorp. Dr. Schwane had er zeker geen het minst belang bij om Augustinus een gevoelen toe te dichten, dat dezen grooten Kerkvader lijnrecht in strijd zou brengen met de leer der Roomsche Kerk. We zullen echter later op deze zaak terugkomen, wanneer we de uitlegging van Calvijn nader toelichten.

En wat den Roomschen Catechismus aangaat, hebben we de woorden van den Catechismus letterlijk weergegeven. Natuurlijk nemen we gaarne aan op gezag van den heer Bensdorp, dat de Roomsche Kerk in zooverre aan Christus' dood een terugwerkende kracht verleent, dat de geloovigen des Ouden Verbonds door Christus' ver­ iensten geheiligd en voorbestemdZT^TL tot heta euwig geluk. Maar feit blijft, dat deze b oorbestemming volgens Rome eerst werke­ h lijkheid is geworden, toen Christus' oüfer g metterdaad is gebracht aan het kruis. o Een volkomen Zaligmaker is Christus o nder het Oude Verbond dus nog niet geweest; want de „weldaad van zijn lijden", gelijk de Catechismus het noemt, was toen nog niet meegedeeld.

Hiermede meenen we dit debat te mogen sluiten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1909

De Heraut | 4 Pagina's

De heer Bensdorp

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 november 1909

De Heraut | 4 Pagina's