Leestafei
1. Nederlandsche Bond van Joagelingsvereenigingen op Gereformeerden Grondslag. JAAR BOEKJE 1910. Negentiende Jiargang. Ten dienste van de Christelijke JongeJingssrereenigicgen in Nederland. Uitgave van de Vereenigicg. „De Gereformeerde JoDgeÜDgsbond".
2. J. BRESSEN. „De Gedachtenis des Recht vaardigen". Hst levsn van H. J. DIBBETZ, een vriend van Dr, A. KUYPER. Uitgave van de Vereeüiging „De Gereformeerde Jongelingsboad". Premie-uitgave bij het Jaarboelija 1910.
I. De Nederlandsche Bond van JoDgeh'ngs vereenigingen op Gereformeerden Grondslag zond ons zijn JAAHBOEKJE, en wijl Januari al bijkans voorbij is, haast ik mij het hier aan te kondigen.
Naar men weet, heeft deie Bond ten doel de organisatie van de Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag dienstbaar te maken aan den in-en uitwendigen bloei dier Vereenigingen. De bond beschouwt als de roeping van de Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag om, overeenkomstig ons Calvinistisch volkskarakter, werkzaam te zijn tot het doen kennen en belijden der Gereformeerde beginselen voor Kerk, Staat en Maatschappij. Ook dit Jaarboekje zal tot het zooeven genoemde doei vïn den Bond zeker een middel kunnen zijn. Bshal/e toch al wat het op het stuk van kalender, verjaardagen van het Koninklijk Huis, Posterijen enz., met andere Jaarboekjes gemeen heeft, geeft het ook bijzonderheden omtrent üegeering en VolJisveriegenwoordiging. Deze laatste rubriek is voor de Gereformeerde Jongelingen, die immers meeleven met de Politiek, zeker niet onbelangrijk. Eén opmerking over den kalender waarin, aan het hoofd van iedere maand, een citaat uit de ge schriften van gereformeerde voormannen staat. Tot mijn verwondering vond ik daarin een citaat van BfiiTEX dat boven SEPTEMBEa prijkt.
En nietzoozeer over het feit om in dit gezelschap ook BETTBX aan te treffen, dan wel over het citaat zelf werd mijn verwondering gaande gemaakt. Het luidt aldus: Hei geloof is de grootste kunstenaar van de wereld; het ongeloof heft nooit iets smaakvols voortgebracht. Ik heb geen tijd en lust om er BETTEX op natesiaan, maar ik moet in alle oprechtheid verklaren, dat ik er niets van begrijp, tenzij „geloof" hier heel iets anders beteekent dan een Gereformeerde jongeling er onder verstaat. De samenstellers zullen mij, hoop ik, deze opmerking ten goede houden. Wat mij haar niet doet achterwege houden is mijn lang niet ongegronde vrees, dat onze jongens straks dit woord »ls een heel mooi groot woord zullen gaan gebruiken.
Volgt in het boel-j? een Statistiek van de Christelijke Jongelingsvereenigingen. Eerst van den Wereldbond, dan van Nederland,
Uiteraard heeft hier de Bond der Vereenigingen op Gereformeerden Grondslag de grootste plaats p 33—X15,
Deze StatistieK is met zorg bewerkt, en de samenstellers brengen dan ook hun dank aan allen, die hun daarvoor de noodige gegevens hebben verschaft. Djze Statistiek, waarin men alks vindt wat de organisatie betreft, maakt het Jaarboekje bijzonder bruikbaar. Wij vonden « de sprekende cijfers van 548 Vereenigingen en 11382 leden.
Dit geeft moed voor de toekomst van het Calvinisme ten onzent!
In deze Statistiek zijn ook opgenomen gegevens van de andere bonden; van het Neder-Ijudsche Jongelingsverbond met zijn 436 Ver eenigingen en rr382 leden; het Friesche met 50 en 900; het Luthersche met 15 en 332; de Chr. Geref. met i6 en 350. Eindelijk blijkt, dat er nog 179 Vereenigingen met 3608 leden zijn, «
Een bijzondere gelukkige gedachte van de samenstellers van dit JAARBOEKJE dunkt mij, dat zij er op p. 127 ook een plaats in hebben Ssgeven aan den NEDERLANDSCHEN MILITAIREN BOND met: zijn Orgaan De Nederlandsche Krijgs *M, zijn HOOFDBESTUUR en zijn TKHUIZEN !f5R MILITAIREN. Om het groote belang dier J'HuizEN voor onze jongens laat ik bier afdruk-*6n wat op p. r27 staat: „De ouders van zonen ''" in mil. dienst treden, doen wel het adres diet 'utuien op te geven aan den huisvader van het mliiairen Tehuis in de garnieoensplaats waar "J ingedeeld zijn. Het zelfde geldt aen secreta ['Men van C. J, V'. van welke een of meer leden '" dienst zijn."
Ten slotte geeft dit jaarboekje een Jaarver-"'g van den Bond; Jaarverslagen van de Verschillende Afdeelineen; en een Financieel verslag.
^De samenstellers, de heeren leden van het ''^ndsbestuur JAC. VAN OVERSTEEG en Jon. T. "•^ LANGE, hebben eer van hun werk.
2. Dan, niet alleen voor dit zoo correct en Iruikbaar JAARBOEKJE, maar ook voor het kostelijk „premieboekje" dat het ditmaal vergezelt, komt aan de samenstellers een woord van lof toe.
Zij zelf zeggen in hun WOORD VOORAF op het JAARBOEKJE, „dit premieboekj? , zal ongetwijfeld ook buiten den kring onzer Vereenigingen d; aandacht trekken". In deze verwachting zullen zij zeker niet te leur worden gesteld.
DE GEDACHTENIS RES RECHTVAARDIGEN b^vat een levensbeschrijving van H. J. DIBBETZ en is voor de kennis der geschiedenis van ons kerkelijk leven en daarin inzonderheid voor de wording van de DOLEANTIE, een belangrijke bijdrsga,
Bij onze oudere tijdgenooten, die het kerkelijk leven van de Nederlandsche Hervormde Gsmeente van Ainsterdam in de jaren 1856 en 1874 hebben meegeleefd, was de heer HENRI JOAN DIBBETZ een goede bekende. Men kende hem als een dier mannen welke, in den kring van DE VRIENDEN DER WAARHEID en ook als OUDERLINGEN in den Amsterdamschen Kerkeraad, ijverden voor Kerkherstei. En men kende hem ook als lid van de VereenigingTER VERBREIDIXG DEr WAARHEID, van de INRICH TING TOT W E R K V E R S C H A F F I N G A A N H U L P B E H O E YENDE BLINDEN, als DlKSCTEUR VAN HET VROU WENLOGEMENT „TE HUIS", als een man die op sociaal gebied ijverde voor de barmhartigheid. Wat dit alles nu te maken heeft met den Nederlandschen Bond van Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden Grondslag? Dit.
Op den 20 Mei 1909, toen Dr. A. KUYPER te Scheveningen op den Bondsdag sprak, zeide deze: „Voor mij, persoonlijk gekomen tot de levenseenheid van het Calvinisme en beproevende heel ons volksleven daarvan de vruchten te doen zien, kwam toen ook de gedachte aan een speciaal Gereformeerd Joagelingsleven naar voren. Eerlijk gezegd, veel verwachting had ik er niet van en daarom wil ik in dit verband éen naam noemen, die mij lief is, die mij steunde en sterkte in mijn plan van den Bond te slichten".
En die man is dan geweest de heer H. J. DIBBETZ, wiens portret, een kleinood, dat Dr. KUYPER dierbaar is, door hem toen te Scheveningen aan den Bond werd aangeboden. Het leven van dezen Calvinist, „vriendelijk en hulpvaardig, belezen en verstandig, zachtmoedig en toch beginselvast"; het leven van dezen „vriend van Dr. A. Kuypei", —te doen kennen aan de leden onzer Gereformeerde Jongelingsvereenigingen, is het doel, dat Mej. J. BRESSEN, die zelf DIBBETZ van nabij gekend heeft, zich met haar boekje stelde. Maar, om nog eens de woorden der Samenstellers van het Jaarboekje te herhalen, — deze levensbeschrijving „tal ook buiten den kring onjer Vereenigingen de aandacht trekken".
Ik heb mij hartelijk verheugd over die mono graphiëa welke, ten vorigen jare verschenen, ons een kijk gaven in de wording van de ScHEiDiNG. Niet minder sterk verheug ik mij thans over deze biographie, die ons een kijk geeft in de wording der DOLEANTIE. En met evenveel ernst als ik vroeger bier de lezing dier monographiën heb aanbevolen, doe ik het thans hier c'e lezing van deze levensbeschrijving Maar niet alleen ter verrijking van dekennis van ons kerkelijk leven doch ook voor die van ons sociale leven beveel ik de lezing van dit boek ja aan. Het leidt ons zoo in in den arbeid, den vaak zv/aren arbeid, het zwoegen en tobben onzer oudere tijdgenooten, die Jezus als hun Heere en Koning beleden en dit hun belijden ook wilden beleven.
En eindelijk is er nog iets, waarom het zoo lezenswaardig is.
Letterkunst zit er al evenmin in als zielkundige ontleding, maar het is voor de laatste zeer rijk aan gegevens,
MEJ. BRESSEN vertelt nauwkeurig en trouiv — en dit is haar verdienste — slechts dat DIBBETZ de man is geworden zoo als zijn vrienden in Amsterdam hem gekend hebben. Maar de door haar bijeengebrachte gegevens, zijn het zeer betrouwbaar materiaal voor een s'udie waarom hi) zoo moest worden.
Een studie waar deze mensch belangrijk genoeg voor is geweest.
Dan, dat is nu een deugd van het boekje, die de „velen" wel vrij onverschillig zal laten. Toch éen trekje uit al die gegevens.
DIBBETZ was door geboorte en opvoeding een heer. Zijn vader Schout-bij nacht, hij zelf ook ook zeecfficier." Daarbij 'n man niet alleen van vormen, maar ook met zin voor kunst-en natuur schoon. Na zijn huwelijk verlaat hij den dienst en gaat met zijn jonge vrouw in Brussel wonen. Een leven van artistiek genot begint. Maar dan komen de zware tijden. Bij een industriëele onderneming raakt hij, door „een schurk van een compagnon", ïijn geld kwijt. Met handenarbeid moet hij nu zijn brood verdienen. In een „nieuw wasscherij", waar zijden en wollen sloffen als nieuw gewasschen worden. Bij Ds. VAN MAASDIJK woont hij dan in. CATEAU gaat naar Rotterdam, bij haar moeder. a eenige tijd komt zij hem opdoeken. Met moeite had hij het reisgeld voor haar overgespaard.
„Met ongeduld keek Cateau uit den trein. ij snelt op mij toe met een: Dag lieve, dag ibbetz, dag lieve! Zij grijpt mijn haar toegestoken hand, doch met een pijnlijk „oef! oef!" rek ik die haastig terug. De grijze garen andschoenen bedekten de steeds pijnlijk geswollen banden, wier vel nooit aan zsvaar weren gewoon was geweest. Haar oogen liepen ver toen ze zag, tot welken prijs ik baar reiseld had verdiend."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1910
De Heraut | 4 Pagina's