Leestafel.
Ds. G. WISSE JR. DE MODERNE THEOSOPHIE. Kampen. J. H. Kok. 1909. Esnige jaren geleden, 't was op een Zondag avond in een onzer pro»inciestedeD, zat ik io 'n kring van gereformeerde menschen heel ge eiiig te praten. Heel gejellig, omdat niet ééa het gesprek, al doceerend, beheerschte en de anderen de lol van iwijgende personen ver vulden, maar omdat het werkelijk efn over ea weer praten en daardoor een uitruilen vao gedachten was. Eo, wat de gezelligheid nog aanmerkelijk verhoogde was, dat ook de dames meepraatteE; ie' s wat op vele plaatsen van ons land, in gereformeerde kringen, anders zoo geen zede is. Als een vogehwerra, op lichte wieken nu eens scberecd langs den grond dan weer de luchten klievend, gingen in snelle vaart onze denkwoorden langs en door en over zoowat a\le terrtiuen des levens. Op een oogenbhk, ik wett het nog heel goed, 't was ra de thee en de wijn was er nog niet, zweefden ze een tijdje over de politiek. Maar weldra schoten ze toch wetr op en toeöj vrij laog zelfs, zweefden ze in de koesterende tfee? van 't religieus gemoedsleven.
Dat kan je zoo wel eens hebben. Eü aU de harten zich dan voor elkande' ontsluiten en de gedachten zich uitruilen ie trouwe, loutere woorden over de goedheid van God en de lisfeiijkheid des Heeren, dan kan je ziel zoo genieten in die sfeer van het innige lever; hoog-boven al de rarigheid en narigheid van het vermoorde en moordende aliedaag'.che. Genieten, als mij duckt een duif in hooge, reine lachten bij 'c licht der zonnestralen. Maar bèèl laog kan dat eiet duren. Zelfs niet in gereformeerden kring op Zondagavond.
Heb ik dièa avond ook weer gemerkt. Ife meen, dat wij eerst nog een „versjs" hebben gezocgen. Maar toen dat uit wa? , raakte het gespiek dan ook uit de sfeer van het intiemgeesielijke voor goed uit, E°rst wat stilie.
Toen flidderden onze woorden wat in de laagte, schoten straks op, weer neer en weer óp en dan zweefden ze in de sfeer der leerstellige waarheden.
Daar was geen uitkomen aan. Op het laatst begon het kil te worden. Een vccatige avondkoelte droeg in en voelde koud aan. Dit kwam do3? dat, toen wij aan de laatste dingen waren genaderd, de gastvrouw een venster liet opschuiven „voor het rooken". Troostte mezelf maar met de overlegging, dat het nu toch niet lang meer kon duren. Maar, terwijl in snelle vlucht de v? oorden vlogen, kwam plotseling ook een juffsrijs, dat hesl den avond aan 't gesprek geen deel had genomen, met haar woordjes uit den roek schieten. Woorojes, die wekten bij velen groote verbazing.
Oader die velen was echter niet ik, die al ]ang iets van singulierigheid had ontdekt in dat juffettje. Had haar toch, toen ook haar een glaaije wijn gepresenteerd werd, zien neen knikken, en als ze met een: „kóm, met een beetje suiker er in!" echt-goedhartig hoUandsch nog eans „genooid" werd, snibbig hooren zeggen: «dat weet je toch wel!"
Indiceerde geheelonthouding. Daarbij was gekomen, dat zij mij al een tijdje mijn sigaar, die lang niet slecht was, had doen neerleggen. Als toch js gastheer ja er een presenteert, is het een onbeleefdheid tegenover 1-èn, te vragen of het de dames ook hindert. Maar 'k Hl haar neergelegd, toen ik, nadat ze met een paai nuff.ge kuch-hoesijes mijn opmerkzaamheid op zich had weten te trekken, een bhk van haar had opgevangen, die mij duidelijk te verstaan gaf, dat ze ook van 't genotmiddel der tabak niets moest hebben.
Ea eindelijk — en dat had om zoo te zeggen bi] mij de deur dicht gedaan, — toen wij in den na avond, zoo onder het dogmatiseeren door, een pisteitja kregen, had ik haar inquisitoriaal nooren vragen: „zit er ook vUésch in ? « en haar beslist zien weigeren om er 'n mond aan te ïetten, ook na het geruststellend: „neen, alleen maar garnaal!j es".
Duidde onmiskenbaar op vegetarianisme. an zoo was dan ik niet geheel onvoorbereid op het beleven van vreemdighede» met 'r.
Daarom dan ook niet, als vele van de anderen, zoo verbaasd, toen ze daar zoo met woordjes uit den hoek schoot waarin ze haar vaste overtuiging uitsprak, dat wij het met óüze eschatologie zooveel als glad mis hadden. Ze zei het wel niet zóó, maar het kwam er dan toch op neer.
Ea toen, vriendeüjk-zacht vragend of wij dan niet wisten, „dat er alles van zou afiangen in hoeverre of Manas ontwikkeld was", doceerde zij ons op magistralen toon, dat „als wij dood waren ons etherifch-dubbel zich nog een tijd, en wel uiterlijk 36 uren, bij ons begraven lichaam zou ophouden". Wij hadden, zoo waagde lij te onderstellen, zeker wel eens van „keikhofspoken" gehoord? „Nu, dat waren niet anders dan deze etherische dubbelgangers, die zweven boven het graf, waarin hun stoffelijke tegenhanger ligt".
„Och lieve, doe jij tü het raam maar weer dicht", zei toen mijn gastvrouw tegen een van haar dochters. _ Maar die had daar blijkbaar juist tü niet veel zin in.
Deed het toch. Met één hand, en al maar kijkend naar óns, en niet naar het donker buiten. Rukte, altijd weer zoo met één hand en kijkend naar óns, achter zich dicht de statiegordijnen voor het gesloten venster.
Dit gedoe met het raam had aller aandacht getrokken en ook de spreekster doen zwijgen. „Nu maar, je zei daar zoo net van die kerkhofspoken en dat die niet anders zijn dan ....: „Wat zei ze ook weer? " — begon een van de jongere meisjes, eerst kijkend naar de sicguliere en toen zich met vraag-oogen richteed, naar een veel oudere Rotterdamsche naast haar. Maar die toonde met een: „Neen kind, met die enge dingen moeten ze mij üever niet aankomen", dat zij tot nadere toelichting niet geneigd was. En toen nog, pruilend-smeekecd, het venstersluitstertje: „Hè neen, nu niet meer van die lamme spoksn".
Maar de singuliere deed of ze niets hoorde en doceerde rustig weer verder van: Kama loka of de woonplaats van begeerte, „waarin je dan eerst aankomt", en van Karma en van de Reïncarnatie.
Met deze diepere stukken had ze echter veel minder succes dan met het stuk van de „kerkhofspoken". Die diepere toch werden nog minder goed begrepen, en daarom ook mineer „eng" gevonden.
Toch had ze haar gehoor gepakt. Straks, toen we aan 't dogmatiseeren waren geweest, waren óók controverse siukken ter sprake gekomen, maar dit waren nu „verschilpunten" zooals een der heeren opmerkte, „waar J2 zelfj nooit van gehoord of gelezen had". En nu vlogen eerst recht, in snelle vaart, de woorden der anderen tegen de singuliere op Die van mijn gastheer vooraan, raak en aan de ketileer ontleend: „Maar, lieve kind, waar heb ']'. dat alles van daan? ' Daar achter, die van de Rotterdamsche vinnig-verachtend: „Wat of dat nu tösh voor een Geloof was? " Daar dan overheen die van een ernstig jongmensch, dat mij al in vertrouwen verteld liad, dat hij 'n vriend had, die in LEIDEN studeerde, maar dat hij, ik zou wel begrijpen waarom, nu onlangs totaal met hem had gebroken, — wijsglimlacbend vragend: „of het niet was van dien HEGEL",
Doch het juffertje liet ze maar vragen. Eindelijk, toen ze vragensmoede waren geworden, begon ze weer.
„Ja, ze zou het dan maar zeggen, dat was nu de THEOSOPHIE en die was zooveel als de Oude Wijsheid, en de heerlijk mooie, verreinende Waarheid'.
„Als dat waarheid is!" — bitste nu'n oudere dame er tegen in. „Mooie wijsheid!" smaalde het moed'ge raamsluitsterje, blijkbaar nog altijd gebelgd over het angstgevoel dat de ander haar met die „lamme spoken" had bezorgd. En nu plotselirg kijkend naar mij, die nog niets gezeed had, zei het jeffirtje, dat zich düi als THEOSOPHE ontpopt had: „Nu als de anderen bet dan niet. begrijpen, ü dan toch zeker wel!"
Ik wil wel zeggen, dat mijn eerste gedachte was: „ondankbaar schepsel! dat is nu zeker mijn dank, dat ik miju sigaar voor j: heb neergelegd; ga je er mij nu inhalen 1" Ik had vroeger over THEOSOPHIE een en ander gelezen ; had er ook over geschreven. Het staat in miju: VAN 'S HESREN ORDINAKTIËN Deel II. en wel onder het DERDE GEBOD hoofdstuk 13-15'
Ik voor mij acht die NIEUWE THEOSOPHIE, als een verachten van Gods revelatie, in-goddeloos ; als een terugvallen in het oud-Iadische heidendom, diep onchristelijk; als een overschrijden der grenzen van ons kenvermogen weinig serieus; met haar suggereetende apodicticiteit, voor veel menschen, een erger tiersesvergif dan alkohol; en als een heel slechte en erg omslachtige, uit een oogpunt van kunst allesbehalve interessante, werelddichting — criant vervelend.
Dacht er dus niet aan als bondgenoot van het theosopbiiche juffertje op te treden. Maar, toen ik die smeek-oogen zoo naar me zag kijken, kreeg ik tccti medelijden en kwam de gedachte in mij op, dat ik haar toch moest helpen.
Moest helpen tegen zichzelt. Zoo'n arm, verdwaald liehje. Christeckind met verheidend bewustzijn. En daarom heb ik haar op eens gevraagd, of ze onzen HEIDELBERGER CATECHISMUS wel eens goed had gelezen.
„Neen, goed eigenlijk niet." „Moet u eens doen juffrouw! U hebt schrikkelijk veel gelezen, dat kan ik wel aan u merken. Wil u me beloven, dat u morgen eens den HEIDELBERGER CATECHISMUS zult gaan lezen? Ea dan heelemaal. Hij zit zoo mooi-in-elkaar en u houdt veel van wat mooi-in elkaar zit. Heb ik straks ook wel gemerkt."
„Ja juist, ziet u ! Het moet sluiten !" zei ze. „Wil u het doen? Het begin is ook al zoo mooi; dat van dien eenigen troost in leven en sterven". O ja! dat herinnerde ze er zich nog wel uit. „Zult u bet doen ? " Ze beloofde. 't Was tijd van schiiden.
Met een paar anderen ging ik over de nu eenzame stadsstraat, door de enkele lantaarns slecht verlicht. Ik vernam nog, dat „dat kind in haar jonge leven al heel wat verdriet had gehad."
De maan zat weer achter een wolk en wij liepen voort in het donker van den laten avond. Maar de wolk dreef eindelijk van vóór de maan weg; en toen zilverde de maan met zacht smeltend licht de hooge sombere huizen en de donkere stadsstraat.
„Zend Heer, uw licht en waarheid neder! — morgen, in dat verdonkerde smarte-ziehjs, als ze leest van den eenigen troost". Zoo dacht ik en bad ik.
Ik weet niet of dat is verhoord. Weet ook niet, of uit een oogpunt van „weerleggende waarheid" mijn methode met de Theosoofsche wel de juiste is geweest, „Van Calvinistische zijde, schrijft Ds. WISSE, bestaat, voor zoover wij weten, geen werk van omvangrijken aard over dit onderwerp."
En daar vergist bi) zich, naar ik meen, niet in. Want het boelje van DR. DE MOOR, dat wij tcèa nog oiet badden, is nu niet bepaald „omvangrijk", al is het ook lang niet arm aan inhoud.
Maar in de leemte aan een „omvangrijk" werk, als het een leemte is, is door den heer WISSE dan nu gelukkig voorzien roet zijn boek in groot formaat van 253 bladzijden. Het is een geleerd boek dat heel wat vóórstudie moet gekost hebben. Op het eind geeft de geachte schrijver: een opgave van litUratuur, welke bij de samenstelling van dt boek is gebezigd, of er in is aangehaald, en in die opgave staan niet minder dau 80 titels van boeken.
Het werk is verde-sld in twee deelen. Een „historisch-analytisch gedeelte" en een „critisch gedeelte".
Het eerste bevat X hoofdstukken en wel: t. Op den drempel der twintigste eeuw; 2. Wat is Theosophie? 3. Theosophie en Mystiek; 4. Theosophie en Pailosophie; 5. His'oriEch over-•zich'; 6 Opkomst en bloei der moderne Theosophie; 7. God eo wereld; 8. De Menscb; g. Ds Overiijde van het Graf (A. Kama loka 77; B. Devachan 79); ro. Reïacarnatie en Karma. Het laatste deel bevat eveneens X hoofdstukken en wel: i. De Theosophie en hare aantrekkelijkheid; 2. Ale; emeene critiek; 3 Emanatie of schepping? 4. Critiek op de Tnsos. voorstelling van den menscb; 5. Ctitiek op de leer van den Tusschenstaat; 6. Critiek op de leer van Karma; 7. Critiek op de leer d? r reïncarnatie; 8. T.neosophie en Cïiristelijke religie; 9 Da worderen der Theosophie; ro Besluit. Het is te waardeeren, dat Ds WISSE in zulk een, zeker ook voor hèm. zoo weinig aantrekkelijk onderwerp als de MODERKE THEOSOPHIE, met zooveel vlijt zich hetft ingewerkt. Hij heeft dit met ormiskenbaar talent gedaan. Noemde ik het zooeven een geleerd boek, men late zich daardoor niet afschrikken, want het laat zich ook aangenaam lezen. „Meer hadden we", zegt Ds. WISSE, „in dit boek nog kunnen zeggen vóór de Cnr. religie, en ook meer tegen de theosophie. Voorloopig ia genoeg gezegd. Genoeg D.l. om een indruk te vestigen." Ea daar heeft hij gelijk in. Het boek roaikt indruk. En daar was het zijn auteur blijkbaar om te doen. Ik twijfel dan ook niet of door dien indruk zullen velen van ds dwaasheid der Moderne Theosophie kunnen worden afgehouden.
Mocht het kwaad zich ook onder ons CALVI NISTEN nog verder uitbreiden dan hebben wij in WISSE een geharnast strijder, die niet van plan is den strijd op te geven. Op p. 250 toch lees ik: „Liter D. V. hoopt schrijver dezes nog meer over deze stoffi in het licht te geven; en sommige punten nader uit te weiken of breeder toe te lichten.-'
Wij mogen den heer WISSE dankbaar zijn voor zijn principieele bestrijding. Zijn boek kaa met name als vooibehoedmiddel dienst doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 6 maart 1910
De Heraut | 4 Pagina's