GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„IDaarom hebt Bij mij berlaten?”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„IDaarom hebt Bij mij berlaten?”

9 minuten leestijd

En omtrent de negende ure riep Jezus met eene groote stemme, zeggende: LI, ELI, LAMA SAbACHTHA.Nl; dat is: ijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten 1 Matth. 27 : 46.

In het „Mij dorst" sprak de stervenssmart, gelijk Jezus die voelde in 't lichaam, m het vijtde Ktuiswoord uit zich de pijn van het naderend sterven, zooals die gevoeld werd in Jezus' ziel.

Onder de drie urige duisternis was het sterven begonnen, in den edikteug zocht Je; us nieuwe kracht om zijn laatsie steivenswoorden te spieken, en die diie laatste Kruiswoorden zijn dan ook snel op elkander gevolgd, het Elt Eli, lama Sabachthani, het Volbracht, en het „In uwe handen. Vader, beveel ik mijnen gtest, In snel op elkaar volgend tempo gmg het, na den teug, die even sterkte, den dood tegemoet. Al kunt ge dan ook zeggen, dat het Kraij voor Jezus één sterven was, van het oogenbUk 8 f dat bij er aacgeoageld werd tot op de afnemiog, toch verliep het eigenlijke sterven, voorzooveel Jejus zelf den dood voelde komen, doorgaan en zich voleinden, veeleer snel. Ailicht dat 't niet 't vleide van een uur geduurd heeft, van het „Mij dorst" af tot het geven van den geest toe. Geen twijfel dan ook, of voor menig martelaar is de duur van 't sterven veel banger geweesi; voor Jezus school de bitterheid van het sterven in de diepte van het zelfbesef, waarin het doorworsteld werd.

Wat aan 't Ktuis in Jezus stierf, was natuurlijk niet zijn Goddelijke natuur. Het Goddelijke in Jeius bleef voor als na onaantastbaar, 't

eeuwige in zich dragend en daarom onbereikbaar voor den Dood. Niet de Zone Gods stierfj wat in Jezus stierf, was de Zoon de mensehen, niet naar zijn Goddelijke, doch naa zijn menschelijke natuur, naar ziel en lichaam beide. Ook in het sterven bleef de Zoon met den Vader en den Heiligen Geest in het Drieëenig Wezen onlosmakelijk en onafscheidelijk één, In dien zin is een verlaten zijn van den Zoon door den Vader een volstrekt ondenkbare gedachte. In üjn uitroep klaagt Jezus dan ook niet: „Mijn Vader, waarom hebt Gij mij verlaten, maar mijn God; iets wat vanzelf niet ui het Goddelijk, maar alleen uit het menschelijk bewustzijn kon opkomen, en toch ook zoo nog door het „mijn God", zelfs in de verlaten heid, aan God vasthield.

Van wat ook maar zweemde naai wanhoop of vertwijfeling is dan ook van verre geen sprake. Nog onder het klagen dat hij verlaten zich gevoelde, klemde onze stervende Heiland zich aan zijn God vast. Slechts even hield de spanning aan, en toen werd het Volbracht uitgeroepen, en vlak na dit Volbracht treedt de dood in, en geeft Jezus zich aan zijn Vader over.

Toch zult ge u wachten, om in dat Eli Eli niet een schijn van verlatenheid te zien, en vooral er niet van maken, dat Jezus een vers uit Psalm 2 2 bij zichzelf nagezegd zou hebben. Met geen gekunstelde uitlegging mag zoo plechtige uitroep in zoo ontzettend oogenblik ontadeld worden. Het zich van God verlaten gevoelen, was in Jezus wezenlijk, en kon het alleen in Jezus zoo zijn.

Aan den Dood kleeft het onreine. In Israels bedeeling moest al wat met een doode in aanraking, geveest was, onizondigd worden. De Dood is niet maar het einde van het leven, maar een onheilige macht, die bezoedelt en vergiftigt, en die daarom als „de laatste vijand" eens door Christus in den poel wordt geworpen. Zelfs ons menschelijk gevoel gist dit. De verrotte stee in de edelste vrucht snijden we uit, want ze steekt aan, zou onzen smaak bederven en boezemt weerzin in. Van een lijk gevoelen we ons vervreemd, zoodra het eerste teeken van ontbinding intreedt. De Dood is met de zonde éen. De Dood is zonder de zonde niet denkbaar, en de zonde is niet deiikbaar zonder den Dood in haar gevolg. Voür ons moge, dank zij 't Kruis, zoo we immers gelooven, de Dood een afsterven van de zonde tijn geworden, maar de eigenlijke, d. i. de Dood buiten Jezus, de Dood in zijn ongebroken onhsilige macht is uit de zonde en der zonde straf en vrucht. De Dood is verstoring en verbreking van Gods heilige orde in de natuur zijner schepping. De Dood is een tegen God ingaan. U.t God is het leven, en de Dood keert door de zonde het leven in het sterven om.

De Dood is daarom een ingaan tegen God. Een aanr^^oden van God, Een verwringen van zijn Maj steit. Een scbijntriomf door het onheilige op den Heilige behaald. Vandaar dat in den Dood de toorn Gods tegen de zonde opwaakt. Het is die heilige toorn Gods die in den Dood het heilige tegen de aanraniiog van zijn Majesteit verdedigt en verweert. Een toorn, die doorgaat en doorzet ten einde toe. Elke aanranding van Gods heilige orde door de zonde moet in den Dood gekeerd, teruggeworpen en gewroken worden. Er is in God haat tegen de zonde, afschuw van het onheilige, en daarom toorn tegen het woelen var. zonde en Dood. Zoo is het God zelf, die dv.n Dood aan de zonde gebonden heeft als haar noodzakelijk gevolg, en die in den Dood zijn heiligheid op de zonde wreekt. Nu was het sterven van Jesus wezenlijk sterven. Een steryen met klare bewustheid. Een sterven zoo, dat hij wist dat hij den Dood inging. Eu onder dit ingaan in den Dood een tot iti de diepste diepte voelen en weten, wat de Dood was en wat dat sterven hem bracht. Zooals nooit een eenig mensch den Dood gevoeld en doorkend heeft, heeft Jezus den Dood zien aankcmen, voelen naderen, en onder dit naderen ia zijn onheilig wezen doorzien. Vandaar de zieleschrik in Jezus' heilig wezen voor de onheiiige macht, die hem aangreep. Een oogetiblik van de bangste ontroering. En in dïtt oogenblik van die alles te bovengaande ontroering, toen het onheilige tusschea hem en zijn God irad, toen heeft 't op Golgotha diep uit Jezus' ziel geklaagd: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten!"

Hier sprak het mysterie van de menschwor ding van den Zone Gods in onze verzwakte natuur, 't Heilig, heilig, hsilig! bleven Gods engelen ook na die vleeschwording den Zone Gods toëj'ibelen. Ingaande in ons geslacht en in onze natuur bleef tusschen Jesus en onze zonde de klove der onheiligheid gapen. Maar op die verzwakte natuur die de Christus uit het vleesch en bloed in 't lichaam aannam, drukte met centenaarslast de onheiligheid van ons gevallen wezen, en op dit onheilig wezen de toorn Gods, die juist in den Dood zich op dit onheilige wrook.

Geheel afgescheiden van de zonde in ons innerlijk wezen nam het Lam Gods deze onze zonde op zich, en hij kwam er m; -ê in de nauwste aanraking'juist door in te gaan inden Dood. En nu, nu de Dood zich naar hem toebeweegt, hem nadert en hem aangrijpt, nu trekt de nevel van het onheilige, dat van den Dood onafscheidelijk is, tusschen zija innerlijk menüchelijk besef en zijn God. Altoos, al zijn jaren van omwandeling op aarde, had zijn Goddelijk zelfbesef zijn menschelijk bewustzijn gedragen, maar nu komt de Dood en gaat zijn menschelijk zelfbesef in dit sterven in, en bij dit door den Dood omtogen worden van zijn menschelijk bewustzijn, voelt hij, wat hij anders nooit gevoeld en nooit gekend had, een oogenblik van scheiding, als tusschen zich en zijn God. Dit is het vreeselijke. En uit dit vreeselijk gevoel, uit dit gevoel van verlatenheid, roept hij zijn Eli Eli uit.

Voor ons is dit gevoel een telkens terugkeerend besef van de gemeenschap met onzen God kwijt te zijn, omdat we zondaren zijn, en eerst in ons sterven de zonde afsterven. Wij hebben eerst jaren van ons leven doorleefd, eer we voor het eerst een besef van Gods gemeenschap verkregen. Het „'k Zil dan gedurig bij U zijn, in al mijn nooden, angst en pijn" is voor ons het verlossingslied. Het opkomen van niets tot iets. Eerst geheel buiten God. Dan Hem naderend. Eindelijk samen met onzen God leven en Gods nabijheid smaken. Maar toch telkens ook weer het uitvallen en ontvallen, om straks onzen God te vuriger te zoeken. Maar bij Jesus was nooit scheiding geweest. Het „Ik en de Vader zijn één" was zijn levensspreuk. Nooit had hij ook maar één oogenblik gekend, dat hij niet de nabijheid van en de gemeenschap met rijn God smaakte. Zelf had Jezus zich nooit kunnen voorstellen wat dat scheiden van zijn God in het oogenwblik van het sterven zijn zou. Hij wist dat ] dit bange oogenblik komen moest, maar hij s had het niet vooruit kunnen doorleven.

En nu komt dat oogenblik. Nu overvalt het hem op eenmaal in een ure van doorgestane uitputting. „Waarom hebt Gij mij verlateny beduidt niet; waarom onthoudt Gij mij uw hulpe. Dat hij op zou staan ten derden dage, is in het sterven zelf geen oogenblik voor Jezus twijfelachtig geworden. Er was geen vertwqfeling t aan God's hulpe, maar een voelen dat hij het gevoel van gemeenschap, als Zoon des menschen, met zijn God in het sterven verloor. Een neveV, die tusschen hem en zijn God trok. Een nevel die straks, hij wist het, weer zou wegtrekken, maar die er toch voor een oogenblik hing en hem het bitterst lijden doorworstelen deed.

Voor ons niet om in te komen. Wij zijn er te zondig, te onheilig voor. Voor ons is dit een onpeilbaar diep mysterie. In den Dood is de zonde, en de aanraking met den Dood was voor den Heilige de zelfkruisiging in het diepst van zijn wezen. En toch doorstond, toch doorleed uw Jezus ook dit bitter oogenblik. Met de macht in zich om van het Kruis af te komen en den Dood terug te werpen, bleef hij het L^m Gods. Hij wilde dien Dood, en den toorn Gods die in den Dood over hem kwam, smaken. Hij wilde dien drinkbeker drinken, tot dat de heffe van dien beker zou zijn geledigd. Maar juist dit was een lijden der ziel, waarvan eerst de eeuwigheid ons de diepte zal kunnen openbaren.

En al wat wij er van kunnen verstaan, en wat er ons in kan aangrijpen, is dat bange Kruis woord zelf. Daaruit toch weten we, dat Jesus zoo diep, om onzer zonde wil, tot in het onheilige van den Dood is ingegaan, dat hij het niet in kon houden, maar het klagen, het uitzuchten, het in zijn '• versmachten uitroepen moest]: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1910

De Heraut | 4 Pagina's

„IDaarom hebt Bij mij berlaten?”

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 maart 1910

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken