Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Derwachtende de belofte.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Derwachtende de belofte.”

9 minuten leestijd

En als hij met hen vergaderd was, beval hij hun, dat zij van Jerusalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide hij, van mij gehoord hebt. Hand. i : 4.

De dagen, die na Jezus' hemelvaart verliepen tot aan den Pinkstermorgen, waren voor de apostelen de wachttijd. Eer hij opvoer, had hun Meester het zelf hun aangezegd, dat ze moesten blijven te Jeruzalem en verwachten de belofte des Vaders in het komenj van| den Heiligen Geest. Zonder dien wenk zouden ze stellig terstond naar Galilea teruggekeerd zijn, waar ze thuis hoorden, maar nu bleven ze, en verwachtten de dingen die komen zouden.

Hoe dit toe zou gaan, ze wisten het niet. Dit alles had Jezus voor hen verborgen gehouden. Al wat ze wisten was, dat ze den Heiligen Geest zouden ontvangen, maar wanneer, en hoe, en onder welke teekenen dit geschieden zou, was hun niet aangezegd. Of de uitstorting van den Heiligen Geest daags na Jezus Hemelvaart, of een maand daarna, of pas een j«ar later zou volgen, ze badden het af te wachten, 't Was alles in bet onzekere gelaten. Dit alleen wisten de apostelen: Ze hadden in gehoorzaamheid te wachten, en groote dingen te verwachten tegelijk. Eerst op den tienden dag na zijn opvaren ten hemel maakte Jezus zelf aan dit hun a/wachten een eind.

Ook dit moet van den zielskant bezien. Wat wel beweerd is, dat Jezus tien dagen behoefde, om van den Olijiberg, al opvarend, den hemel te bereiken, rust op niets. Zelfs de zoo snel voortschietende lichtstraal gebruikt duizenden van jaren om van meer dan één ster ons oog te bereiken. Wat zouden voor Jezus dan tien dagen rijn? Van de afstanden, die hiertedoorloopen waren, weten we niets. Niets ook van de wijze, waarop het verheerlijkte lichaam van Jezus zich voortbewoog. Niets van wat onder ons als maat of gewicht of snelheid geldt, is daarom bij Jezus' Hemelvaart toepasselijk. De tijd die tusschen Hemelvaart en Pinksteren verliep, is wat afstand en cijfer betreft, een voor ons geheel onopgeloste hoegrootheid, en alteen de geestelijke beteekenis die er in ligt, spreekt ons toe.

Aan de jongeren is de tijd gelaten, om tot bezinning te komen j om in het van Jezus gescheiden zijn, zich in te leven; om zich, nu Jezus weg was gegaan, te nauwer en te inniger aan elkander aan te sluiten; om zich bij aanvang de taak in te denken, die hun wachtte; en bovenal om vast te zetten het geloof in hun hart, dat wat Jezus hun beloofd had, zou komen. Het was voor de apostelen zulk een aangrijpende overgang. Dusver altoos met hun Meester, en nu voortaan met hun opgevaren Koning nooit anders meer dan geestelijke geloofsgemeenschap. Zulk een overgang in onzen zielstoestand vraagt tijd. We zijn te beperkt om dit op eens, om 't op een enkelen dag door te maken. Indrukken die te snel op elbtar volgen, wisschen elkaar uit. Alles wat een tijdlang aanhoudt, prent zich dieper in ons zielsleven. Ons gelooi moet, om vast te staan, in het wachten en afwachten beproefd.

Dat God de Heere de zijnen laat wachten, Vi dan ook heel de Schrift door regel. Dit wachten volgt vanzelf uit het genadebestel, om heerlijkheid te bereiden aan wat in zonde wegzonk en tot aan zijn sterven met zonde behept blijft. In het Paradijs krijgt Adam terstond na zijn val het Evangelie te beluisteren. Het zaad der vrouw zou satan den kop vermorzelen. Maar geheel ten onder gaat satan's macht eerst bij de wederkomst van Immanuel, als het oordeel uitbreekt.

De zonde blijft voottsluipen, ook in de geroepenen ten leven, en de ellende blijft als haar nasleep voortwoekeren. Het Evangelie geeft een vergezicht van glorie, maar het geeft hier op aarde nog geen heerlijkheid in het werkelijke. Van het Paradijs af blijft het Evangelie aldoor een toekomst'Q.t\\(i\Mi%. Het is als een v gezicht door het geloof, nog geen aanschouwing voor het oog. Vandaar dat in den gang van 't heil alles op geloof, alles op de hoop drijft. Een gaat dit geloof te niet, als 't al aanschouwen za gekomen zijn. Eens gaat de vlam der hope uit, als 't al zal verwezenlijkt zijn. Als eens, na Jezus' wederkomst, de volle heerlijkheid zal zijn ingegaan, zal alle hope ondenkbaar wezen, want wat ge hebt, hoe zoudt ge het nog hopen ?

Nu daarentegen zien wij nog niets, en is nog niets werkelijkheid geworden, en daarom zijn geloof en hope thans de tv> ee plechtankers waarvoor we vastliggen. Negenhond< ira jaren heeft Adam geloofd en gehoopt, zonder üat \ kwam. Na hem hebben de andere patriarchen van vóór en na den Zondvloed gebeid, gewacht, verwacht en afgewacht, zonder dat hier op aarde ooit de realiteit over hen is opgegasn. Heel Israels volksbestaan was er ojp aangelegd om een volk der hope en der verwachting te zijn. En wordt in Messias ten slotte Israels verwachting vervuld, dan gaat de tweede periode der verwachting, de verwachting sz'a'b& A At wereld'm Altoos weer een leven uit geloof op hope en verwachting van de wederkomst des Heeren, die nu reeds tweemaal duizend jaren toeft.

Altoos de hope, altoos een leven in oefenende, zij 't ook soms schier afmattende verwachting. Steeds het vergezicht. Het beeld der beerlijkheid in de verte, onderwijl de zaak zelve nog uitblijft. En daarom geloof, hoop en liefde het snoer waarop het stempel des eeuwigen levens staat afgedrukt, en het altoos wachten en verwachten en afwachten het groote opvoedingsmiddel dat God voor ons noodig keurt.

Tot in het kleine gaat dit door.

Zie 't aan den Vader der geloovigen. In hem zou alle volk gezegend worden, in zijn zaad. En dit zaad komt niet. De geboorte van den zoon der belofte toeft en toeft. En als Izaak er is, moet nog de Moria beklommen worden, om dien eenigen zoon Gode te cffsren. Jozef wacht twee jaren lang in den kerker, eer de schenker zijner gedenkt en Farao hem uit den kerker naar het vorstelijk paleis roept. En zoo gaat 't heel het leven van alle mannen en alle vrouwen Gods door. Nog als het heilig Kindeke te Bethlehem reeds geboren is, toeren Simeon en Anna, welbedaagd, in den tempel, verwachtende de belofte aan Israel.

Dit wachten wekt soms ongeduld, en dan heet 't in het smeekgebed der vromen: Haast u tot mijne hulp en red! Dan kan de ziel niet meer. Zs dreigt te bezwijken. Maar God zet de proef door, en geeft kracht om de proef van bet geloof tot den einde toe te doorstaan. En dan weer klinkt het onder Israel: „Hoopt op den Heer, gij vromen. Is Israel in nood, daar zal verlossing komen, zijn goedheid is zeer groot". Of ook gaat het klaaglied op: „Mijn ziel, vol angst en zorgen, wacht sterker op den Heer, dan wachters op den morgen, den morgen, ach wanneer." En in het eind isYitXiW.ooi'w^tt: „Wacht op den Heer, godvruchte schaar, houd moed. Hij is getrouw, de Bron van alle goed. Zoo daalt zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer". Ook in den weg zijner gerichten heeft Israel zijn God verwacht, naar luid van Jesaja's diepgevoeld woord.

Het komt nooit op eens. Het wordt altoos van verre voorgespiegeld.Het is en blijft, o, zoolang, een vergezicht. Daar richt zich de hope dan op. En de Heere laat wachten, om juist door dit wachten zijn volk in het geloof vast te zetten. En wie het langst en meest gewacht heeft, draagt de vrucht weg, dat zijn geloof het vast geworteld wordt, en zijn hope het onwrikbaarst in hem leeft.

En zoo is 't ook in ons eigen leven.

De inplanting van het geloofsvermogen is een Goddelijk werk van één oogenblik. Maar uit dit geloofsvermogen moet het geloof zelf nog eerst ontkiemen, er moet een stengel uit opschieten, en aan dien stengel eerst kan de bloesem opbloeien en de vrucht gedragen worden. En dit eischt in ons aardsche leven tyd. Daar moet de ziel zich aan wennen. Daar moet de ziel voor bereid worden. En het groote middel dat 't Gode belieft hiervoor aan te wenden, is juist dat Hij ons wachten laaf; onder dit wachten ons steunt en sterkt; en uit dit wachten de rijping van de geloofsvrucht doet opkomen.

Zoo doet God de Heere met elk van zijn lieve kinderen in hun particuliere leven. Dan wordt er door zijn kind gebeden, vurig, innig gebeden, en nog komt de verhooring niet. Het toeft, het wordt uitgesteld, tot de gedachte binnensluipt: Zou God zijn gena vergeten, nooit meer van ontferming weten ? Banden als der helle komen dan de ziel onder dat wachten benauwen. En nog laat God het voortduren, om ons' als 't zilver te beproeven. Soms komt het dan tot opstand, dat de ziel, door pijn en smart en bittere teleurstelling gevlijmd, op 't punt staat 't geloof op te geven. Maar dan waakt de genade op. En is de harde les geleerd, en ook dat bitterste doorworsteld, dan dankt, wie eerst morren zou, dat God hem die worsteling liet doormaken, want nu van achteren voelt hij zelf, hoe wonderbaar God juist door dit laten wachten zijn geloof gesterkt, zijne hope verhelderd heeft.

God speelt niet met ons als Hij ons wachten laat. Hij laat ons wachten uit liefde, uit genade, om den diamant van het geloof te schitterender te slijpen. En onder de bewerking is dit wel hard, soms bitter hard. Maar straks, als het slijpen van den diamant voltooid is, voelt Gods kind zelf, hoeveel grooter nu de waarde van den diamant van zijn geloof geworden is.

Die ons wachten laat en in dit wachten ons oefent, kent ons persoonlijk; weet hoe ver Hij met ons gaan kan; en komt dan 't water tot aan de lippen, dan is de uitkomst nabij. Zelfs tot in ons sterven gaat dit door. Het wachten op de heerlijkheid gaat door tot in den dood. Maar in den dood komt dan ook de uitkomst. Het volle licht breekt juist in de schaduwe des doods door. En zoo wacht al Gods volk op de wederkomst van zijn Koning. En dan eerst zal 'l wachten voor eeuwig te niet zijn gedaan, als onze Koning met zijn heilige engelen op de wolken des hemels verschijnen zal, om de laatste traan die ooit geschreid zal worden, van 't verheerlijkt gelaat zijner verlosten af te drogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1910

De Heraut | 4 Pagina's

„Derwachtende de belofte.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1910

De Heraut | 4 Pagina's