Jongstleden Vrijdag heeft
Jongstleden Vrijdag heeft Ds. W. P. Steenkamp uit Zuid-Afrika aan de Vrije Universiteit met lof den doctorstitel in de Godgeleerdheid verworven met een proefschrift over Die agnosticisme van Herhert Spencer, een proefschrift dat en dezen doctor en de Vrge Universiteit tot eere strekt en zeker met belangstelling in wetenschappelijke kringen zal ontvangen worden als een zeer ernstige en afdoende critiek op het stelsel van Engeland's grooten philosoof, die ook buiten Engeland zoo machtigen invloed heeft uitgeoefend.
Al ontkent Spencer het bestaan Gods niet en al gaat hij dus niet zoover als Hackel en de Duitsche monisten, toch baat dit voor de religie al zeer weinig, waar Spencer God den grooten Onkenbare noemt en in zijn agnosticisme principieel loochent, dat er eenige kennis van God mogelijk zou wezen. Hij moge evenals de Atheners nog een altaar laten staan voor den „onbekenden God", maar feitelijk snijdt hij den wortel van alle religie af. Want een God, ' die zich niet geopenbaard heeft, van wien we niets weten, die als het groote mysterie in het donker zich verbergt, kan geen voorwerp van ons geloof, onze liefde en aanbidding wezen.
Dr. Steenkamp heeft daarom een goed werk gedaan met tegen dit Agnosticisme ten strijde te trekken en hij deed dit als een wel toegerust ridder, die met de wapenen der dialectiek uitnemend vertrouwd is. Na eerst aangetoond te hebben, hoe dit agnosticisme niet nieuw is, maar telkens in de geschiedenis weerkeert, tracht hij daarna op grond van Spencer's autobiographic de oorzaken aan te wijzen, psychologisch en historisch, waarom Spencer tot dit agnosticisme gekomen is. Vervolgens gaat hij dan op het stelsel van Spencer in en tracht door inmanente critiek aan te toonen, hoe zijn agnosticisme in strijd is met zijn eigen Erkenntnisstheorie, zgn opvatting van het Absolute, zijn leer van de onvernietigbaarheid der stof, van de transformatie en persistentie der kracht en van de idee en oorzaak der evolutie, terwijl hij aan 't slot nog dieper ingaat op de beteekenis der evolutie-wetten, door Spencer gesteld.
Ongetwijfeld getuigt deze dissertatie van een rijpheid van inzicht in de philosophische problemen en een dialectische kracht, die zelden in een proefschrift gevonden wordt. De onhoudbaarheid van Spencer's stelsel op gro"' den aan dit stelsel zelf ontleend, is zoo helder en klaar in het licht gesteld, dat zeker weinig hiertegen valt in te brengen. Ma^r hoeveel waarde we ook aan deze critic» hechten, toch zal zeker het meeste voldoening schenken, dat Dr. Steenkamp aan het einde
van zrjn proefschrift er op wijst, hoe troosteloos en onbevredigend dit agnosticisme volgens Spencer zelf is voor de hoogere behoeften der ziel en hoeveel hooger de Christelijke leer staat, die, al erkent ze, dat God groot is en wij met ons eindig verstand Hem nooit kunnen begrijpen, toch tegelijk dankt, dat die God zich geopenbaard heeft in Christus zijnen Zoon en we daardoor Hem kennen in het licht Zijner eigen openbaring.
Getuigt het zeker van grooten moed, dat een jonge doctor een dergelijk moeilijk probleem aandorst, de uitslag heeft getoond, dat hij niet te veel heeft gewaagd, en er ligt in deze dissertatie een schoone belofte voor de toekomst, wanneer Dr. Steenkamp de gaven hem geschonken aan den arbeid der wetenschap wijden blijft.
Daarover verheugen we ons te meer, omdat Dr. Steenkamp straks terugkeert naar Zuid-Afrika, dat al .de liefde heeft van zijn hart. Als predikant in de Nedesduitsche Gereformeerde Kerk' te Ermelo gevoelde hij, dat er dieper studie en breeder ontwikkeling noodig was om zijn land en volk te kunnen dienen. Hij toog daartoe niet naar Engeland's Hoogescholen, maar naar de Vrije Universiteit te Amsterdam, waaraan hij zich èn door nationale banden èn door eenheid van beginsel zoo nauw verbonden voelde. Maar zijn eigenaardigheid en zelfstandigheid als Afrikaner bleef hij bewaren en zijn proefschrift is het ee ste, dat in het Afrikaansch-Hollandsch is verschenen. Ook daarom heeft deze dissertatie beteekenis, omdat het de eerste p)ging Is een wetenschappelijk onderwerp te behandelen in een taal, die dusverre nog alleen voor den dagelijkschen omgang gebruikt werd. En al mag men betreuren, met het oog op den kring der lezers, dat deze dissertatie niet liever in het gewone Hollandsch geschreven is, toch is dit Afrikaansch-Hollandsch wel zoo nauw met ons Nederlandsch verwant, dat het voor een Nederlander niet al te moeilijk is, dit proefschrift te lezen en verstaan.
Aan ons broedervolk ia Zuid-Afrika voelen we door banden van bloed en stamverwantschap ons innig verbonden. Dankbaar zijn we daarom, dat trots Engeland's overheersching de behoefte in Afrika steeds sterker wordt, om de banden met het oude moederland vaster te knoopen. Het aantal zonen en dochteren uit Zuid-Afrika, dat in Nederland komt studeeren, neemt steeds-toe en ook de Vrije Universiteit ziet het aantal harer Afrikaansche studenten steeds uitbreiden. Moge de vrucht daarvan wezen niet alleen versterking van het nationale type, niet alleen warmer s^amleven met Holland, maar bovenal een kloek handhaven ook in Zuid-Afrika van de Gereformeerde belijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1910
De Heraut | 4 Pagina's