De referaten op de jongste
'Amsterdam, 13 Mei 1910.
De referaten op de jongste vergadering der moderne theologen gehouden, hebben ditmaal niet in die oiate als anders wel het geval is, de aandacht der pers getrokken. Da oorzaak daarvan ligt wel ten deelein de behandelde onderwerpen, die df boven de bevatting vaa het gewone publiek uitgingen óf te afgezaagd waren om nog de belangstelling te prikkelen. Het referaat van Dr. P. H. de Graaf over het psychisch monisme van Prof. Heynaans behoort tot de eerste, dat van Dr. C. E. Hooykaas over het Geloof in de Voorzienigheid Gods tot de tweede categorie.
Indien uit beide referaten één conclusie kan getrokken worden, dan is het wel deze, hoe machteloos het modernisme is om tegenover de moderne wereldbeschouwing te handhaven wat het wezea der Christelijke religie is.
Hooger staat dan ook, mede om den keurigea vorm en de helderheid van betoog, het referaat van Prof. L. Knappert over de waarde van bijbelkennis voor het opgroeiend geslacht. De scherpe critiek jdoor Dr. Singels geoefend op het gemis van bijbelkennis bij onze gymnasiasten en hoogere burgerscholieren, gaf Prof, Knappert aanleiding zijn meening te zeggen over dit onderwerp. Er staat metterdaad in dit referaat menige treffende en juiste opmerking, . waarmede ook onzerzijds hartelijke instemming kan worden betuigd. Volkomen terecht komt hij er tegen op, dat men den bijbd weer op ds schooi zou invoeren alleen om den leerling op de hoogte te brengen van zekere namen, zegswijzen en gebeurtenissen, die in den Bijbel voorkomen, opdat hij „niet in domheid sta tegenover een door den Bijbel veelszins beïnvloede cultuur". Hoe noodzakelijk deze soort Bijbelkennis ook is, ze blijft toch een bloot verstandelijke en er gaat geen vormende kracht van haar uit. Terecht veroordeelt hij dan ook de oude vragenboekjss met de namen van alle Richters, Koningen, plaatsen door Paulus besocht, wanneer dit niet meer bedoelt dan een uitwendig van buiten leeren van zekere namen of feiten. „Den naam Mozes kennen is iets, zegt hij, maar het beteekent meer, zoo onsejongens en meisjes tegelijk met stille bewondering leeren opzien tegen den man Gods, die in geloof zijn volk uitredde uit het diensthuis, en met zachtnvoedigheid de ondankbare en murmureerende stammen door de woestijn leidde naar het beloofde land."
Evenmin begeert hij echter een bijbelkennis, die „alleen tot schoonheidswaardeering voert." Hoe rijk de-Schrift ook aan dichterlijke schoonheid is en hoe verkeerd het is, voor dit echte kunstschoon in de Schrift het oog te sluiten, toch is de aestheti.«che waardeering zonder meer zonde tegenover de Schrift:
Maar zonde ware ook de aesthetische waardeering zonder meer. Wij mogen bij onze leerlingen ook niet den waan voeden, alsof de kunst de plaats zou mogen innemen van dien godsdienst, waarvan de bijbel bet klassieke boek is. Hier moet hun klare wijn geschonken worden. Een woord als „Weest heilig, want ik uiv God ben heilig", dat huiveren doet van zoudebesef en zedelijke onrust, gaat toch nog boven schoonheidswelgevallen. Goethe's afgemarteld distichon „Wer Wissenschaft und Kunst besitzt . . . ." heeft veel misverstand gesticht, en wie het goed meent met zijne leerlingen zal trachten hen den bloedigen ernst van de zedelijke eischen des bijbels boven zijne schoonheid te doen waardeeren. Ik wil van alle schoonheid dankbaar genieten en ook het o zinnelijke in haar vrees ik niet; toch brengt v de zaligspreking over de reinen van hart de h menschheid op hooger bergtop dan het schoone alleen haar immer voeren kan.
Evenzoo verdient waardeering, dat Prof. Knappert er tegen op komt, dat men aan oudere leerlingen niet den geheelen bijbel, maar een bloemlezing in handen geeft. Teecht merkt hij op, dat het knippen en uitzoeken, schiften en schrappen oneerbiedig s, namaak geeft in plaats van het oorpronkelijke. Voor kinderen mag, zoo zegt v m t v v g
•III wiiwi I 'II • iM'iiniiiMiasiwmwwwwwB——!• i nm •• n hij, „een bloemlezing uit den Bijbel eisch z^a van paedagogiek, zoodra wij hebben te niet gedaaa hetgeea eens kinds is, dan de Bijbel-zelf In de best mogelijke vertaling."
Te meer is het daarom te betreuren, dat Prof. Knappert in zijn stellingen voornamelijk waarschuwt tegen „overschatting", omdat „bijbelkennis zonder meer voor het godsdienstig en zedelijk leven verwarrend, tevens heilloos werken kan." Hier is de moderne theoloog aan het woord, die niet nalaten kan tegen de orthodoxe opvatting van den Bijbel als Gods Woord enkele pqlen af te schieten.»
Het laatste referaat van Prof. B. D. Eerdmans, getiteld: een critische beschouwicg van hst leerstuk der bijzondere openbaring, staat het laagst. Gelijk de gewoonte ts van dezen hoogleeraar, wordt ook nu weer verkondigd, dat ook de orthodoxen het specifieke verschil tusschen de Algemeene en Bijzondere Openbaring hebben laten v/egvallea ea daarmede feitelijk op de moderne lijn zijn overgegaan. Zelfs Prof. Baviack wordt daarbij weer aangehaald, omdat volgens dezen alles wat geschiedt een werk-, een woordopenbariag Gods zou zijn. „Terwijl ds oude leer de Openbaring doet berusten op onmiddellijke rechtstreeksche mededeeiing, leest men daar (d. w. z. bij de orthodoxie) thans, dat de inwonende Geest van God de openbaring bewerkt, zoodat gaven, karakter, nadenken ia die Bijzoadere Openbaring als middel is opgeaomen. Wie met de supra^ natureele wereldbeschouwing heeft gebrokea, kaa niet meer spreken vaa bijzondere Opeabaring, wel vaa algemeene". Prof. Eerdmans toont hiermede alleen, dat hij van de Gereformeerde leer der inspiratie niets af weet. Indien hij ooit gelezea had, wat oude Gereformeerde Theologea als Witsius e. a. over de middelea der Opeabaring hebben geschrevea, zou hij zulk een dwaasheid in de pen hebben gehouden. En nog dwazer is het, een man als Prof. Bavinck, die in zija Dogmatiek zoo beslist èn tegea de moderne èn tegea de ethische Schriftopvatting opkomt, voor te stellea, alsof hij het leerstuk der Bijzoadere Opeabaring had prijsgegeven. Nu Prof. Eerdmans deze legende telkens weer herhaalt, niettegenstaaade meermalen hiertegen geprotesteerd is, mag eea woord vaa scherpe afkeuring niet achterwege blijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 mei 1910
De Heraut | 4 Pagina's