Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Niet ten onrechte is uit heel de protestantsche wereld

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet ten onrechte is uit heel de protestantsche wereld

7 minuten leestijd

Niet ten onrechte is uit heel de protestactsche wereld een kreet van protest opgegaan tegen den aanval, dien de Paus in zijn jongste Encycliek op de Reformatie heeft gedaan.

Dit geschiedde, zooals men weet, bij gelegenheid van het driehonderdjarig gedachtenisfeest van Carlo Borromeo, den kardinaalaartsbisschop van Milaan, die in 1610 heilig is verklaard door de Roomsche Kerk, Ook al vergeten we als Protestanten niet, dat deze aartsbisschop in heel Noord-Italië en de in hooggelegen dalen van Zwitserland de protestanten ten bloede heeft vervolgd, verbannen of aan de inquisitie heeft overgeleverd, en dat hij met alle macht het werk der reformatie heeft onderdrukt, — toch kunnen we begrijpen, dat de Roomsche Kerk met trots opziet tot dezen bisschop, die met hart en ziel voor haar heeft gestreden, en niet weinig er toe heeft bijgedragen om haar voor ondergang te bewaren, en daarbij ook door de strenge tucht, waarmede hrj tegen veel zedelijke misstanden bij geestelijkheid en mosnikenorde optrad en door de heldhaftigheid, waarmee hij tijdens de ontzettende pestziekte te Milaan het volk opzocht en bemoedigde, getoond heeft een man te zijn van een in veel opzichten nobel karakter.

Niet tegen den lof, aan dezen „heilige" door den Paus toegekend, gaat daarom het bezwaar; zelfs niet daartegen, dat de Paus van zijn standpunt het werk der Hervorming afkeurt; maar wel dat hij de Hervormers noemde „vijanden van het Kruis van Christus mannen die alleen bezield waren met aardsche gevoelens en wier God hun buik was." En daarna, alsof dit nog niet erg genoeg was, aldus vervolgt:

Dezen legden er zich niet op toe de zeden te verbeteren, maar de geloofsartikelen te loochenen, en zoo vermeerderden zij de verwarring, verslapten voor zichzelven en voor anderen de banden van het geoorloofde, of verwierpen met ninachting de gezaghebbende leiding der Kerk om de hartstochten der meest bedorven vorsten en vplken te sieunen, en ondermijnden als ware tirannen Haar leer. Haar grondslagen en Haar tucut. In navolging van die boozeD, tot wie de bedreiging is gericht: Wee u, die bet goede kwaad, en het kwade goed noemt, noemden zij dit opstandige rumoer en dit bedeif van geloof en zeden hervorming, en zichzelven hervormers, In werkelijkheid echter waren zij verkrachters, zóó zelfs, dat zij, de krachten van Europa uitputtend door gruwelijke tweedracht en oorlogen, den geest van opstand en den geloofsafval der moderne tijden voorbcreiddea, waaïin die drie, voüïLeiin van elkander gescheiden, soorten van strijdvoeren, waaruit de Kerk steeds zegevierecd is te voorschijn gekomen, zich nu gezamenlijk tot een en kelen gelijktijdigen aanval vereenigd hebben; nl. d-i bloedige strijd der eerste eeuwen; vervolgens de pest der ketterijen op eigen erf; en eindelijk, onder den naam van evangelische vrijheid, het bederf der ondeugden en de verkrachting der tucht, waartoe de middeleenwsche tijd nog niet gekomen was.

Een meer onware en met de historie lijnrecht in strqd zijnde beschouwing van het werk der Reformatie kan wel niet geleverd worden dan hier geschiedt. Reeds de beschuldigifig, dat de Hervormers de „hartstochten der meest bedorven vorsten en volken hebben gesteund", de „banden van het geoorloofde voor zichzelf en anderen hebben verslapt" en „het bederf der zeden hervorming hebben genoemd", was niet aileen diep krenkend voor de Protestanten, maar wordt door de geschiedenis van de Hervorming op de meest besliste wijze weersproken. Zelfs nu nog is de toestand op zedelijk gebied in Protestantsche landen veel beter dan in de Roomsche, en met name het Calvinisme heeft door zijn puritanisme, overal waar het ingang vond, het zedelijk peil der volken juist doen rijzen.

Het meest gaf echter en volkomen terecht ergernis dat de Paus de woorden van den Apostel Paulus uit Philip. 3:19, die gericht waren, tegen de dwaalleeraars uit zijn dagen, overbracht op de Hervormers. Deze mannen, die hun goed en bloed hebben veil gehad voor de zaak, die ze dienden, die ballingschap, armoede, foltering, schavot en brandstapel hebben getrotseerd, hier voorgesteld te zien als vijanden van het Kruis, bezield alleen met aardsche gevoelens, die van de buik hun God maakten, was erger dan een geschiedvervalsching, het was een slag in het aangezicht aan deze helden en martelaren. En alle gevoel van eerbied en bewondering, waarmede de Protestant tegen deze geloofshelden opziet, zou uitgestorven moeten zijn bij ons geslacht, wanneer tegen zoo lasterlijke aantijging niet met verontv/aardiging werd geprotesteerd.

Ook de Roomsche pers, al kon ze niet rechtstreeks critiek op deze encycliek uitoefenen, heeft toch wel door de uitvluchten en verontschuldigingen, waarmede ze aankwam, getoond te voelen, dat deze uitval te ver ging. Maar veel baten hare uitvluchten niet. De opmerking van het Centrum, dat de Paus deze woorden ontleende aan Phil. 3 en ze daarom niet verzacht of veranderd mochten worden, zegt natuurlijk niets, omdat het bezwaar juist daartegen gaat, dat de Paus deze woorden van den Apostel, gericht tegen dwaalleeraars uit zijn dagen, klakkeloos toepast op de Hervormers, en daardoor mannen als Luther, Calvijn, John Knox e. a. met deze goddelooze en zedelooze dwaalleeraars uit Paulus' dagen op één lijn plaatste. Ook de \x\X.v\\i.óxX\iXLé& Maasbode, dat de Roomschen evengoed het recht hebben om hun oordeel te zeggen over de Hervorming, als de Protestanten om in hun catechismus de Roomsche mis een vervloekte afgoderij te noemen, gaat niet op, omdat de Paus hier geen oordeel uitsprak over Protestantsche leerstellingen, maar over het zedelijk karakter der Hervormers en hun de slechtste en laagste persoonlijke motieven ten laste legde. En ook de verontschuldiging van De Tijd, dat er onder de Hervormingsgezinden toch baatzuchtige lieden zijn geweest, die het tegendeel van een heiligen levenswandel hebben geleid, zoodat het woord des Apostels op hes toch wel van toepassing was, snijdt geen hout, omdat de Paus niet sprak van enkelen, maar over de Hervormers in het algemeen. Heeft een protesta/it liet iecht i: tü« pausen voor te stellen als wellustelingen, dienaren van hun buik enz, , omdat verschillende pausen een onheilig leven hebben geleid?

Blijkbaar heeft de Paus zelf dan ook wel gevoeld, dat hg te ver is gegaac, en indien het bericht in de bladen juist is, zal hij trachten door een nadere verklaring het aanstootelijke van deze uitdrukking weg te nemen, We zouden ons daarover te meer verblijden, omdat het zeker plicht is in de groote worsteling onzer dagen tegen den gemeenschappelijken vyand van het ongeloof, dat alle Christelijke partijen, ook brj diepgaand verschil van overtuiging, toch alles vermijden wat over en weer noodeloos zou kunnen kwetsen. De wijze, waarop de liberale pers ér thans weer op uit was dit betreurenswaardig woord van den Paus uit. t€ spelen op poiitiek gebied tegen de „ccalitie

van Rome en Dordt", toont genoeg, hoe men hier niet voorzichtig genoeg kan wezen, zal het vuur van antipapisme niet weer ontbranden evenals door de ongelukkige encycliek van 1853.

En hier komt nog iets bij. Er is een tijd geweest, dat èn roomsche èji protestantsche geschiedschrijvers — er is van beide zijden even erg gezondigd - ^ door het ophalen van allerlei chroniques scandaleuses van Pausen ofHervormers elkaar over en weer afbreuk trachtten te doen. Allengs heeft echter historische waarheidszin over deze dogmatische vooroordeelen de overwinning behaald. En even goed als protestantsche geschiedschrijvers als von Ranke aan menige pausfabel voor goed een einde hebben gemaakt en op de betrekkelijke verdienste van het pausdom de aandacht hebben gevestigd, zoo hebben ook jongere roomsche geschiedschrijvers menige lasterlijke legende, die omtrent de Hervormers in omloop was, als leugen gebrandmerkt. Daarom te meer zouden we het betreuren, wanneer de Paus door zijn woord voedsel schonk aan een geschiedbeschouwing, die voor de rechtbank der historie reeds lang als onwaar en den man van wetenschap onwaardig is afgewezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1910

De Heraut | 4 Pagina's

Niet ten onrechte is uit heel de protestantsche wereld

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juni 1910

De Heraut | 4 Pagina's