GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw.”

9 minuten leestijd

Doorzoekt u zei ven nauw, ja doorzoekt nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt. Zephaoja 2:1.

De kunst om een menschelijk wezen in zijn hart en in zijn verleden te doorzoeken, en nauw te doorzoeken, vindt haar kracht in den speurgeest, en wilt ge nu weten wat die speurgeest hierbij beteekent, leg uw oor dan maar eens te luisteren, als twee vertrouwden met elkaar aan het uitpakken zijn over een derde, dien ze niet goed zetten kunnen. Dan kroop er geen slakje over diens weg, waarop geen zout wordt gelegd. Dan weet men al wat men zich nog maar eenigszins berinneren kan, bij het uitpluizen van zoo iemands karakter en historie te pas te brengen. Dan pluist men alles na en uit. Al wat men vindt of vermoedt, wordt bovendien nog met een sterk vergrootglas bezien. Niets mag verschoond of toegedekt. Een detective zou de virtuositeit, waarmee men achter alles wist te komen, niet verbeteren kunnen, en al spoedig ligt onder die twee vertrouwden het oordeel, zonder zweem van verzachtende omstandigheden, gereed, dat die booze derde, wiens goeden naam men eens onderhanden zou nemen, toch eigenlijk het licht in zijn oogen niet waard is.

Die speurgeest is dan de geest van de oijd, van den wrevel, van de jaloerschheid. De aandrift ertoe werkt op uit den boozen kant van ons hart. Het is een door egoïsme gevoede haat, die vindingrijk maakt, en die er op uit is, iemands goeden naam door fïjn gesponnen laster te krenken. Die speurgeest woelt in oudenenjongen van dagen. Mannen zoowel als vrouwen spitsen er zich op. En veilig mag gezegd, dat zoo deze kwaad opspeurende en kwaad sprekende geest ook maar voor een halven dag ophield te woelen, een derde deel der gewone conversatie verstommen zou. Immers dit nauw een min gewild persoon doorzoeken is in alle rangen en standen aan de orde van den dag. Scholieren doen 't onder elkander. De mevrouwen vieren aan die zucht bot ten laste van haar dienstboden en de dienstboden ten laste van haar mevrouwen. Onder concurrenten is die woeUng dagwerk. In de politiek grijpt men er gulzig naar. Geleerden geven er hun proeve van in de ciitiek die ze op elkaar in geschriften publiceeren. Die kwaad speurende en kwaad sprekende geest is een demonische^ trek in iet leven, die elk stuk van 't leven vergiftigt; een booze geest die in alle hoeken rondwaart, en nooit zijn welsprekendheid heeft uitgeput. Want de haat die in dien speurgeest spreekt, wordt allengs een ^mie, en elke passie die teugelloos doordraaft, wordt van zelf welsprekend. Ea als ge dit dan aanhoort, dan staat ge gedurig verlaasd er over, hoe verregaand diep en hoe nauw de ééne mensch, als hij in dolle drift doofdraaft, zijn evenmensch weet te doorboeken.

Maar zie nu eens, hoe mat en traag die-»lfde speurgeest zich aanstelt, als 't aan-\ komt op zelfonderzoek.

„Ken u zelf" was reeds in het heidensch Griekenland de oproeping, die van den bensernst tegen het oppervlakkig droo-I "isn uitging, en bij elke aanrichting van j!«' H. Avondmaal gaat tot al wie zijn Heiland beleed, nog steeds de hoog ernstige '»maning uit, dat we allereerst onszelven I ^'^k zullen beproeven. Elk gebed, waar-I 'oor we neerknielen, om onze schuld voor j "'M Alwetenden God te belijden, is een "ieuwe roepstem totonze conscientie, om onsj *lven nauw voor onzen God te doorzoeken. *'< d-mikkende prediking moet er telkens °P uit zTjn, om de conscientie wakker te hchudden. Elke ramp die ons overkomt, f ook maar dreigt, drijft ons een prikkel "1 het hart, om ons van onzen stand voor onzen God gewis en zeker te maken. Ouderpl« toespraak, broederlijk vermaan, de '"^ng der H. Schrift, het is er alles op uit, ""i ons in onszelf te doen inkeeren, en ""w innerlijke gesteldheid klaar en open J^ïf ons te leggen. Elke ernstige krank-? ? '"^i die de vleugelen des doods over ons ^Ppen doet, roept ons op, om in de ] J^'Pte der schuilhoeken van ons hart in j ^ gluren. Elk sterfgeval in ons gezin of gonzen vriendenkring wordt, voor wie het I *"o ernsüg opvat, een memento mort. En _^^it alles komt gestadig de genade onzes I y°*«oas te hulpe, om door het scherp verwijt onze consdentie ons onzer zonden indach-1^ te maken. Het dringt, het spoort alles ^ tot een oiets-sparend zelfonderzoek,

En buiten de vondsten van zelfbedrog van het menschelijk hart gerekend, zoudt ge zoo zeggen, dat althans onder dsgeloovige en belijdende Christenheid zelfkennis, vooral kenais van de eigen zonde, schier aller gemeengoed moest zijn. Heel onze religie is er als op ingericht, om dit zelfonderzoek levendig te houden en steeds dieper te doen doorgaan. Uw God laat u geen rust, omdat Hij weet, dat alle meerdere zelfkennis u nieuwe genade doet indrinken, en zelfmisleiding u van de genade vervreemdt.

En toch, hoe weinig beantwoordt aan die verwachting de uitkomst!

Of komt 't niet telkens voor, dat men in uw gezin, in uw vriendenkring, het saam er over eens is, dat gij, ze^r tot het bederf van uw karakter, met deze of gene verkeerdheid behept ztjt, en dat allen dit in u zien, en het voor uitgemaakt houden, maar dat ge er zelf nog altoos stekeblind voor blijft. Natuurlijk geldt dit niet van „roepende zonden", van krasse, ruwe overtredingen tegen de wet der zedelijkheid, der eerbaarheid cf der waarheidsliefde; maar juist die zonden tellen hier zoo weinig mede, omdat gemeenlijk Gods genade zijn volk voor die „roepende zonden" bewaart. Daden zich hier toch overtredingen voor, dan weet men dit zeer wel, men voelt ze als onrustwekkend verwijt in de conscientie, men belijdt ze zijn God, ea door Gods genade komt men er van af.

Maar met die grove zonden is het niet uit. Waar we aan lijden zijn veelal gewoonheidszonden, karakterzonden, verborgen egoïsme, tekortschieting in liefde, verkleefdheid aan Mammon, hoogheidswaan, zeifin beelding, in alles zoo het tegendeel van wat een kind van God ia zrjn omgang met menscben en in zijn wandel voor zijn God zijn moest. En daar nu werkt men veel te veel over heen. Soms voelt men wel een oogenblik den boozén prikkel ea poogt dien af te stompen, maar we gaan er niet diep genoeg op in, we sussen onze conscientie, en we hebben het zoo druk met anderen te^ beoordeeien, dat er voor dieper zelfonderzoek geen tijd overblijft.

Zie dan ook maar, hoe zelden een opmerking over ons gedrag, een critiek op ons karakter met dankbaarheid wordt aangenomen. Veeleer is onze eerste opwelling om er tegen in te gaan, het alles van ons af te werpen, en bij hoog en laag staande te houden, dat er niets van aan is. Komt er verschil op in het oordeel over wat we deden, wie begint dan niet schier altoos met op te komen voor zijn gelijk.•• Hoe vaak nemen v/e zelfs niet den schijn aan, als waren wij de vlekkeloozen, op wie niets viel aan te merken, de volmaaktheid in eigen persoon. Niet zelden zelfs is men over de minste aanmerking verontwaardigd en barst in toorn uit, zoodat de ander er wel voor past, u ooit weer op een gebrek, dat hij meende te ontwaren, te wijzen. Zoo wordt zelfs aan het broederlijk vermaan alle zwijgen opgelegd, en leeft msn in zijn karakterzonde voort.

Maar hoe zult ge dit nu verantwoorden tegenover het stellig bevel des Heeren, dat ge u zelf doorzoeken, ja zelfs nauw doorzoeken zult ? De ernstige aanbidder smeekt zijn God, dat Hij hem reinige ook van de verborgen afdwalingen; maar hiermede mag dan toch alleen dat kwaad bedoeld zijn, dat ge zelf niet kondt uitvinden; en het zou toch een spotten met de genade zijn, indien we met die bede om vergiffenis voor onze verborgen afdwalingen bedoelden, ons van alle verder zelfonderzoek te ontslaan.

Wat v/e kunnen weten van onze zonden moeten we weten, om niet alleen voor elke begane zonde de genade, die in Christus Jezus is, in te drinken, maar ook voor eike ontdekte karakterzonde of zondige hebbelijkheid de reiniging in te roepen van den Heiligen Geest. Vergiffenis voor een verborgen afdwaling is in het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt, maar afkomen van een eerst u verborgen zonde kunt ge toch nooit, tenzij die zonde u klaar voor oogen sta, ge ziet waar ze schuilt, en nu het medicijn aanwendt ter genezing. Wie er geen oog voor heeft, hoe bezoedeld zrjn kleed is, zal 't niet reinigen, en eerst als bij klaarder licht die vlekken op zijn gewaad hem in het oog vielen, zal hij niet rusten, eer ze zijn weggenomen, En^zoo nu staat het met 't kleed uwer ziel eveneens. De vlekken van uw ziel, die ge niet ziet, laat ge zitten, en ge denkt er niet aan, ze van uw ziel weg te nemen.

Vandaar dat zoovelen hun leven lang met dezelfde vlekken in hun ziel blijven voortwandelen, dat ieder ander ze ziet, maar zij zelve alleen niet. Daarbij komt het drukke leven, dat steeds minder tijd en rust voor zelfonderzoek overlaat. In ons huis houden we (^nn in voorjaar en najaar tenminste nog eetis schoonmaak, en zoo wisten onze vaderen ervan, om telkens bij het naderen van het Heilig Avondmaal en in de Lijdensweken eens ecetra bij hun ziel te leven, eens dieper dan anders in hun innerlijk leven rond te spieden, en dat klaarder licht te zoeken, waarbij de innerlijke vlekken te beter uitkwamen. Thans zijn er, die schier nooit tijd vinden, om den stand van zaken in de verborgen huishouding hunner ziel op te nemen. Men zondert zich niet meer af, men vast niet meer, men leeft heel 't jaar gewoon door. En bij zrjn dagelijksch gebed, ja, dan denkt men wel aanzijn zonden, maar, o, zoo oppervlakkig, en omdat de zelfkennis uitblijft, blijft de innerlijke reiniging onafgedaan, zoo ze al begonnen wordt.

En dit nu mag niet. God wil het niet. Zijn Woord brengt u den eisch, dat ge niet alleen in uw verborgen zielsleven zoeken, en onderzoeken, maar dat ge het doorzoeken zult, d. w. z. dat ge geen schuilplaats in uw hart zult overslaan, maar tot in de verborgenste hoeken van uw innerlijk bestaan met uw spiedend oog zult doordringen.

Ja, meer nog, uw God wil, dat ge bij dat onderzoeken en doorzoeken, het niet oppervlakkig, maar nauw, zeer «tz»»/zult nemen. Veel kan er bij de menschen door, maar al te veel kon er dusver ook bij u door, maar b^ uw Gods niets. En als er tenslotte niets ook bij u door kan, dan eerst onderzoekt ook gij uzelven nauw.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 augustus 1910

De Heraut | 2 Pagina's

„Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 augustus 1910

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken