uit de Pers.
over „Vrouwecstemrecht in de Kerk" schrijft D, te K, in de Friesche Kerkbode het volgende:
Het vrouwen-vraagstuk is aan de orde in dien zin, dat haar recht en haar plaats in staat en kerk en maatschappij telkens in bespreking komt. £ris een machtige strooming, die beweert voorder^i: /; ten der vrouw op te komen, en het zoo voorstelt, dat maar niet in de vroeger eeuwen, in de oudheid en nog in het oosten, maar dat ook onder ons en in onze eeuw, dat ook de moderne vrouw verdrukt en in hare rechten verkort wordt. En bij nader onderzoek blijkt deze ocderdrukkiog en ver korting daarin te bestaan, dat zij niet in elk opzicht met den man op één lijn wordt gesteld, dat niet elke plaats, post, ambt en bedieci^s, waarde aan naar dingt, ook voor haar open staat.
Nu lijdt deze beweging aan een zeer groot gebrek. We zeggen niet aan miskennicg van de Schrift en hare uitspraken in dit stuk. Dat is te verwachten, daar de voormannen en vrouwen in deze beweging voor lang met Gods Woord totaal hebben gebroken en van haar inhoud meest weinig kennis dragen. Doch bij dit euvel kleeft hun eeo ander aan, n.l. dat ze ook blind zijn voor de natuiur, blind zelfs voor deze primitieve waarheid, dat een vrouw geen man is. Het onderscheid tusschen man en vrouw wortelt in de schepping, is naar diep ingrijpend Godsbestel, en beperkt zich niet tot het lichaam, deszelfs constitutie en kracht, maar wortelt evenzeer in de ziel en hare vermogens. Er is een mannelijk en een vrouwelijk typ» van den mensch, en die zijn bij alle innige verwantschap en overeenkomst werkelijk onderscheiden; een onderscheid waardoor het optreden van man en vrouw in het leven, privaat en publiek, eenvoudig bepaald wordt, buiten alle wil en wet des menschen om. Een man is geen vrouw en een vrouw is geen man, en niet overal waar de een past naar aanleg en gave, geestelijk en lichamelijk, naar intellect en gevoel, — past de ander. En wie ze er toch stellen wil, doet der natuur geweld aan, verandert het lieflijk vrouwelijke in het onbehaaglijke manwijvige, of het fier mannelijke in het stuitend verwijfde. De natuur laat zich niet ongestraft verkrachten. Scheppings ordinantiën kunnen wij tijdelijk verwringen, niet veranderen. En zoo zal die beweging voor de dusgenaamde rechten van de vrouw geen zegen brengen, allerminst voor de vrouw.
Doch nu zijn er, die de strekking van wat wij hier schreven van harte beamen, die een open oog hebben voor de natuurlijke bestemming der vrouw, voor hare plaats in het leven, en buigen voor Gods Woord in deze. En die meenen toch ook een verkorting van de rechten der vrouw op het spoor te zijn. Ons opschrift boven dit stukje noemt de zaak waardoor zij zich bezwaard gevoelen. In het natuurlijk leven, zeggen zij, kan de vrouw met den man niet als zijn gelijke op een lijn gesteld worden. God heeft de vrouw onder den man gesteld, Met reden dat de leidende plaats in Staat en Maatschappij aan den man verblijft, dat voor hem kiesrecht en staatsambt gereserveerd worden. Maar zeggen, zij, die verhouding gaat toch niet door in het genadeleven, niet door in de Kerk! In Christus toch is twch man noch vrouw. Een vrouw wordt evengoed door doop en belijdenis lid der kerk als een man. Als leden van het lichaam van Christus staan zij'gelijk. Waarom dan, en met welk recht, wordt der vrouw het stemrecht in de kerk onthouden bij de beroeping van predikanten en de verkiezing van ouderlingen en diakenen? Zij hebben er evenveel belang bij als de mannen, en, voegt men er vaak aan toe, heur keurbevoegdheid is vaak niet minder dan van deze.
Het komt ons voor, dat wij, zonder dieper op de kwestie in te gaan, haar afdoende kunnen beantwoorden door te verwijzen naar een klare uitspraak des Apostels, waarvoor ook de bezwaarden, hier bovengenoemd, buigen. De Apostel Paulus zegt in 1 Cor. 14:34: dat uwe vrouwen in de gemeente zwijgen, want het is haar niet toegelaten te spreken, maar (bevolen) 07tderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.a Hieruit blijkt, dat de natuurlijke verhouding van man en vrouw wel ter dege doorwerkt ook in de Kerk des Heeren, zoolang ze nog hier op aarde is; dat dat »in Christus man noch vrouw» geenszins wil zeggen, dat de ondergeschiktheid der vrouw zou zijn afgeschud, zoodra de kerkdrempel is overschreden. En nu is het waar, dat in bovenaangehaalde Schriftunrplaats niet van stemmen, maar van spreken in de gemeente sprake is. Doch men gevoelt, dat dit aan de zaak wezenlijk niets verandert. Het zwaartepunt ligt nl. niet in het spreken, stemmen of iets anders doen, maar in het optreden der vrouw buiten hare bevoegdheid. Niet leidend en heerschend, maar onderworpen heeft zij te zijn. En of deze leiding nu geschied door het gesproken woord of het uitgebrachte stembillet, dit maakt geen wezenlijk verschil. En daarom zal de Kerk, die zich voor het Apostolisch woord buigt, geen vrouwenstemrecht in haar midden mogen toelaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 11 september 1910
De Heraut | 4 Pagina's