Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Met een enkel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Met een enkel

4 minuten leestijd

Amsterdam, 16 September 1910.

Met een enkel vïoord dient nog teruggekomen op de gewichtige beslissing, die de Eerste Kamer voor de vacantie nam, om de door de Regeering voorgestelde subsidie voor een 17e predikantsplaats in de Hervormde gemeente te Rotterdam niet toe te staan.

Dat dit besluit door ons met ingenomenheid werd begroet, behoeft wel niet gezegd. Voor degenen die voor financieele scheiding van Staat en Kerk ijveren, kan he l reeds niet aangenaam zijn, dat de Regeering plotseling afweek van de jarenlang gevolgde gedragslijn om geen nieuwe subsidie voor n bestaande kerken voor te stellen. Maar nog meer aanstoot gaf de nota, waarmede de betrokken Minister de subsidieaanvrage van Rotterdam verdedigde en waarin hij n principieel als voorstander van staatssubdie aan de Kerk optrad. Nu mocht zulk een verklaring in den mond van dezen roomschen minister niet onbegrijpelijk zijn — de roomschen hebben nooit bezwaar tegen staatssubsidie aan de Kerk gehad — maar de subsidie-aanvrage voor Rotterdam kwam daardoor voor ons in een zeker bedenkelijk daglicht te staan. Te meer, omdat men van Hervormde zijde reeds openlijk uitsprak, dat Rotterdam slechts een vooruitgeschoven pion was om het veld te verkennen en, werd de subsidie toegestaan, de andere groote steden straks volgen zouden. Waarbij dan nog het voor de andere Kerken niet weinig krenkende argument werd gevoegd, dat de Hervormde Kerk et alleen op deze subsidie recht had, omdat zg de nationale of volkskerk was en als zoodanig door de Regeering moest worden erkend.

Onder deze omstandigheden valt het zeker niet af te keuren, dat de Eerste Kamer de voorgestelde subside verwierp. Al verklaarde de Minister achteraf, dat hi met dit voorstel geen principieele beslissing over staatssubsidie in het algemeen wilde uitlokken, maar alleen in dit speciale en exceptioneele geval Rotterdam wilde te hulp komen, toch sprak het wel vanzelf, dat met de aanneming van het voorstel een precedent gesteld werd, dat voor de toekomst verreikende gevolgen kon hebben. De Eerste Kamer heeft door het voorstel af te stemmen, niet onduidelijk te kennen gegeven, dat zij voor uitbreiding der subsidie niet te vinden, is en de Minister heeft dit zelf ook wel gevoeld, waar hij verklaarde geen nieuwe aanvragen meer te zullen doen. Een verklaring, die ook voor onze Kerken niet van belang ontbloot is, omdat daaruit blijkt, hoe dwaas de hoop is dergenen, die verbetering der predikantstractementen van rijkssubsidie verwachten.

Wanneer we ons in deze beslissing der Eerste Kamer verheugen, dan is het niet, omdat we aan de Hervormde gemeente te Rotterdam deze paar duizend gulden subsidie misgunnen. Maar wel omdat elke vermeerdering van subsidie den Jinantieelen band tusschen Staat en Kerk nog vaster maakt. Het zal de Eerste Kamer dan ook weinig deren, dat zeker orgaan van de Confessioneelen haar verwijt, dat ze thans in „bondgenootschap met de socialisten" is gekomen en sp de „lijn der Afscheiding" is overgegaan. Er zijn ook in de Hervormde Kerk toch mannenbroeders, die inzien, hoe de „zilveren koorde" de vrijheid der Kerk aan banden legt, een gezonde oplossing der kerkelijke quaestie in den weg staat, de synodale hiërarchie in stand houdt en de macht van het modernisme schraagt. Zoo schrijft De Waarkeidsvriend naar aanleiding van de beslissing der Eerste Kamer:

Naar onze meening moet het om tot afdoende regeling der predikantskwestie te komen, niet de richting uit van eene vermeerdering van he aantal predikantsplaatsen, welke door het Rijk worden betaald. Rome en het modernisme varen daar wel bij. Wat wij moeten hebben — en telkens springt de noodzakelijkheid daarvan duidelijker in het oog — is: „fiaale afrekening", en wel op royale en afdoende wijze.

De verhouding tusschen Keik en Staat moet ééns en voor goed worden geregeld.

Misschien wordt de kwestie Rotterdam aan­ t leiding, dat art. 171 der Grondwet bij de herziening dezer Wet de bijzondere aandacht zal hebben.

We hopen het!

Zoo is het.

Rome en het modernisme varen er welbij. Van harte hopen we daarom met De Waarkeidsvriend, dat de beslissing der Eerste Kamer er toe leiden moge, om bij de aanstaande Grondwetsherziening ook art. 171 aan de orde te stellen.

Groen van Prinsterer heeft het terecht gezegd: voor de toekomst van ons volk beslissen twee dingen: de school'o; }x& sü& en de kerkelijke quaestie.

De schoolquaestie is, dank zij de krach­ s tige actie van ons christenvolk, aaavankelijk tot een goede oplossing gekomen.

Zou het geen tijd worden om ook de kerkelijke quaestie onder de oogen te zien.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's

Met een enkel

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's