Leestafel.
J. H. LANDWEHR. L. G. C. LEDEBOER IN ZIJN LEVEN EN ARBEID GESCHETST. Tweede, veel vermeerderde druk met een voorrede van PROF. DR. H. BAVINCK. Rotterdam, D. Bolle. Van LANDWEHR'S vóór nutienj*ar uitgegeven LEDEBOER-biographie is onlangs een tweede druk verschenen.
Deze druk mag terecht een veel vermeerderde heeten. Onder meer is er thans aan toegevoegd een afzonderlijk hoofdstuk, waarin een beoordseling wordt gevonden van LEDEBOERS persoon en arbeid en ook een beantwoording van DR. F. J. KROMSIGT'S aanmerkingen op LANDWEHR'S beschouwing omtrent LEDEBOER'S kerkelijk standpunt.
Voor dezen tweeden druk schreef PROF. BAVINCK een, vootal uit een oogpunt van psychologie der religie, bijzonder lezenswaardig „Woord vooraf". Hij wijst daarin aan dat LEDE BOER, in onderscheiding van de mannen van den RÉVEIL en de vaderen der SCHEIDING, een eigenaardig type vertegenwoordigt van Nedetlandsche. Gereformeerde vroomheid.
Dat type van vromen, die zich om staat en maatschappij, om kerk en school zeer weinig bekommeren en al zijn zij in dogmatischen zin wel Gereformeerd, toch in het abstracte dogma gewoonlijk niet veel belangstelling toonen. Dat type van vromen, bij wie, zooals ik het kortheidshalve zou willen uitdrukken, het religieus gemoedsleven zich wat heel sterk en dan, zoowel ten koste van het religieuze denken als van het door de religie bepaalde willen en handelen, heeft ontwikkeld. Mannen en vrouwen wier mystieke aanleg vaak in mysticisme verliep en wier in zich zelf zoo kostelijk bevindelijk leven zicb dikwijls aan de tucht van het Woord en van de rede onttrok en dan onder de verbijsterende leiding eener onbeteugelde phantasie kwam. Innige zielen, maar met allerlei zonderlingheden, ook in hun taal.
Als predikant en ook later trof het mij, wat dit laatste betreft, dat zij in gesprekken over den godsdienst, als ze het over hun ziel of over zichzelf hadden, nimmer „mijn ziel" cf „iK maar altijd „de ziel" of „Ay" zeiden. Vooral wanneer 'a vrouw dat deed, maakte het een zonderlingen indruk.
Deze objectivatie nu van het religieus bepaalde zieleleven is metterdaad een voor de psychologie van de religie niet onbelangiijk verschijnsel.
Mijn geachte ambtgenoot beschrijft en verklaart dat aldus:
„ .... de blik is naar binnen gekeerd." „Wat hun aandacht spant en boeit is" — en dat in tegenstelling met het dogmi zelf — „de weerkaatsing van het dogma in den spiegel van hun eigen gemoedsleven, de werking, welke er van uitgaat in de bevingen van hun gevoelige ziel-Zij maken daarom altijd bij zichzelva onderscheid tusschen het zieleleven, waar hun oog op gevestigd is, en het ik, dat in hen waarneemt en spreekt. Zij zijn eigenlijk zelven het subject van hun bevindingen niet en spreken daarom ook van zichzelven schier nimmer in den eerstenpersoon. Maar de ziel staat als een ander, als een derde persoon buiten en tegen hem over. Als de ziel dat zoo eens voor een oogenblik genieten en smaken mag."
Tot dit type van godvruchtigen, maar dan tot de besten daaronder, behoorde, — de lezing van LANDWEHR'S voortreffelijk boek heeft ook mij, door het vele wat ik er uit geleerd heb, in die meening versterkt — ook LEDEBOER, „Hij beat er", zooals de Inleider zegt, „al de eigenaardigheden van, de oorspronkelijkheid, de frischheid,
de onmiddelijkheid, maar ook al desondetÜDgbeden, grilligbedeo, buitenspoorigheden, die er dikwerf mede gepaard gaan."
Het voortreflfelijke van LANDWEHR'S boek ligt voor mij hierin, dat het door de nauwkeurige en ijverige voorstudie, die aan zijn samenstelliag blijkbaar is voorafgegaan; door de methodische behandeling der düs saamgebrachte stof; door de groote onpartijdigheid waarmee LEDEBOER er in zijn leven en arbeid in geteekend is, metterdaad aanspraak heeft op den naam van een wetenschappelijke verhandeling.
Het werk zelf, 254 pagina's groot, bevat een Inleiding, XII hoofdstukken en Bijlagen.
De Inleiding teekent ons in een paar breede maar juist getrokken lijnen het kerkelijk leven uit de dagen waarin LEDEBOER optrad en vermeldt verder de zeer sobere litteratuur die over hem bestaat. De eigenlijke „bronnen" heeft Ds. LANDWEHR moeten zoeken èn bij personen, die den predikant van BENTHUIZEN nog gekend hebben èn in de kerkeliike archieven.
In de dan volgende XII hoofdstukken komt de geachte schrijver tot zijn eigenlijk onderwerp en handelt dan achtereenvolgens, in h. I—IV van LEDEBOER'S jeugd en opvoeding; verblijf aan de Academie te LEIDEN; zijn werkzaamheid als predikant te BENTHUIZEN en zijn strijd met de Besturen. In h. V—VIII wordt gesproken over Ledeboer en de Afgescheidenen; Ledeboer en Budding; Ledeboer en Van der Linde; Lideboer en de Ledeboerianen. Ia h. IX—XI over Ledeboer's geschriften; zijn levensavond en dood. Hoofstuk XII geeft onder den titel: BESLUIT, dan als samenvatting van bet geheel een beoordeeliog van LEDEBOER'S persoon en arbeid en in verband daarmee een en ander over zijn kerkelijk standpunt.
In de Bijlagen ten getale van XVI vindt men de genealogie van Ledeboet; het bericht van zijn promotie aan het Ërasminiaansche gymnasium tot student; afschriften van actestakken uit de classikale en provinciale archieven^ die betrekking hebben op zijn „afittting"; opgaven van de vonnissen der Arrondissements Regtbank te Leiden wegens Ledeboers houden of leiden van ongeoorloofde godsdienstoefeningen zonder toestemming van het plaatselijk bestuur; en een afschrift van den door den ketkeraad van Benthuizen in r843 mlg^& chieven iiddags-èrie/.
Voor de beoefening van de vaderlandsche kerkgeschiedenis heeft deze dissertatie bijzondere waarde. Zij is de eerste wetenschappelijke levensbeschrijving van den man, die op een niet gering des! van ons gereformeerde volk invloed beeft geoefend. Zij biedt ons tegenover de overschatting van LEDEBOER'S vrienden en de geringschatting zijner vijanden een, naar het mij vooikomt, juist oordeel.
Gevoelsmensch, prikkelbaar en vaak overprikkeld; uiterst ondeiwerpelijk, zich latende leiden door het inwendige Woord maar, doordat hij toch den band met het geopenbaarde Woord niet verscheurde — geen dweper.
£en man van een zeer doopersch getinte levensbeschouwing bij wien het dualisme tusschen natuur en genade op velerlei wijze uitkomt en die daardoor, even als zijn volders, niet een zout irt maar naast de wereld is.
Als theoloog zonder beteekenis, maar als prediker en — dan niet alleen als boetprediker, doch ook als evangelieprediker — verdienstelijk. Als reformator uiterst zwak, maar als herder door zijn trouw en als zielverzorger door zijn kennis van het menschelijk hart, voorbeeldig.
En, bij al zijn doopersche levensopvatting, toch zoo ongemeen aantrekkelijk door zijn innige godsvrucht, zijn zelfverloocheDend leven, zijn onvermoeiden ijver, zijn niemandsparenden ernst.
Aldus ongeveer vat zijn biograaf in het laatste hoofdstuk het oordeel over hem saam. Lezenswaardig is in dit laatste hoofdstuk ook het antwoord aan DR. KROMSIGT.
Zooals men zich wellicht zal herinneren, had, in de dagen der Doleantie, nu wijlen Ds. H. W1LDEBOER, toenmaals predikant te BENTHUIZEN, een brochure geschreven over: „HETKERKELIJK CONFLICT TE LEIDERDORP". Hij beweerde, daarin dat Ds. LEDEBOER kort voor zijn dood zijn breken met het Nsd. Herv. Kerkgenootschap als dwaling zou hebben veroordeeld. De uitspraken van LEDEBOER waarop Ds. WILDEBOER zich voor dit zijn beweren beriep, moesten echter naar DR. KUYPER meende anders gt ï iterpreteerd. Ia zijn eersten druk nu ging Ds. LANDWEHR mee met de interpretatie van DR. KUYPER en is daar toen over aangevallen door DR. KROMSIGT in „TROFFEL EN ZWAARD". In deren tweeden druk verdedigt Ds. LANDWEHR zich tegenover die bestrijding van DR. KROMSIGT.
Het werk van den Rotterdamschen predikant heeft echter niet alleen wetenschappelijke waarde, inzonderheid voor de beoefenaren van de Vaderlandsche kelkhistorie. Ook voor velen in onze dagen wier gemoedsleven door het heerschend intellectualisme en de overmatige eischen van het actieve leven, aan innigheid al meer verloor, kan de kennismaking met een leven als dat van LEDEBOER geweest is, van paedagogisch nut zijn. BAVINCK zegt in zijn voorrede zoo heel raak: „Wij leeren er uit, wat eenzij. digheid aan dezen vorm van godsvrucht kleeft, en wat ons zelven ontbreekt." Maar ook voor de eenvoudigen onder de „innige christenen" beeft dit boek zijn waarde om het velen, dat zij er in zullen genieten èn om het correctief dat LANDWEHR'S waardeerende, maar toch ook scherpe beoordeeling van de onderwerpelijke richting er in biedt. En eindelijk is het ook daarom van waarde en heeft Ds. LANDWEHR aanspraak op ons aller dank wijl, zooals hij zelf op p. 10 schrijft: „het voor de Gereformeerde kerken van belang is deo aard van de kerken, naar hem (d. i. LEDEBOER) genoemd, nader te leeren kennen, omdat wij nog altijd de gemeenschap met haar zoeken."
Met GUNNING'S monographic over BUDDING vormt deze van LANDWEHR over LEDEBOER een waardig nevenstuk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 september 1910
De Heraut | 4 Pagina's