Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De heeren Lindeboom,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heeren Lindeboom,

12 minuten leestijd

De heeren Lindeboom, vader en zoon, hebbea een goed werk gedaan met de vraag naar de practische opleiding onzer aanstaande Dienaren des Woords aan de orde te stellen,

De zoon, Ds. Lindeboom van Gorkum, deed dit door een ingezonden stuk in de Baeuin, waarin hij wees op het gebrek, dat in dit opzicht onze classicale examens aankleeft. Volgens de bestaande regeling d worden de candidaten tweemaal door de d Kerken geëxamineerd in Dogmatiek en m Exegese, eerst bij het praeparatoir en dan e bij het peremptoir examen, terwijl voor het onderzoek naar hun kennis in de Amb­ g telijke vakken en het Kerkrecht slechts d éen kwartier bij het peremptoir examen d overblijft. Rekent men nu daarbij, dat de candidaten aan de Vrije Universiteit en aan de Theologische School te Kampen nog tweemaal in de Exegese en eenmaal in de Dogmatiek geëxamineerd worden, terwijl de Ambtelijke vakken en het Kerkrecht geen examenvak zijn, dan springt de disproportie nog sterker in het oog. En waar de examens ongetwijfeld voor een goed deel de studie beheerschen, moet het gevolg daarvan wel wezen, dat de candidaten schier al hun tijd aan Dogmatiek en Exegese besteden en de studie der Ambtelijke vakken en van het Kerkrecht er t schade onder lijdt.

Nu is Ds. Lindeboom bq bovenstaande opgave, althans wat de examens aan de Vrije 'Universiteit betreft, niet geheel juist ingelicht. Wanneer hij schrijft, dat de candidaten noch in de Christelijke Zedekunde noch in de Ambtelijke vakken onderzocht worden, dan is dit een vergissing. De Christelijke Zedekunde is wel degelijk eea examenvak, en wat de Ambtelijke vak ken betreft, wordt geëischt, dat elk candidaat een getuigschrift zal overleggen, dat hij door den daarvoor aangewezen hoogleeraar onderzocht is en deze zijn kennis voldoende heeft bevonden.

Maar afgezien van deze vergissing, die tot de quaestie zelve ook minder afdoet, is de opmerking van Ds. Lindeboom vol komen juist, dat de tegenwoordige inrichting onzer kerkelijke examens niet deugt. Voor de Kerken moet bij het examen harer a.s, Dienaren niet in de eerste plaats de vraag zijn naar het wetenschappelijk gehalte, dat reeds aan de School of Universiteit onderzocht is, maar naar de zuiverheid der be lijdenis en hun bekwaamheid om als Dienaar des Woords op te treden. Aan de Ambtelijke vakken en het Kerkrecht behoort daarom op deze examens een eereplaats te worden toegekend, en in geen geval gaat het aan, in deze vakken te examineeren aan het einde van een drie-urig examen in een j slotkwartiertje, waarbij de examinandus reeds uitgeput is en de examinator geen behoorlijke gelegenheid heeft hem te onder vragen.

Tii fout van deze geheele regeling nu schuilt hierin, dat men het doel van deze kerkelijke examens niet begrepen heeft. Het praeparatoir examen is, gelijk de naam reeds aanduidt, niet anders dan een voor loopig onderzoek, dat de Kerk instelt om te zien of een candidaat geschikt is om voor de gemeente te kunnen proponeeren. Oorspronkelijk bestond dit examen in onze Gereformeerde Kerken niet: men vertrouwde toen, dat de professoren wel geen student verlof tot preêken zouden geven zonder zich vergewist te hebben van de zuiverheid zijner belijdenis. Maar toen in de i6e eeuw de ketterij in de Universiteit zelve het hoofd opstak en Arminius' studenten allesbehalve zuiver op de graat bleken, oordeelden onze Kerken het beter, dat geen student zou optreden voor de gemeente, voordat eerst onderzoek was gedaan naar zijn zuiverheid in de belijdenis en de gave die hij bezat om te proponeeren. Zoo droeg dit examen dan een geheel ander karakter dan het peremptoir examen, dat eerst na de beroeping volgde en diende om de Kerken te vergewfssen, of de candidaat die mate van kennisse bezat, die voor het ambt van Dienaar des Woords noodig was

Dit onderscheid is echter door onze Classicale examinatoren zoo goed als geheel uit het oog verloren. Het praeparatoir examen werd even peremptoir als het peremtoir examen afgenomen. De weten schappelijke bekwaamheden van den candidaat werden op een goudschaaltje afgewo gen, en men kreeg vaak den indruk, alsof de examinatoren zich geroepen voelden het pas afgelegde candidaatsexamen aan de School liefst in nog wat verscherpter vorni opnieuw af te nemen. Zoo werd niet alleen t het praeparatoir examen geheel van karakter veranderd, maar kreeg men bovendien nog den dwazen toestand, dat de Kerken tweemaa', dikwijls binnen den tijd van enkele maanden, een candidaat in dezelfde vakken. Dogmatiek en Exegese, examineerden. Waar men in onzen tijd zoo volkomen terecht tegen het vermenigvuldigen der examens opkomt, daar gaven de Kerken door deze examen overdrijving zeker geen goed voorbeeld.

Nu zou het wel de beste weg zijn, dat de Kerken het praeparatoir examen weer naar zijn eigenlijken aard leerden opvatten als een voorloopig onderzoek, maar gegeven de eenmaal ingevoerde practijk, vreezen we, \ dat hierin moeilijk verandering zal te brengen zqn. Het hangt bij een examen te veel af van den examinator, welke vragen hij stellen wil, om hierin door kerkelijke regeling ver betering te kunnen brengen. Daarom lacht de voorslag van Ds. Lindeboom ons wel toe, om het kerkelijk examen te splitsen in dien zin, dat bij het praeparatoir examen onderzoek wordt gedaan naar Dogmatiek en Exegese en degenen, die hierin voldoende bevonden zijn, van deze vakken bij het peremptoir examen vrij te stellen, mits er tusschen beide examens geen al te groote tijdruimte besta. Het dubbele voordeel wordt dan verkregen, dat de Kerken de candidaten niet tweemaal in dezelfde vakken behoeven te cxamineeren, «n dat er bq het peremptoir examen meer tijd overschiet voor de Ambtelijke vakken en het Kerkrecht. De aard van het kerkelijk examen zou daardoor ook beter tot zijn recht komen, want het hoofddoel van dit examen is toch niet om een wetenschappelijken graad uit te reiken, maar om te zien of de candidaat geschikt en bekwaam is voor den Dienst des Woords. We hopen dan ook. at de Kerken een voorstel in dien zin op e e a. s. Syttode zullen brengen, en daar­ i ede een betere regeling onzer kerkelijke t xamens zal worden bereikt.

Toch is met deze verbetering in de re­ K eling der examens het gebrek, dat thans m e opleiding zelve aankleeft, nog niet uit w en weg geruimd. Het onderwijs aan de d Universiteit en de School draagt een we­ a tenschappelijk en theoretisch karakter ook g wat de zoogenaamde Ambtelijke vakken be­ b treft en kan daarom niet genoeg practische k ervaring geven. Wel wordt op het preek-k college aan de studenten gelegenheid ge­ z geven om preekvoorstellen te houden, s maar deze practische oefening is toch zeer s onvoldoende en voor de practijk van cate­ l chisatie, huis-en krankenbezoek, toezicht op scholen en vereenigingep enz. wordt niets gedaan. Het behoeft wel geen betoog, dat dit een zeer ernstige leemte is in de opleiding onzer a. s. Dienaren. Wan neer deze jonge mannen van de Akademie plotseling in de bediening des Woords komen, zijn ze voor hun taak niet ten volle gereed. En nu mag het leven hier wel de beste leermeester wezen en dit gebrek door de practijk allengs verholpen worden, maar de gemeente, die zulk een jongen dienaar ontvangt, wordt er toch niet zelden de dupe van. Geen docter treedt in de {naatschappij op alleen met wat theoreti sche kennis van ziekte en medicijnen toegerust, maar hij moet reeds aan de Aka demie de ziekenhuizen bezoeken en onder de leiding van zqn professor diagnose stelleo, geneesmiddelen voorschrijven, opera ties verrichten. En zou hetzelfde dan geen eisch zijn voor een predikant, die vooral bij het huisbezoek als geestelijke arts heeft op te treden.'' In het buitenland heeft men dat gebrek dan ook reeds lang gevoeld en daarom of door een practisch seminarie, dat aan de Hoogcschool verbonden werd, voor de practische opleiding gezorgd, of de regeling getroffen, dat een candidaat eerst als hulpprediker eenigen tijd bij een ou ­deren en ervaren leeraar zich heeft te oefenen, voordat hq zelfstandig kan optreden.

We verblijden ons daarom, dat Prof. Lindeboom op de predikanten-conferentie, die a.s. week te Utrecht zal gehouden worden, deze zaak ter sprake wil brengen en daarvoor de volgende stellingen heeft geponeerd:

1. Het hoofddoel der Classicale examina is: ODcierzoeken, of de candidaat geacht kan worden bekwaam en geschikt te zijn voor de praktijk van het herder en leeraat-ambt in de gemeente dts Heeren.

2. De tegenwoordige „practische opleiding" aau de scholen der theologie is niet voldoende tot voorbereiding voor zulk een classicaal examen.

3. Tot voldoende practische opleiding voor al het werk des ambts in de gemeente is on misbaar: geordende werking en samenwerking van de school (van Curatoren, Docenten en S udenten) en van de Kerk (kerkeraden ca.. en herders en leeraars); in aansluiting aan gotde voorbereidende vorming in het huisgeiin, de school, de catechisatie, en de vereettigicg.

Uit dé toelichting dezer stellingen zal moeten blqken, hoe Prof. Lindeboom zich deze practische opleiding voorstelt; misschien ware het zelfs beter geweest, dat hij in de stellingen zelf hiervoor bepaalde en geformuleerde voorstellen gedaan had, omdat het natuurlijk alles aankomt op de wyze van uitvoering.

Het hulppredikerschap heeft ongetwijfeld veel voor, omdat de candidaat dan na volbrachte wetenschappelijke studie zich geheel aan de practijk kan wijden en daarbij de leiding heeft van een ouderen en ervaren Dienaar des Woords. Maar het blijft altijd lastig, hiervan een gebiedend voorschrift te maken, gelijk dan ook de Hervormde Synode van dit jaar het hulppredikersambt wel aanbeval, maar niet als eisch dorst stellen. En als de Synode het overlaat aan de candidaten, leert de ervaring dat slechts zeer weinigen dezen weg inslaan. Allerlei motieven dringen er toe, dat een candidaat gaarne spoedig een „eigen gemeente" zoekt; terwijl ook maar weinig Kerken in staat zullen zijn zulk een hulpprediker te bezoldigen. Men kan dat hulppredikerschap daarom theoretisch wel aanbevelen, maar practisch zal het weinig baten.

Veel beter zou ons daarom de oplossing toeschijnen, dat aan de School der Wetenschap een practisch Seminarie werd verbonden, dat in rechtstreeksch verband stond met de Kerken en waarvan het bezoek door de Synode verplichtend werd gesteld voor ieder, die tot de Bediening des Woords wenschte toegelaten te worden. Voor de Hoogeschool zou dit een niet gering voordeel opleveren, want ze kon zich dan uitsluitend richten op de zuivere wetenschappelijke studievakken, als Exegese, Dogmatiek, Kerkhistcrie enz., terwijl dan het onderwijs in de zoogenaamde practische vakken als Homiletiek, Catechetiek enz. aan het Seminarie kon worden overgelaten. Ook voor de Zending kon zulk een Seminarie van hoog belang worden, evenals voor de zoogenaamde lanere Mission. En voorts konden de studenten aan dit Seminarie zich dan onder leiding hunner hoogleeraren practisch oefenen in het houden van preeken, catechiseeren, huisbezoek enz. Zoo zou na de wetenschappelijke studie een practische opleiding onder toezicht der Kerken volgen, waarvan de Kerken zelve de rijkste vruchten zouden plukken.

In zulk een regeling zou ook een rechtstreeksch voordeel schuilen voor de Kerk, waar de Hoogeschool zich bevindt. In een Kerk als Amsterdam, waar de Dienaren des Woords reeds overkropt zijn met arbeid, kan er niet aan gedacht worden om behoorlijke kracht te wijden aan den evangelisatie-arbeid. Toch zal onze Kerk ook dezen arbeid ter hand moeten nemen. De schare, die de wet niet kent, mag niet aan haar lot worden overgelaten. Er moet van onze Kerken een poging uitgaan om ook deze verloren schapen weer op te zoeken n te trekken. Juist bij dien arbeid der nwendige zending nu zou zuik een pracisch Seminarie uitnemende diensten unnen bewijzen. Want waarom zou de erkeraad niet van deze studenten gebruik aken om in wijklokalen een stichtelijk oord te laten spreken, huisbezoek te doen in e achterbuurten, i. e, w. evangelisatierbeid te drijven.' Er zit in de studenten enoeg energie. Bij elke politieke verkiezing ewijzen ze uitnemenden hulpdienst. Het omt er alleen op aan, die energie te prikelen en ze een arbeidsveld aan te voijzen. Zoo ou het mes aan beide kanten snijden. De tudenten zouden een practische leerchool doormaken, die voor hun verdere oopbaan van groot nut zou wezen. En de Kerkeraad kreeg een staf van jonge mannen, die voor den Evangelisatiearbeid konden worden gebruikt.

Wellicht zou langs dezen weg op den duur ook een oplossing beproefd kunnen worden van het nog altoos hangende opleidingsvraagstuk. Dat er twee Hoogescholen zijn, waaraan hoogleeraren in precies dezelfde vakken onderwijs geven voor een aantal studenten dat elk jaar slinkt, is een weelde, die we bij onze kleine kracht nauwelijks kunnen dragen. En het geldt hier niet alleen een quaestie van geld-, maar evenzeer van veel ^rat/i/J-verspilling. Want het spreekt wel vanzelf, dat de hoogleeraren, die thans aan beide inrichtingen zich op dezelfde vakken moeten toeleggen, daarom menig terrein braak moeten laten liggen, dat dringend om bearbeiding roept. Kon men daarom tot verdeeling van arbeid besluiten, zoodat aan de Hoogeschool de wetenschappelijke vakken werden overgelaten en de Kerk daarnaast een Seminarie had, dat zich uitsluitend op de practische vakken toelegde, dan zou dit aan beide 2ijden winst zijn. Zeker zou de eisch dan worden losgelaten, dat de Kerk zelve voor volledige opleiding had te zorgen, maar daartegenover zou het voordeel staan, dat niet een deel, maar alle studenten deze kerkelijke kweekschool zouden bezoeken; dat de Kerken zich met alle kracht konden werpen op het onderwijs in de practische vakken, die in onzen tijd van zoo hoog belang zijn; en dat de opleiding onzer a. s. Dienaren veel meer zou kunnen beantwoorden aan den eisch, die daarvoor met het oog op de practijk van het leven mag worden gesteld.

We zeggen dit niet, om hiervan een bepaald voorstel te maken of in deze richting de geesten te drijven. Zal de oplossing van het opleidingsvraagstuk ooit tot stand komen, dan Zal het vrucht moeten wezen van algemeene overtuiging. Elk voorstel, dat óf aan de eene óf aan de andere zijde met wantrouwen begroet werd, zou alleen den vrede onzer Kerken verstoren en toch lot geen resultaat leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's

De heeren Lindeboom,

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 september 1910

De Heraut | 4 Pagina's