Ieestafel.
DR. J. R. SLOTEMAKER DE BROTNE. — HKT GELOOF AAN GOD IN DE XXSTK EEUW. Utrecbt G. J. A. Ruys 1910.
In den afgeloopen winter heeft DR. SLOTB-MAKER DE BRUINE, predikant bij de Nederd. Herv. Kerk te UTRECHT, in AMSTERDAM een reeks voordrachten gehouden over het Geloof aan God in de tvtrintigste eeuvr.
Deze voordrachten lijn te AMSTERDAM met, tot het einde toe, grooïe belangstelling aangehoord, en voor zoover ik heb kannen nagaan, zelfs in de liberale pets, niet onwelwillend beoordeeld. Dit laatste wijst, in aanmerking genomen, dat zij «eer beslist ingingen tegen de „vrijzinnigheid", op de degelijkheid van haar gehalte.
Het toen gesproken woord heeft de conferencier, met behoud van den lezing-vorm, later voorde pers gereed gemaakt, van „aanteekeningen" voorzien en bij den Utrechtschen uitgever RUYS in het licht gegeven.
Dit over het ontstaan van het boek. Zijn bedoeling is niet „te preeken voor de bekeerden", maar hen, die in onzen lijd hebben gebroken met het christelijk Godsgeloof, zich over dat Geloof te doen bezinnen, zoo mogelijk er voor te winnen.
Daarbij zat een gelijksoortig móiief voor als eens bij den heer J. ESSER, over wiens actie, door middel van „straatprediking", ik het verleden week had; als bij de „Tentzending" onzer dagen en als bij al dergelijke pogingen van positief christelijken kant om de verlorenen te redden, de verdoolden te recht te brengen, die door de keik ah instituut niet meer worden bereikt.
Alleen maar, de Uttechtsche doctor heeft getracht met zijn voordrachten een andere categorie van verlorenen en verdoolden te bereiken.
Hij richt zich tot de meer beschaafden, tot de meer ontwikkelden, tot de cultuur-menschen in enger zin onder zijn volk. Niet „buitenissig" opstraat of in-een-tent, maar heel binnen de perken dei fatsoenlijkheid, als gold het een interessante conference over een onderwerp uit de literatuur of de kunst in ruimer zin, heeft onze doctor die cultuur-menschen om zich weten te verzamelen in dat gezellige, helder verlichte en goed verwarmde zaaltje van „het Nut'.
Dáár heeft hij, die dames en heeren, welke „schrikkelijk veel gelezen hebben"; die onkerksche menschen, waaronder geleerden en artiesten, gesproken over: het Geloof aan God.
En zij zijn naar hem blijven luisteren; zij hebben aan zijn woord een belangstelling geschonken, - ver boven zijn verwachting, deze GeUldeten.
Dit doen van SLOTEMAKER ia 1909 en het succes, als ik dit woord nu eens mag geoiuiken, al weet ik ook wel, dat aanvankelijk succes nog geen blijvende zegen is, — herinnert mij aan bet doen van SCHLEIERMACHER met zijn: „Reden über die Religion an die Gebjldeten unter ihren Vera'chtern" uit 1799.
Toch is, ik erken het, de analogie hier maai zeer gering.
Terwijl toch de prediker der Dreifaltigkeitskirche in 1799 met zijn REDEN de Gebildeten voor het spinozisusch pantheïsme trachtte fe winnen, wilde de Utrechtsche prediker in 1909 met zijn voordrachten de Gebildeten winnen voor het chiistelijk-tbëisme.
Sprekend over: het Geloof aan God, heeft SLOTEMAKER zijn gehoor geen oogenblik in het onzekere gelaten wat hij verstond onder het woord God, Onomwonden heeft hij het al dadelijk gezegd waar het om ging. I
Zeker, „religieus" wil de cultuur mensch van onzen tijd wel zijn en heeten. Het onverholen athëisme telt in onze dagen, nu wij staan in het teeken van de mystiek of liever van het mysticisme, weinig aanhangers meer. Maar voor God in den ouden, trouwen zin, dien dit woord onder christenen gehad heeft en nog heeft, is in het denken en daardoor ook in het gemoedsleven van vele onzer tijdgenooten onder de Gebildeten geen plaats meer. En zooals ik zeg, SLOTEMAKER heeft dat terstond uitgesproken.
„Er is ook een algemeen religieuze aandoening, iets onbelijnds, een pantheïsme. . ." „Maar zoodra wij spreken van een God, die persoon is - niet hetzelfde immers als lichaam 1 - van een God, die zelfbewust is, die Schepper en Onderhouder wezen zou ... waar is Hij dan ? " (P-4 en s).
Hij heeft ze gesproken over het Geloof aan God en niet, althans niet allereerst, over het Geloof in God en niet, althans niet allereerst over het geloof aan en in Christus. Iets wat, bij eenig nadenken over het publiek, dat DR. SLOTEMAKER te AMSTERDAM in de NUT-ZAAL voor zich had, al even weinig bevreemdend is »ls dat PAULUS evenzoo heeftfgedaan te ATHENE op den AREOPAGUS.
Ook de Uirechtsche conferencier had, even »ls de Apostel, te doen met wijsgeerig, met vetenschzppelijic bijgeiverkte, met denkende menschen, met „intellectueelen" en die er voor gehouden wilden worden. Geloof nu is zeker niet alléén een zaak van het intellect; maar zullen menschen, in wier denken voor God geen pluts meer is, tot geloof in God en Christus tornen, dan dient er toch eerst weer in hun gedachtenwereld plaats te komen voor het Geloof aan God.
Dit heeft SLOTEMAKER met zijn voordachten willen en dit wil hij met zijn boek allereerst beteiken.
Straatprediking, ik schreef het de vorige week, 'S niet het werk van ieder christen; ik voeg er thans aan toe, zulk een zaal-prediking evenmin.
Men moet, om aan intellectueelen voor welke, woals SLOTEMAKER zegt „God zelf quaestieus is geworden". God te verkondigen, een christen zijn, die zelf tot de intellectueelen behoort; die zelf 't.^ït midden in de ideëele cultuur van onzen '> j< l j genoegzaam wijsgeerig is gevormd om den band der wetenschappen te zien en ook genoegzaam zelfstandig denker is om op deze •aefiele cultuur van onzen tijd critiek te oefenen.
De schare, die door zulk een christen zich noort verkondigen den God der christenen, den "Od, die voor haar is geworden, zooal niet de onbekende, omdat de christelijke traditie nóg werkt, maar dan toch een voorstelling, een begrip van „God", dat in haar bewustzijn niet meer past, zal dan alleen naar hem luisteren. De niet-nadenkende, maar slechts na-pratende onder haar begint daarbij iets te voelen van het: Je reconnais mon maitre en begrijpt er allicht zooveel van, dat hij wat minder hard schreeuwen moet tegen „de geloovers met bun verouderd en al lang overwonnen standpunt"; waarmee dan al iets is gewonnen.
De echte cultuur-mensch onder haar gaat over het feit, dat in den inhoud van een „modern bewustzijn" het Godsbegrip van het, voor hèm al lang geantiqneerde christelijk-Theisme, zich toch wèl laat in voegen, zich verwonderen.
Iets waarmee al veel is gewonnen, want nit de verwondering komt het nadenken en uit het nadenken over dit feit allicht het inzicht in gemis van critiscbe bezinning bij zich zelf over den inhoud van het „moderne bewustzijn"; een inzicht, dat dan niet weinig zal worden ver helderd, indien de verkondiger van den God der Christenen zelf in deze critische bezinning voorgaat.
Het wil mij voorkomen, dat DR. SLOTEMAKER, doordat hij aan de zoo straks genoemde vereischten in den verkondiger van het Christelijk-Theïsme aan de Gebildeten, die er in onze eeuw mee gebroken hebben, ten volle beantwoordt, met zijn voordrachten dit succes — laat mij het woord nu nog maar eens mogen gebruiken — te danken heeft.
Ik wil thans iets meededen over den inhoud van het boek. Ik zal dit echter in maar korte trekken doen, want voor een omstandige uiteenzetting is de inhoud van dit boelje, dat slechts een omvang heeft van r3i bladzijden, te rijk.
De eeuw, die achter ons ligt was, KUNO FISCHER heeft het in zijn Kantstudie zoo mooi beschreven, de critische. Wat daaronder is te verstaan heeft hij daarbij eens en voor go'ed duidelijk gezegd, toen bijschreef: „Hetontstaan en de ontwikkeling der objecten zijn de problemen van het critische denken."
SLOTEMAKER nu geeft een, op volledigheid wel niet aanspraak makend, maar voor zijn doei genoegzaam en van zaakkennis getuigend overzicht van 'n „critisch denken" in de eeuw, die achter ons ligt op vijf terreinen, en wel zoo, „dat daaruit langzaamaan God is verwijderd." Deze vijf zijn dan: het ontstaan van de levensvormen; van den menscb; van de maatschappij; van de „zedeleer" — zooals hij het noemt, waarvoor ik liever zou hebben geschreven „de zedelijkheid" —; van den Godsdienst." (pag. 14—55).
Tegen het „critisch denken" opzichzelf heeft SLOTEMAKER, evenmin als een ieder, die het denken een goed hart toedraagt, bezwaar. Het vorscben naar de oorzaken en gronden der dingen door waarnemen en denken, naar hun ontstaan alzoö, is altijd en o»eral het kenmerk van den denker geweest. Maar wel heeft hij bezwaar tegen de interpretatie, de verklaring der feiten, die dit „critisch denken" biedt. „Of wij ons bij al dat gevondene eenvoudig hebben neer te leggen, daarop", zoo schrijft hij, „antwoord ik: naar mijn persoonlijke meening niet" (p. 56).
SLOTEMAKER bedoelt alzoo dat wij, naar zijn meening, al dat gevondene niet als waarheid hebben te aanvaarden. Iets, waar ik het goed eens mee ben, maar waarvoor ik de uitdruk king „er zich bij neerleggen", ca de geestige opmerking daaromtrent eei S gem akt door Prof. I. VAN DIJK, minder gepast acat. Dan, dit in het voorbijgaan. Hij weet echter maar al te goed, met zoo'n „naar mijn meeniog", overtuigt, en wint men nog geen èodetsdenkenden. Daarom wil bij van zijn persoonlijke meenicg weinig spreken. Evenmin wil hij ook „klein lich" op orjuistheidjes in het betoog dezer critiscbe denkers wijzen.
Hij volgt een gansch andere methode.
Hij treedt offinsief op door dit „critisch denken" te verwijten, dat}j, het, niet krachtens de waarneming der feiten, en ook niet krachtens bet crhicisme zelf, — maar krachtens de theorie, door welke het beheerscbt werd, de theorie van het naturalisme, volgens welke het geestelijk-gebeuren niet en niets anders dan natuurgebeuren is, — God uit de bovengenoemde vijf gebieden langzaam-aan verwijderd beeft. En, na de gronden voor dit verwijt te hebben aangevoerd, gaat hij dan kottelijk aanwijzen, dat de zekerheid hunnner interpretatie, hunner verklaring, bij deze „critische denkers" zelf minder vaststaat dan hun „napraters" wel meenen. Dan wijst hij op bet feit, dat cü, in de twintigste eeuw, heel deze interpretatie niet meer bevredigt. Niet meer bevredigt, omdat men er zich al meer over is gaan bezinnen, dat dit naturalisme in zijn monistisch streven één en wel den tweeden term van het oude en groote probleem omtrent het natuurlijke en het geestelijke, stof en geest, lichaam en ziel, oorzakelijkheid en vrijheid, wetmatigheid en zedelijkheid, determinatie en verantwoordelijkheid, — vernietigt. Niet meer be vredigt, omdat „de wereld waarin al het geestelijke en vrije en goddelijke was weggedemonstreard, weer gaat begeeren en snakken naar God".
Aan oplossing van dit probleem, door de wijsbegeerte en de theologie naar hij zegt, tevergeefs beproefd, wil SLOTEMAKER zich niet wa gen; ook de Schrift lost het naar hij beweert, niet op, maar stelt, zoo op het gebied der natuur als van den geest, dualistisch, twee lijnen. „In het Christelijk Theïsme ligt echter elk van de beide termen vast, ook al is er geen oplossing verkregen". Te meer zullen wij in het Christelijk Theisme, in dit Geloof aan God rust vin den, naarmate wij Hem kennen in JEZUS CHRIS TÜS, terwijl de volle oplossing toeft lot de ure waarin het woord gelden sah „God zal zijn alles in allen".
Met veel wat SLOTEMAKER hier beweert beu ik het weer goed eens. Toch wil het mij voorkomen, dat het groote en oude probleem, althans meer is te benaderen dan hij hier doet. Meer te benaderen, door in ons denken over God als grond en oorzaak der wereld, met Zijn transcendentie, maar ook met Zijn immanentie ernst te maken; door, zoo in het na tuurlijk-als geestelijk gebeuren, te ondeischeiden tusschen de causa prima en de causae secundae; door, van de werkingen van de causae secundae niet te scheiden de weikingen van de causa prima, maar God als causa prima met Zijn werkingen te denken in al de werkingen van al zijn creaturen.
Niettemin kan ik de lezing van dit zoo instructieve boek, tot verrijking of verduidelijking hunner kennis van de tegenwoordige denkwereld en ook tot haar beootdeeling; deleting van dit in zoo vaste overtuiging geschreven boek tot sterking van hun Geloof aan God, — aanbevelen aan de Gebildeten ook onder ons.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 oktober 1910
De Heraut | 4 Pagina's