Prof. B. Kuiper hield voor
Prnf. B. Kuiper hield voor de studenten van het Calvin-Coilege der Christelijk Gereformeerde Kerk in Amerika een lezing over Orthodoxie en Christendom, waarin veel schoons wordt gezegd. We nemen er hier uit over het laatste deel, waarin hij de tegenstelling toelicht van het Calvinisme en Methodisme.
In zeker opzicht kan van een Christen deze omschrijving worden gegeven, dat hij iemand is, die naar den hemel zal gaan. Welk verband is er nu tusschen de orthodoxie, d. w. z. de actueele kennis van en het geloof in de gezonde leer en dit „naar den hemel gaan"? Mijn ant woord is: wat het wezen der zaak betreft is er geen verband hoegenaamd. Zij, die als kinderen sterven, als ze uitverkorenen Gods zijn, gaan naar den hemel, ook al hebben ze niet de geringste kennis der waarheid. Eneven zeker is, dat niet iedere krankzinnige of idioot noodzakelijk verloren gaat. Ook hebben Abraham, David en Jesaja nooit den Heidelberger d Catechismus bestudeerd of het Kort Begrip, en t ze zijn toch naar den hemel gegaan. Maar, zult j ge zeggen, dat zijn buitengewone gevallen Allen, die tot jaren des onderscheids zijngeko men, moeten toch zeker iets kennen en gelooven d aan de waarheid om zalig te worden. Was zelfs o onder het Oude Testament toch niet eenige kennis daarvoor vereischt?
De eerste theoloog, die dit vraagstuk, wat als minimum van kennis vereischt wordt om zalig te worden, , nauwkeurig onderzocht heeft, was Petrus Lombardus. En sinds dien tijd heeft deze vraag in de Roomsche Theologie altijd zeer de aandacht getrokken. Over 't algemeen nam men aan, dat in den tijd vóór de verwoesting van Jerusalem twee dingen noodig waren te gelooven om zalig te worden, n.l. dat God is en dat Hij een belooner is dergenen, die Hem zoeken. Voor den tijd van het Nieuwe Testament werden daaraan gemeenlijk nog twee leerstellingen toegevoegd: die van de heilige Drieëenheid en van Christus als Middelaar. Na de Reformatie met haar splitsing in vele kerken en haar verschillende van elkaar afwijkende Confessies werd het vraagstuk nog dringender, maar ook meer ingewikkeld. Weldra begonnen Protestantsche godgeleerden verschil te maken tusschen fondamenteele en niet-fondamenteele geloofsartikelen. Maar het bleek een uiterst moeilijke taak om deze onderscheiding zóó duidelijk te maken, dat 2e aan allen voldeed. De Roomsche theologen brachten krachtige bezwaren in. Ze beweerden, dal zulk een onderscheiding de deur zou openen voor rationalisme en onverschilligheid. Ze legden er nadruk op, dat het noodig was alles te gelooven, wat God ons had eopenbaard. Volgens de Jezuïten was 't zelfs een geloofsartikel, dat „de hond van Tobias had gekwispelstaart." En de Protestanten eind Z i I v p s v b m ' h M m d b b h v w t o a t D J !5a igden met te erkennen, dat ze niet in staat aren precies vast te stellen, wat op zijn allerinst noodig was te gelooven om zalig te orden. Het is dan ook onmogelijk om dit te oen. Want hoeveel eenvoudige menschen zijn r niet, die op zijn best een paar antwoorden an 't Kort Begrip uit het hoofd hebben geleerd, aar zoodra zij ook maar een beetje dieper op uaesties ingaan, duidelijk toonen, dat ze in erkelijkheid volstrekt niet begrijpen wat e woorden beteekenen, die ze hebben opgeegd. En toch zijt ge veel geruster aangaande e veiligheid van velen hunner, dan van somige anderen, die met de waarheid veel eter bekend zijn. De zaak is, dat wanneer ge l 't bijkomstige weg laat en alleen op het ezenlijke komt, er ter laatste instantie maar en dmg noodig is om naar den hemel te gaan, n dat is: uw hart worde wedergeboren en gij n en door die wedergeboorte als een levend idmaat ingeplant in het mystieke licbaam an den Hecre Jezus Christus, Met deze inplaning van het zaad des nieuwen levens üu ia eker de mogelijkheid gegeven van een gorden eilig leven en van ware en zuivere kennis der aarheid. Maar in hoevelen, die toch werkelijke, evende lidmaten van het licaaam van Christus ijn, blijfc de groei van dit nieuwe leven niet p schrikkelijke wijze belemmerd gedurende al e dagen huns levens op aarde? Hoevele anken van den wijnstok zijn er niet, die slechts en paar verschrompelde knoppen kunnen oonen? Niemand gelooft, dat alleen leden van ijn eigen kerk en aanhangers zijner belijdenis aar den hemel zullen gaan. De doop van alle erken, zelfs van diegene, welke 't verst zijn fgedwaald van de waarheid, wordt als geldig anvaard. Wie kan bij mogelijkheid zeggen, hoeveel zonde in onwetendheid en dwaling er an overblijven in iemand, die toch waarlijk wedergeboren is? Wie durft aan de oneindige barmhartigheden Gods perken voorschrijven? De uitwendige, ge'lostitueerde Kerk kan niet nders doen dan haar lidmaatschap bepalen naar de uitwendige belijdenis en levenswandel. Maar geen persoon of groep van personen of keik zou ooit een eindoordeel durven uitspreken over den innerlijken staat van een mensch tegenover God. Ia den hemel zullen we velen missen, die we er verwacht hadden; velen zullen er zijn, die we verwonderd zullen zijn er te zien. „De intimis non judicat Eccle.sia", over het inwendige des harten oordeelt de Keik niet.
Maar als dit alles zoo is, wat zullen we dan neg aandringen op de belijdenis en zuiverheid en kennis der leer, aangezien dit alles voor de zaligheid toch niet noodig is. Van het standpunt van den Methodist is daarvoor ook geen de minste reden. Voor hem is het eenige en ter laatste instantie alleen belangrijke ding in zijn leven zijn eigen persoonlijke redding en de redding van anderen. Al wat voor die redding niet wezenlijk noodzakelijk is, is voor hem van minder belang. Vandaar dat het Methodisme geen zorgvuldige theologische opleiding heeft voor de bediening des Woords en geen leerstellige preeken. Verkondig de liefde van Christus, dat is genoeg.
Zie hier nu eenerzijds de eenzijdigheid van het Methodisme. Terwijl het tevreden is met een potentiëele en een rudimentaire kennis van God, dringt het er op aan, dat het nieuive geestelijke leven fijn groei toonen zal in daden van den wil, niet zoozeer nog in de heiligmaking van den innerlijken mensch als in de uitwendige werkzaamheid van zoogenaamde Christelijke werken.
En zie hier anderzijds de breedheid van opvat ing van onze Gereformeerde belijdenis. Het stelt voor den mensch als zijn hoogste en eetiige doel niet zijn eigen zaligheid, ook niet die van anderen, maar de eere Gods. Zelfs is de zaligheid van den mensch niet eens een ondergeschikt doel. Het is niet meer 'dan een middel, om te komen tot het ééne allesomvattende einddoel. Maar dan is het ook duidelijk, dat het niet langer gaat alleen om de vraag, o/we zalig worden, maar veel meer hoe we zalig worden. Daarmede is elke zelfzucht in de religie de bodem ingeslagen. Het doel van ons bestaan en onze zaligheid ligt niet in den mensch maar in God. Het gaat niet langer om de vraag alleen, of het zaad van het nieuwe leven wel in onze harten is ingeplant gevror* den, maar veel meer daarom, hoe welig het opschiet en groeit en bloesem draagt. Want hoeveel te rijker dit nieuwe leven zich ontwikkelt, hoeveel te meer God daardoor zal verheerlijkt worden. Want geeft het Calvinisme dan niet een oneindig machtiger prikkel om tot een krachtig en sterk Christendom te komen, dan het Methodisme:
Het slot geven we een volgend maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 23 oktober 1910
De Heraut | 4 Pagina's