Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Door schier heel de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Door schier heel de pers

11 minuten leestijd

Amsterdam, 2 December 1910.

Door schier heel de pers, niet het minst ook door onze Christelijke pers, is ernstige bedenking ingebracht tegen het optreden der drie psychiaters in de beruchte Papendrechtsche rechtszaak.

Dat_ we dusver over deze zaak zwegen, was niet, omdat ook naar onze overtuiging hier geen gevaarlijk element in onze rechtsspraak was ingeslopen, maar omdat we liever de eindbeslissing van het Arnhemsche Gerechtshof wilden afwachten, voordat we over deze rechtsquaestie ons publiek uitlieten. Juist de inmenging der pers kon hier meer kwaad dan goed doen, omdat ze allicht bq de rechters den indruk kon opwekken, alsof de pers de taak wilde overnemen, die aan de rechtbank was toebedeeld. In Engeland worden de juryleden, die over schuld of onschuld moeten beslissen, gedurende den geheelen loop van het proces hermetisch van de buitenwereld afgesloten, opdat ze niet onder den invloed der publieke opinie zouden komen. B^ ons, waar zulk een afsluiting niet bestaat, zou het effect juist omgekeerd kunnen wezen. Het thans gevelde vonnis is dan ook in zooverre een unicum, dat het wel den aangeklaagde van rechtsvervolging ontslaat, maar tegelijk op zeer scherpen toon zich keert tegen de „publieke opinie" en tracht aan to toonen, hoe deze door invloed der pers geheel op een dwaalspoor was gebracht.

Toch zal deze critiek op de „publieke opinie" het publiek wel niet van ongelijk overtuigd hebben. Het feit zelf, dat het Arnhemsche Gerechtshof eindigde met den aangeklaagde van rechtsvervolging te ontslaan, bewijst, dat de vroeger gevelde vonnissen te hard waren. Maar ook afgezien hiervan, blijft de klacht, dat de wijze, waarop het onderzoek geleid en de verschillende getuigen gehoord werden, niet den indruk heeft gemaakt, alsof de justitie in deze langdurige procedure geheel onpartijdig en zonder aanzien des persoons is te werk gegaan. Dit feit nu betreuren we, omdat daardoor het vertrouwen, dat het volk in de justitie hebben moet, niet wordt versterkt. Vooral waar het, gelijk in dit geval, ging om een klacht tegen dragers van het openbaar gezag, die van onrechtmatige geweldpleging beschuldigd werden, moest te meer elke schijn vermeden zijn, alsof de justitie min of meer voor de beschuldigden partij koos. Het bekend antwoord, dat de molenaar van Sanssouci aan Frederik den Groote gaf, toen deze hem met geweld zijn molen dreigde te ontnemen : er zijn nog rechters in Berlijn ! moet ook onder ons volk de uitdrukking blijven van het vertrouwen, dat zelfs de armste en eenvoudigste heeft in de onkreukbaarheid der rechtspraak. En al blqft dwaling bij een rechterlijk vonnis altoos mogelijk, omdat de rechters zich vergissen kunnen evengoed als ieder mensch, de indruk mag nooit ontstaan, alsof de rechtbank met zeker vooroordeel optreedt of bepaalde personen in het gelijk wil stellen.

Afgescheiden van deze Papendrechtsche quaestie, die thans wel voor goed zal beëindigd zijn, staat echter de vraag, hoe te oordeelen is over den geheel nieuwen maatregel, door het Arnhemsche gerechtshof in deze rechtspraak ingevoerd, om de hoofdgetuigen, door de verdediging opgeroepen, te laten onderzoeken door psychiaters, ten einde een oordeel te krijgen over hun intellectucele betrouwbaarheid. Reeds lang waren we gewoon, dat schier bq elke geruchtmakende procedure de verdediging haar toevlucht nam tot de psychiatrie, om den aangeklaagde als een ontoerekenbaren krankzinnige vrijgesproken te krijgen; doch dat de rechter niet den aangeklaagde, maar de getuigen aan een psychiatrisch onderzoek onderwerpen liet, kwam in ons land, althans zoover ons bekend is, nog niet voor. Het is dan ook deze „nieuwigheid", die een storm van verontwaardiging in heel het land heeft doen opgaan. Dat vrije burgers van ons land, die voor den rechter waren gekomen, niet als beschuldigden, maar om getuigenis aan de waarheid te geven, werden overgeleverd aan een onderzoek naar den staat van hun geestelijke vermogens, wekte reeds ergernis. Nog meer, dat ze thans, dank zij dit psychiatrische onderzoek, publiek aan de kaak gesteld zijn als imbecillen, als lijdende aan querulanten waanzin, als psychisch minderwaardige personen. En deze ergernis steeg ten top, toen bleek, hoe de psychiaters bij het onderzoek zich niet ontzien hadden aan de getuigen vragen te stellen, die te profaan en godslasterlijk zijn, om ze hier te herhalen. Dat de bedoeling der psychiaters daarbij niet is geweest, gelijk één hunner verklaarde, om te profaneeren, maar alleen om te zien, of de getuigen in staat waren abstracte begrippen te vormen, nemen we gaarne aan. Maar dit neemt het feit niet weg, dat de gestelde vragen zich bewogen op een gebied, dat ons heilig is, en de naam Gods te hoog staat om voor zulke proefnemingen dienst te doen.

Dat vooral tegen dit laatste door onze Christelijke pars geprotesteerd is, was haar recht en plicht. En evenzeer heeft ze recht, wanneer ze opkwam tegen den invloed, dien de psychiatrie ook nu weer op onze rechtsspraak uitoefende en die een steeds bedenkelijker karakter aanneemt.

Toch onderscheide men hier wel.

Dat de rechter nooit en in geen enkel geval de hulp der psychiaters zou mogen inroepen, om onderzoek te doen naar de geestelijke vermogens van den beschuldigde of zelfs van de getuigen, zal wel niemand beweren. De rechter heeft over de schuld van den aangeklaagde te oordeelen, en waar die schuld juist afhangt van de vraag, of de aangeklaagde toerekenbaar is of niet, daar is, v/anneer redelijke twijfel rijst, of de aangeklaagde krankzinnig is, medische voorlichting zeker gewenscht. Een rechter kan zelf niet uitmaken of een misdadiger krankzinnig is of niet; vooral niet, waar vaak grensgevallen voorkomen en gevallen van simulatie. Hij moet daarom wel de hulp van psychiaters inroepen, al zal hun medisch advies hem daarom nooit mogen binden, en ten slotte zijn eigen oordeel moeten beslissen. Zoo opgevat nu is er zeker tegen dat inroepen van het advies der psychiaters geen bezwaar en mag het zelfs als een belangrqke verbetering der rechtsspraak beschouwd worden, dat de rechter thans, veel meer dan vroeger, met dit psychische moment rekening houdt. In vroeger eeuwen is meer dan eens een aangeklaagde, die feitelijk vrij had moeten gesproken worden, omdat hq in een vlaag van waanzin had gehandeld, veroordeeld geworden, omdat de rechter zqn psychischen toestand niet beoordeelen kon.

Tot op zekere hoogte geldt hetzelfde ook van de getuigen. Waar de uitspraak van den rechter op het getuigenverhoor rusten moet, heeft de rechter zeker de plicht, om de waarde dezer getuigenissen te onderzoeken. Bij het getuigenis komt nu alles aan op de geloofwaardigheid van den getuige, en indien de rechter den indruk heeft, dat de getuige geen betrouwbaar persoon is, dan kan hq op zijn getuigenis niet afgaan. Is er dus redelijke grond om te vermoeden, dat een der getuigen krankzinnig is en zijn getuigenis daarom niet gelden kan, dan mag de rechter ongetwqfeld de hulp inroepen van den psychiater, om hem desaangaande voor te lichten. In zooverre kan dus op zichzelf dit consulteeren van den psychiater niet gewraakt worden, al blijft het de vraag, of een getuige verplicht kan worden aan dit onderzoek zich te onderwerpen.

Te Arnhem was het echter een geheel ander geval. Hier werd niet een enkel getuige, tegen wien vermoeden van querulanten waanzin gerezen was, maar heel een reeks van getuigen, die geen spoor van psychische afwijking bij het proces vertoond hadden, tot den predikant der Hervormde Kerk incluis, aan het psychiatrisch onderzoek onderworpen. Consequent doorgevoerd, zou dit daartoe moeten leiden, dat voortaan niemand als getuige meer kon optreden, zonder dat hij eerst een medisch attest had gekregen, dat hij gezond van zinnen was. Hierin nu ligt niet alleen een uiterst krenkende bejegening, die geen fatsoenlqk man zich laat welgevallen, maar het is een maatregel, die, vond hij navolging, aan de justitie zelf nameloos veel kwaad zou doen. Reeds thans kost het vaak moeite genoeg om het volk te bewegen, in een rechtszaak voor de rechtbank getuigenis af te leggen, maar dit bezwaar zou nog veel grooter worden, wanneer men wist, dat men straks als een imbeciel of een psychisch minderwaardig persoon naar huis zou gezonden worden, voor heel het leven met dit stigma geteekend. De vrees voor zulk een behandeling zou maken, dat degenen, die van de zaak af weten en door hun getuigenis aan het recht onschatbare diensten kunnen be wijzen, zich opzettelijk stil zouden houden of verklaren niets te weten. En waar zoo doende de getuigen ontbreken zouden, zou de rechter ook geen recht kunnen spreken

Toch is het misschien niet kwaad, dat het Arnhemsche hof tot zulk een extravagantie verviel, omdat juist daardoor de oogen geopend zijn geworden voor de k ernstige gevaren, die aan deze inmenging der psychiatrie verbonden zqn en herhaling van dit experiment dientengevolge wel niet licht meer zal voorkomen, nu de publiekt: n opinie zoo kras haar oordeel daarover heeft uitgesproken.

Onzerzijds was reeds lang en ernstig tegen dit toegeven aan de eischen det psychiatrie gewaarschuwd. De verkeerde be-.schouwing, die in eiken misdadiger eigenlijk een soort krankzinnige ziet, en daarom eischt, dat in elk geval de psychiatrie eerst zal hebben uit te maken, in hoeverre de aan geklaagde toerekenbaar is, voordat de rechter aan het woord komt, ondermijnt heel de rechtspraak en tast het rechtsbewustzijn van ons volk aan. En al is de rechtbank in den laatste» tijd gelukkig meermalen lijnrecht tegen het oordeel der psychiaters ingegaan, toch is het goed, dat er thans in heel het land een kreet van verontwaardiging is opgegaan, nu de rechters niet alleen de aangeklaagden, maar ook de getuigen aan zulk een medisch onderzoek onderwierpen. Wat het Arnhemsche hof gelastte, was consequent, maar juist deze consequentie heeft getoond, hoe vitieus heel dit stelsel is.

En niet minder belangrijk achten we, dat de publieke opinie thans openlijk den staf gebroken heeft over de dwaasheden, waartoe de psychiatrie dreigt te vervallen. Dat er uitnemende psychiaters zqn, die nog gezonde opvattingen huldigen, erkennen we dankbaar, en tegen de wetenschap der psychiatrie als zoodanig hebben we geen het minste bezwaar. Maar wel komen we op tegen de tegenwoordige richting in de psychiatrie, die al wat niet precies met den door haar aangelegden maatstaf overeenkomt, voor psychisch abnormaal verklaart. Op deze wijze kan men overal, waar het peil beneden het gewone daalt of boven het gewone stijgt, van idioten, imbecielen of krankzinnigen spreken. Thans treft dit oordeel een groep eenvoudige boeren uit Papendrecht en heel het land ergert er zich aan, dat de psychiaters ze voor half gek hebben verklaard, omdat ze op allerlei strikvragen niet precies hebben geantwoord, zooals de heeren met hun studeerkamergeleerdheid dit eischtcn. Maar straks kan dit oordeel even goed treffen mannen van hoogstaande ontwikkeling als letterkundigen, kunstenaars, professoren enz., die ietwat van het gewone type afwijken. Men zegge niet, dat dit overdreven is. Wie de studiën dezer psychiaters kent, weet, hoe het haast een mode onder hen geworden is, om bij allerlei beroemde personen, veldheeren, kerkhervormers, dichters, wereldveroveraars naar ziekelijke afwijkingen van den geest te zoeken en hun genialiteit uit eea soort krankzinnigheid te verklaren. Zoo heeft men met de profeten van Israel - en met den Apostel Paulus, met Luther enAugustinus, met Shakespeare en Schiller, met v Caesar en Napoleon gedaan. En wekt reeds b deze dwaze poging uw ergernis, omdat ge m deze genieën te hoog stelt om het slachtoffer b van deze modewetenschap te worden, die z ergernis stijgt tot de bitterste verontwaardi­ ging, wanneer ge ziet, dat deze psychiatrie zelfs het heiligste niet spaart en ook aan den persoon van Christus zich vergrijpen durft. Niet alleen Dr. G. Lomer, geneesheer aan het Holsteinsche provinciale krankzinnigengesticht, maar ook Binet Sacglè, hoogleeraar aan een Franscfae school voor p ychologie, gaf een studie uit over Christus, waarin getracht wordt aan te toonen, dat onze Heiland aan hallucinatiën leed en waanzinnig was. De titel van deze laatste studie luidde zelfs: La folie de Jésus.

Een psychiatrie, die tot zulke excessen voert, toont daarmede, hoe weinig waarde aan haar zoogenaamde „wetenschappelijke adviezen" kan gehecht worden. Ze is een jonge wetenschap, die nog pas de eerste schreden heeft gezet op een uiterst moeilijk terrein, waar exacte en voor ieder vaststaande resultaten uiterst moeilijk zullen te krqgen zqn, omdat het zieleleven van den mensch altoos een verborgenheid blijft. Maar daarom past haar te meer groote bescheidenheid, waar ze op publiek terrein optreedt. En zeker mag bij onze rechtsspraak de beslissing niet naar haar handen worden overgebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1910

De Heraut | 4 Pagina's

Door schier heel de pers

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 december 1910

De Heraut | 4 Pagina's