Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Vereenigingsleben.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vereenigingsleben.

7 minuten leestijd

CONCENTRATIE.

Onlangs werd er door ons op gewezen, dat de toestand van het Christelijk onderwijs oog geenszins zóo is, dat van rechts gelijkheid met het openbaar onderwijs kan worden gesproken.

Deze zienswijze werd'n paar maanden geleden verdedigd in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar op 21 Deo. 1910 de heer Van der Molen ongeveer aldns sprak:

De volledige oplossing van het subsidiestelsel zal moeten dienen tot grondslag van een goed volksonderwijs. Het vraagstuk is nog allerminst, opgelost, zoolang de gemeentekas gesloten blijft voor bet bijzonder onderwijs. Dat is een stuitende ongelijkheid. Moet men daarvoor nu den school strijd heropenen? Niet in den ouden vorm. Het komt aan op rechtvaardige toepassing van het stelsel van rechtsgelijkheid, op voortzetting van de onderhandelingen over het vredestractaat. Vooral in de groote steden, met de groote scholen, is het subsidievraagstuk buitengewoon belangrijk, wijl men daar, bij het openbaar onderwijs, reeds laog gebroken heeft met het wettelijk maximum van 55 leerlingen per onderwijzer en tal van sumumeraire onderwijzers heeft, die geheel ten koste van de gemeente komen, daar het Rijk er geen subsidie voor betaalt. Het bijzonder onderwijs kan niet bij het openbaar onderwijs ten achter blijven en zou dus dienzelfden weg moeten opgaan, maar dit zou het gevolg hebben, dat de ouders en belangstellenden weer meer moesten bijpassen.

Dit alles geldt zelfs voor een stad als Utrecht, L waar meer leerlingen op de bijzondere dan de K openbare scholen gaan, en niettemin de kosten Bsh van deze laatste geheel worden bestreden uit de gemeentekas. En nu gaat het hier niet om kleine sommen. Ia Amsterdam b.v. kostte in 1909 het openbaar onderwijs ruim 3 millioen gulden, en na aftrek van de rijksbijdrage en het schoolgeld, bleef er voor de gemeente nog 3I/2 millioen te betalen over. Waar er 63.303 leerlingen waren, kostte iedere leerling de gemeente dus /35 46. Op de bijzondere scholen gingen dat jaar ruim 35.800 leerlingen, zoodat, naar denzelfden maatstaf berekend, de gemeente daarvoor zou hebben moeten betalen/860.876. Dat dit niet geschiedt, is een rechtsongelijkheid, die de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs tegenhoudt, en die Temmend werkt op de oplossing van de groote onderwijsproblemen van den laatsten tijd.

Temeer omdat we bovendien nog hebben de ongelijkheid ter zake van de bouwkosten, welke ongelijkheid even storend en belemmerend werkt. Deze ongelijkheden zullen moeten worden opgelost; zoolang ze blijven bestaan, zal er strijd blijven.

Aldus ongeveer de heer Van der Molen, die een uitnemend werk deed, door er op te wijzen, met name wat betreft de groote steden, dat er geen sprake is van zwemmen in het geld door het bijzonder onderwijs.

Voorshands zal er wel geen denken aan zijn, dat de ongelijkheid tusschen openbaar en bijzonder onderwijs zal verdwijnen. Voor het oogenblik althans kan er volgens Minister Heemskerk geen sprake van wezen, van de Regeering te verlangen, dat zij thans reeds moet komen met een oplossing van dit vraagstuk en wel in den zin van gemeentelijke subsidieering van het bijzonder onderwijs.

Intusschen is het geldvraagstuk niet het eenige aoeilijke, waarvan het bijzonder onderwijs in de groote steden de oplossing heeft te zoeken.

Utrecht, dat meer kinderen op de bijzondere dan op de openbare school ziet gaan, levert wel het bewijs, dat de bestaande rechtsongelijkheden niet bij machte zijn om het geloofswerk, dat door het bijzonder onderwijs verricht wordt, tegen te honden.

Ook in andere groote steden geeft het bijzonder onderwijs een gezonden groei te zien, al is het ook volkomen waar, dat de ontwikkeling ervan geen gelijken tred houdt met de behoefte aan en de vraag naar plaatsing van kinderen op de bijzondere school. Dat leert bijv. Den Haag, waar men reeds drie jaar geleden geconstateerd heeft, dat er kinderen van Gereformeerden huize wachtende zijn op plaat sing op de bijzondere school, maar waar de nieuwe school, die aan de aanvraag moet voldoen, er nog niet is.

Er is echter een ander en misschien nog ernstiger bezwaar, waarmede het Christelijk onderwijs in de steden heeft te worstelen. Hoe meer scholen er namelijk komen, hoe meer behoefte er ontstaat aan mannen, die tijd en gelegenheid hebben om een werkzaam aandeel te nemen in het besturen der scholen.

Men kan vaak hooren klagen, dat men haast niet meer , weet, hoe de bestuursplaatsen bezet moeten worden.

Dat is niet bevreemdend. Immers 'als men nagaat, dat iedere school een bestuur heeft bestaande uit 7 leden op z'n minst, dan moet men voor een 5-tal scholen, zal er eenige wisselbg mogelijk zijn, en zal er eenige keuze openblijven, kunnen beschikken over een 70-tal mannen, die voor een bestuurslidmaatschap in aanmerking kunnen komen.

Daar komt bij, dat iedere nieuwe school, die in een stad verrijst, eenige contribuanten van de bestaande scholen aftrekt en naar zich toe baalt. Dit heeft niet al te groot finantieel bezwaar, indien men de oude scholen op goeden finantieelen grondslag gezet heeft, maar wel, als dit laatste niet het geval is, en in ieder geval is het in zoover bedenkelijk, als de deelnemers aan de schoolvergaderingen gaandeweg slinken.

„We kunnen geen mannetjes meer bij elkaar krijgen", en: „we kuimen geen bestuursleden meer vinden", dat zijn dan ook de klachten, die men den laatsten tijd maar al te veel moet hooren !

De vraag is dan ook, of er geen aanleiding en goede reden is, om in de toekomst in de groote steden zooveel mogelijk een concentratiestelsel in praktijk te brengen.

Dit kan aldus, dat men verschillende, natuurlijk gelijkgezinde, vereenigingen in elkaar oplost, oodat zij één kas krijgen, één stel leden en begunstigers en één bestuur. Wel te verstaan één centraal bestuur, want uit dat centraal of hoofdbestutu: kunnen dan verschillende commissies benoemd worden, waarvan elke belast s met de zaken van één school.

Men kan b.v., als men vijf scholen heeft, iedere school laten bebeeren door drie bestuurderen, of wel door een commissie van drie leden, waarvan er twee leden van het centraal bestuur zijn, die zich een gewoon lid der vereeniging als derde assumeeren of zich een derde door het centraal bestuur ofdevereeniginglaten toevoegen. Dan krijgt men, als men één voorzitter, secretaris en penningmeester voor het generale beheer neemt, een bestuur van 13 of hoogstens 18 leden, in plaats van 5 besturen van 7 leden. Dat scheelt de helft !

Wil men deze centralisatie niet, dan kan men een uitweg zoeken door de besturen kleiner te maken. Vier of vijf man kunnen een school even goed besturen als zeven of meer.

Men kan dan trouwens nog wat verder gaan en het gebrek aan bestuurskrachten opheffen door te breken met het stelsel, dat, zoo niet in de theorie, dan toch in de praktijk gehuldigd wordt, het stelsel n.l., dat een vrouw geen bestuurslid eener Christelijke school kan zijn.

Er zijn vrouwen, die tijd en gaven genoeg hebben, om zich als bestuurslid esner Christeijke school hoogst nuttig en verdienstelijk te maken, al erken ik ook, dat bij de keuze van vrouwelijke bestuursleden groote voorzichtigheid betracht zou moeten worden.

Echter bedenke men wel, dat deze laatste plossing — beperking van het aantal bestuurseden en opname van vrouwelijke elementen — wel is een oplossing van het bezwaar, gelegen n het gebrek aan bestuurskrachten, maar niet an het bezwaar, dat veroorzaakt wordt door de erdeeling der finantieele krachten, en ook niet an het bezwaar, dat tot uiting gebracht wordt n de zooeven aangehaalde klacht, dat men op e ledenvergadering geen menschen meer bijen krijgt.

Deze bezwaren worden alleen weggenomen oor het concentratiestelsel, dat meerdere cholen onder één vereeniging brengt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 juli 1911

De Heraut | 4 Pagina's

Vereenigingsleben.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 juli 1911

De Heraut | 4 Pagina's