Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Hedenmiddag te 3 uur vond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hedenmiddag te 3 uur vond

8 minuten leestijd

Amsterdam, 20 October 1911.

Hedenmiddag te 3 uur vond voor een talrijke schare in het Gebouw voor den Werkenden Stand de overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit plaats. De aftredende Rector, Prof. Dr. H. Bavinck, hield daarbij een rede over „Modernisme en Orthodoxie", waarvan we hier het korte persverslag laten volgen:

De herieving der Gereformeerde Theologie, welke sedert het laatste vierendeel der vorige eeuw in ons vaderland plaats vindt, is een zoo opmerkelijk feit, dat het in de laatste juen ook ver buiten onzen kring de aandacht trok en de belangstelling wekte. Zelfs onder de moderne theologen hier te lande kregen althans enkelen de overtuiging, dat men voor dit verschijnsel niet langer de oogen mocht sluiten, en dat het de moeite waard was, om, al ware het alleen om het historisch belang, er met eenige nauwkeurigheid kennis van te nemen. Deie kennisneming viel echter in den regel niet tot ons voordeel uit. Wel leidde zij tot eenige meerdere waardeering van ons bedoelen en streven, maar ten slotte liep zij toch uit op de ta ernstige beschuldiging, dat wij een dubbelzinnig standpunt innamen, noch modern noch orthodox, noch naturalistisch noch supra-naturalistisch waren, en dat wij dus het best en het eerlijkst handelden, als wij naar het kamp der modernen verhnisden en daar onze tenten opsloegen. Van deze aanklacht wilde Prof. B. het karakter en de strekking in het licht stellen en tevens de poshie aanwijzen, welke wij tegenover haar hebben in te nemen.

Daartoe wees hij in de eerste plaats op de groote verandering, die er door de nieuwere natuur-en geschiedwetenschap in onze wereldbeschouwing aangebracht was, en legde daarbij vooral nadruk op de onmetelijkheid van het heelal, welke meer dan vroeger tot onze kennis was gebracht. Toch aanvaarden wij die vermeerdering van onze kennis gaarne en dankbaar, omdat God ook in deze eeuw regeert en in onzen tijd bezig is, groote dingen te doen. Wij zijn en willen zijn kindeten van dezen tijd, en nemen dankbaar elke goeds gave aan, welke de Vader der lichten in deze eeuw ons schenkt.

Maar wanneer wij zoo met beide voeten in dezen tijd positie nemen, werdt ons toegeroepen, dat wij dan ook consequent en eerlijk moeten zijn, de aloude Christelijke en Gereformeerde belijdenis moeten laten varen, en met al ons hebben en houden naar het legerkamp der modernen verhuizen moeten. Van onze halfslachtigheid geven wij toch zelven bewijs, doordat wij alle dogmata van voorbeschikking, voorzienigheid, openbaring, wonder, ingeving, wedergeboorte, gebed enz., zóó wijzigen naar de nieuwere wereldbeschouwing, dat zij hun oorspronkelijken zin zoo goed als geheel verliezen. De hedendaagsche orthodoxie, zoo zegt men, bestrijdt het supranaturalisme, zij heeft er zoowel in beginsel als in toepassing mede gebroken, zij aanvaardt de moderne wereldbeschouwing en staat op denselfden bodem, als de vtijzinnigen; en toch brengt zij de gemeente in den waan, dat zij de leer der vaderen handhaaft, en wekt zij den indruk, dat zij de vrijzinnigen principieel bestrijdt. Daarbij voegt zich dan, evenals op politiek gebied, de klacht, dat er in den tegenwoordigen toestand det partijen iets door en door onwaars is, dat de benaming en de indeeling der richtingen niet deugt, en dat er zoo spoedig mogelijk eene andere partggroepeering moet komen. Zelfs zijn er al pogingen aangewend, om dezen wensch in vervulling te doen gaan, maar zij werden tot dusver met weinig succes gekroond.

Deze aanklacht kan nu in zooverre als jaist worden erkend, als de namen orthodox en modern zeer ongeschikt zijn, om de tegenwoordig bestaande richtingen met genoegzame duidelijkheid aan te wijzen. De Universiteit die heden baar jaardag viert, is dan ook niet op orthodoxen, maar op Gereformeerden grondslag gebouwd, en deze naam verdient verre de voorkeur. Want daarin ligt eenerzijds opgesloten aansluiting aan het verleden, historische continuiteit, handhaving van de Christelijke belijdenis, zooals ze in de Reformatie overeenkomstig de H. Schrift van Roomsche dwalingen gezuiverd werd; en anderzijds de eisch en de plicht, om naar deze Schriftuurlijke en histo rische beginselen leer en leven van eigen persoon en gezin, en voorts van onze gansche omgeving voortdurend te herzien. Zoo is het ook met de namen naturalistisch en supranaturalisdsch gesteld. Ia de historische beteekenis passen zij op de modernen en orthodoxen niet, en wanneer het laatste woord in zijn etymologischea zin genomen wordt, zijn er tal van modernen, die het snpranatnralisma nog volstrekt niet ten eeuenmale overwonnen en uitgebaiïuen hebben. Trouwens, de quaestie van het supr.tnaturaiisme is lang zoo eenvoudig niet, als de modernen zich aanvankelijk hebben voorgesteld; ze hangt met het Christendom en met het wezen van den godsdienst zelven onverbrekelijk samen.

Daarbij komt, dat de moderne wereldbeschouwing, die indertijd de sterkte der moderneD was, in de laatste j*ren belangrijk gewijzigd is en een veel minder anti supranaturalistiscb karakter draagt dan een vijf-en-twintig en vijftig jarea geleden. De overtuiging heeft weer bij velen post gevat, dat de mensch niet uit de stoffelijke wereld verklaard kan worden, maar dat de wereld moet verstaan worden uit dett mensch, of liever uit den geest, de idee, de rede, die aan alles ten grondslag ligt. Daarom is de religie in vele kringen weer in eere gekomen en keeren de oude begrippen van openbaring, wonder, wedergeboorte enz. op vele lippen terug. De wetenschap won aac bescheidenheid, en het woord onmogelijk wordt lang zoo haastig niet meer uitgesproken. Alle godsdienst nu, met name het Christendom, sluit ia, dat God tot mij persoonlijk in relatie treden en met mij gemeenschap oefenen kan, en is dus supra-naturaiistisch. Wel is waar, doel de wetenscbap ons God niet op die wij se kennen; men . zou integendeel met eenig recht kunnen beweren, dat de nieuwere wetenschap, met hare vermeerdering van onze kennis aangaande de tweede, natuurlijke oorzaken. God van ons verwijdert en Hem achter de natuur voor ons verbergt. Maar even zeker is, dat de godsdienst, dat is de mensch zelf in de kern van zijn wezen, daarin niet rusten en daarbij niet leven kan. Hij verlangt naar een God, die hem nabij is, die zijn gebed hoort en redt uit den nood.

Zoo komt er in zekeren zin een strijd tusschen dien God, dien de natuur ons doet kennen, en dien God, welken ons hart behoeft. En velen zijn er in den nieuweren tijd, die om deze reden de eenheid Gods loochenen en tot het du»lisme, pluralisme en polytheisme tetugkeeren. Maar de Schrift handhaaft de eenheid van natuur en genade, van schepping en herschepping, van dien God, die uit de werken zijner handen zijne eeuwige kracht en goddelijkheid doet kennen, en van den Vader van onzen Heere Jesus Cüristus. En de theologie wandelde in dit zelfde spoor, als zij naast de onmededeelbare, ook mededeelbare eigenschappen aan God toekende en met behulp van wijsbegeerte en andere wetenschappen haar eigen inhoud beter trachtte te leeren verstaan.

Soortgelijk is de roepiog, welke in den tegenwoordigen tijd op alle Chiistenen, inzonderheid die van Gereformeerde belijdenis rust. Wetenschap en leven stellen ons beide voor een aantal ontzaglijke problemen, waarbij het Christendom meer dan ooit zijne catholiciteit te bewijzen heeft en het Evangelie toonen moet, dat het een woord is voor alle volken, tijden en toestanden. Indien wij daarbij uitgaan van de overtuiging des geloofs, dat algemeene en bijzondere openbaring afkomstig zijn van denzelfden God, dat zijne absolute verhevenheid boven alle schepselen, zijne verwantschap aan en zijne gemeenschap met den mensch niet uitsluit, dan mag die roeping moeilijk zijn en zeer vele gevaren van dwaling en afwijking met zich brengen, maar onmogelijk te ver vullen is zij dan niet.. Want het is dan een en dezelfde waarachtige en levende God, die in Christus zijne barmhartigheid openbaart en die tevens, door middel van de nieuwere natuuren geschiedwetenschap, van zijne eeuwige kracht en goddelijke majesteit getuigenis geeft.

Met het wereldbeeld van den tegenwoordigen tijd komen wij daarbij niet in strijd. Dit zou wel zoo zijn, wanneer de wereld slechts monistisch te verklaren ware; maar dat is in geenendeelehet geval. Het monisme wordt in zijne verschillende vormen door de bestaande ongelijkheid in de wereld zoo stellig weersproken en offert de verscheidenbeden en tegenstellingen onder de schepselen zoo roekeloos aan eene abstracte en vage formule op, dat het uit reactie zelfs het pluralisme en het polytheïsme in het leven riep. De wereld is niet ééae in monistischen zin; integendeel, zij is eindeloos verscheiden, verscheiden in schepselen, in gaven, in krachten, in wetten, in werkingen. In die rijke, veelvormige wereld neemt de bijtondere openbaring eene plaats der eere in, want zij draagt een eigen karakter, heeft een zelfstandigen inhoud, wordt door eene eigene wet beheerscht, en zij vormt grondslag en inhoud van den Christelijken godsdienst, die beheerscht wordt door de wet des geestes des levens in Christus, welke vrijmaakt van de wet der zonde en des doods. Ea alles wordt saamgehouden door den almachtigea, wijden en heiligen, batmhartigen en genadigen wil van Hem, die onze Vader in de hemelen is. Ia de hemelen—opdat wij van Zijne hemelsche majes'eit niet aardschelijk deoken souden, en nogtans onze Vader, opdat wij ten allen tijde met kinderlijke vreeze en toevoorzicht op Hem vertrouwen zouden.

Op de beteekenis dezer schoone rede, die reeds bij het huoren diepen indruk maakte, zal de verzorger onzer Leestafel wel het rechte licht voor onze lezers doen vallen. Hier zij het ons alleen vergund, onzen harte! ij ken dank uit te spreken voor dit zakelijk en degelijk pleidooi, waardoor de aanklacht van moderne zijde tegen ons ingebracht, ontzenuwd werd, als zou het Calvinisme van onze dagen ontrouw zijn geworden aan het Gereformeerde beginsei en feitelijk op de basis van de moderne wereldbeschouwing zijn overgegleden. Het was noodig, dat deze telkens herhaalde beschuldiging weerlegd werd, en zeker was niemand hiertoe meer aangewezen dan Prof. Bavinck.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 oktober 1911

De Heraut | 4 Pagina's

Hedenmiddag te 3 uur vond

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 oktober 1911

De Heraut | 4 Pagina's