Dr. Slotemaker de Bruine wijst
Amsterdam, i Dec. 1911.
Dr. Slotemaker de Bruine wijst in zijn artikel: De volkstelling en de Hervormde Kerk, ook de middelen aan, waardoor naar zijn overtuiging de achteruitgang der Kerk en het toenemen der godsdienstloozen te stuiten is. Die middelen zijn volgens hem tweeerlei: Sociale arbeid en Kerkelijk werk.
Van het eerste zegt hij: "
De sociale vraagstukken dringen zich overal naar voren, dringen zich overal naar binnen. Zij komen in het doen, in het denken, in het gemoedsleven van ons volk al breeder in. Het is louter oppervlakkigheid, te meenen, dat de kerk dit terrein onbearbeid mag laten. Wie dat zegt, kent noch het sociale leven noch de ziel van ons volk. Maar onze kerk werkt hier niet en kan hier ook niet werken. Zij brengt aan haar aanstaande predikanten zelfs de eenvoudigste beginselen niet bij van de sociale vragen. Als een zeer ontwikkeld en invloedrijk stadspredikant dezer dagen in diepen ernst kon zeggen: „De sociale beweging bedoelt, buiten Christus om de inenschen te helpen", dan wordt het nu nog tijd, dat eenige elementaire kennis wordt bijgebracht. Zoolang het mogelijk is, dat een ontwikkeld christen iets dergelijks denkt, staat het wanhopig met het „onderscheiden van de teekenen der tijden" door de kerk.
Maar zelfs omtrent de inwendige zending laat onze kerk haar aanstaande predikanten niet inlichten. ...
Misschien zal het helpen, als men weet, dat de aanstaande kapelaan wel college loopt in sociologie. En niet weinig.
Wanneer er kennis was van de vragen en gevoelen van da vragen, zouden er ook wel daden komen. Het gedrag van de Engelsche kei ken met haar„Brotherhood"-bewegiDgeB van de Fransche Protestanten met hunne „Fraternités" zou dan ook in Nederland den weg kunnen wijzen, hoe men breede volksscharen weder voor de kerk, dan voor het Evangelie, dan voor den Heer kan winnen.
Van het tweede:
Herderlijke arbeid. Als ik niet moede word, daarvoor te pleiten, dan is dat waarlijk niet, omdat ik — oppervlakkig — de zaak zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk uitvoerbaar vind. Ik voel, ervaar inderdaad de bezwaren. Daar is eenerzijds het onbillijke eischen der menschen; met de groolste gemakkelijkheid vragen zij de onmogelijkste dingen, en met een rustig, naief gemoed eischen zij, wat niemand mag eischen. Een ernstige belemmering vooral hierom, omdat het nu onmogelijk wordt, de gemeente ooit te voldoen. Men zal over ons klagen, als wij onzen plicht rustig en genoegelijk verzuimen; men zal ook over ons klagen, als wij ons verteren in werk voor anderen.
Gevaar ziet Dr. Slotemaker de Bruine vooral in de neiging van de predikanten In onze dagen om hun tijd en kracht te geven aan allerlei arbeid buiten de gemeente en da%rdoor hun kerkelijk werk te verzuimen. Uit-en inwendige zending, christelijk •N onderwijs en bestrijding der volkszonde, christelijke pers en christelijke wetenschap, dat alles legt beslag op den ti^d van de predikanten, en op zichzelf Is dit alles ook uitnemend, maar de klacht is, dat door dezen arbeid buiten de gemeente geen tgd overblijft voor hetgeen de eerste plicht is van den Dienaar: trouw herderlijk bezoek.
En toch moet ondanks deze bezwaren op het herderlijk werk in den breedsten zin worden aangedrongen. Want er moet worden bewaard en er moet worden teruggewonnen. Niet enkel op de prekikanten heb ik het oog; ook op ouderlingen; ook op allerlei krachten in de gemeente, die helpen kunnen.
En ik denk niet alleen aan bezoeken. Er is meer te doen. Ook dit ernstige is te doen, dat het vertrouwen in den werklust en den ernst der predikanten moet worden herwonnen. Het treit mij telkens, hoe sceptisch op deze punten zelfs onze welmeenende en belangstellende gemeente-leden gestemd zijn. En wat denken dan de anderen 11 Etnst bij de predikanten ? Maar zij verzetten telkens catechisatie uren of laten ze stilstaan; blijkbaar, omdat zij iets dringenders te doen hebben dan hun plicht. Maar afspraken tusschen predikanten omtrent het overnemen van catechisanten, omtrent de aanneming tot lidmaat bestaan haast niet; zoodat de regellooze leerlingen ongestoord hun spel spelen en toch wel lidmaat worden. Mzar van een regeling der vacanties blijkt niets; meer dan de helft predi kanten is tegelijk weg en meer dan de helft der predikbeurten wordt door vreemden waargenomen. Ernst?
Voor de groote steden, waar het kwaad het ergst is, meent Dr. Slotemaker de Bruine, dat bijzondere maatregelen moeten worden genomen. Hij toont eerst uit het voorbeeld van Utrecht aan, hoe zelfs onder het thans bestaande regime van de éé. en ondeelbare stadskerk, toch door betere ordening van de wijken en afbakening van den arbeid niet onbelangrijke voordeelen zijn te verkrijgen. Hq pleit voorts voor invoering van een kerkelijk bevolkingsregister, zooals de Roomschen te Amsterdam hebben, en waaraan niet het minst te danken is, dat ze in Amsterdam percentsgewijze zich niet alleen staaiide hielden, maar vooruit gingen. Hij dringt nogmaals aan op paro chieverdeeling en wil dat daarbij ook rekening gehouden zal worden met een betere verdeeling der kerkgebouwen over de stad. Ook waar die parochieverdeeling nog niet bereikt kan worden, wil hij betere wijk verdeeling, doordat men breke met het stelsel van de massale wijken, die voor geen predikant te bearbeiden zijn en geen wijk grooter maken dan van 3030 zielen; de arbeid voor een klein gedeelte goed verricht, is beter dan voor een groot gedeelte slecht verricht. Concentreering van de kracht op een stuk van de gemeente, om dit zoo intensief mogelijk te bearbeiden en dan van dit middelpunt uit een langzaam uitbreiden van den arbeid naar de andere deelen, schijnt hem de beste opfóssing.
En eindelijk dringt hg aan op inwendige zending:
Voor de grootste steden met de grootste wijken is de inrichting van een Evangelisatiearèeidvan een kerkelijke stads zending onmisbaar, De kerken kunnen langs de gewone officieele wegen vooreerst beur verloren kinderen niet zoeken; dan moet het geschieden langs ofücieusen weg. Door personen met speciale gaven daarvoor. Met middelen daarvoor juist geëigend. In een organisatie, die wat soepeler is en wat minder stram werkt dan de kerkelijke.
Dit werk zou van den aanvang af moeten bedoelen, zich intekrimpen naar mate de kerk haar arbeid uitbreideik zal. Als deze er waarlijk in slaagt, allen weder genoegzaam te bereiken en het verlorene weder te vinden — dit ideaal mag onze kerk nooit uit het oog verliezen — dan moet de aparte Evangelisatie-arbeid zich terugtrekken. Het is hard voor een kerk, die zich met alle toewijding inspant om haar werk te doen, als zij steeds het stille verwijt moet hooren, dat „zij het toch niet kan." Maar zoolang zij haar werk niet doet, - mag en moet zij wel hooren, dat zij het niet doet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 december 1911
De Heraut | 4 Pagina's