Het vraagstuk van de
Het vraagstuk van de „erkende kerkelijke feestdagen" is een nieuw stadium Ingetreden, nu de Roomsche Kerk de tweede feestdagen niet meer beschouwt als dagen, waarop niet meer gearbeid mag worden.
Volgens onze Zondagswet, wier hand' having overigens niet al te streng is, mag op algemeen erkende feestdagen gedurende de godsdienstoefeningen geen publieke arbeid verricht worden. Feitel^k staan voor de wet deze algemeen erkende feestdagen met den Zondag gelijk en wordt daarom op die dagen dan ook officieel rust gehouden. En zelfs komt het een enkele maal voor, dat de rechtbank degenen, die op deze feestdagen publleken arbeid verrichten, tot boete veroor deelt.
Eenige moeite leverde alleen de vraag op, welke feestdagen als „algemeen erkend' moesten worden beschouwd. Zoo was er verschil over de vraag, of ook de Hemel vaartsdag een algemeen erkende feestdag was en is hierover'nog niet zoolang geleden in Goes een proces gevoerd, dat hiermede eindigde, dat de Hemelvaartsdag niet erkend werd als algemeen erkende feestdag. Predi kanten van verschillende Kerken moesten toen bij den Kantonrechter komen, om getuigenis te geven, hoe In hun Kerk over den Hemelvaartsdag als „feestdag" werd gedacht.
Nu de Paus de tweede „feestdagen" In dien zin heeft afgeschaft, dat het niet verboden is, op deze dagen te arbeiden, is van Roomsche zgde een actie begonnen, om een beslissing van de rechtbanlc uit te lokken, dat voortaan in Nederland deze tweede feestdagen ook niet meer zullen gerekend worden tot de „algemeen erkende feestdagen" te behooren. De redeneering is dan deze, dat waar een zoo talrijk Kerkgenootschap als het Roomsche deze tweede feestdagen heeft afgeschaft, de Overheid des lands deze tweede feestdagen ook niet meer beschouwen kan als „algemeen erkend" Beslist de rechtbank, dat het publiek arbeiden op deze tweede feestdagen voortaan geoorloofd is, dan zal consequent hieruit ook volgen, dat de Orarheid deze tweede feestdagen niet langer als rustdagen kan beschouwen en zullen dus de takken van dienst, die van de Overheid uitgaan of onder haar controle staan, zooals postergen en spoorwegen, die dagen als gewone dagen, hebben te beschouwen.
Als Gereformeerden hebben we tegen deze verandering In de beschouwing van de „tweede feestdagen" op zich zelf zeker geen bezwaar. Reeds Calvijn heeft er zich tegen verzet, dat men deze tweede feestdagen op één lijn stelde met den Zondag en het ar' belden op deze dagen als ongeoorloofd beschouwde. Onze Gereformeerde Synodes In de i6e eeuw hebben lang genoeg ge worsteld om deze tweede feestdagen afgeschaft te krijgen, en ze hebben slechts schoorvoetend en noode in het voortbestaan dezer feestdagen berust, omdat de Overheid en het volk er te veel aan gehecht waren. Voetius bleef er zijn leven lang tegen getuigen en h^ beschouwde ze als het „Carthaginem delendam" van onze Gereformeerde Kerkenorde. En al mag in onze dagen de puritelnsche afkeer van alle feestdagen als „menschelijke Instellingen", die alleen de hooge beteekenis van den Sabbath als den door God Ingesteldea rustdag verdonkeren, niet meer zoo sterk wezen en zelfs plaats hebben gemaakt voor een zekere waardeering voor deze „dagen van goede boodschap", waarop de groote heilsfeiten herdacht worden, '-^ toch zou de afschafüQg van de tweede feestdagen zeker geen te zwaar offer zijn. Vooral in de drukke week van Kerstmis en Nieuwejaar wordt schier het bovenmenschelijke van onze predikanten gevergd en toont ook de geringe opkomst van de gemeente wel, hoe deze tweede feestdagen zonder schade konden worden gemist. In tal van onze Kerken Is dan ook ditmaal, nu de beide Kerstdagen terstond na den Zondag volgden, den tweeden Kerstdag geen godsdienstoefening gehouden. Het bezwaar, dat door het wegvallen dezer tweede feestdagen aan degenen, die anders op deze dagen vrij-af hebben, een deel van hun vacantiedagen ontnomen wordt, zou gemakkelijk te verhelpen wezen, doordien men evenals In Engeland zekere nationale vacantiedagen instelde. Miar al hebben we tegen het wegvallen dezer tweede feestdagen geen bezwaar, en al zouden we het zelfs toejuichen, wanneer de verschillende Christelijke Kerken eenparig konden besluiten om ze af te schaffen, wel achten we het bedenkelgk, dat één Kerk deze tweede feestdagen afschaft en dan van de Overheid eischt, dat zij voortaan deze dagen niet meer onder de algemeen erkende feestdagen zal opnemen. En zelfs maakt het een ietwat zonderlingen indruk, dat terwijl deze tweede feestdagen door de Roomsche Kerk zijn ingevoerd en door naar invloed tegen den zin onzer Gereformeerde Kerken In ons volksleven zijn blijven voortbestaan, het thans juist deze Kerk is, die, omdat de Paus tot een ander inzicht kwam, terstond eischt, dat de Overheid deze dagen niet meer erkennen zal. In een land met een Roomsche bevolking zou dit te begrijpen wezen, maar In een land, waar de overgroote meerderheid protestantsch Is, schijnt ons deze handelwijze toch minder gewenscht toe.
Doch hoe men hierover ook denken moge, In elk geval blijkt hieruit opnieuw, hoe noodig het is, dat onze Zondagswet herzien worde. En dan zou het zeker gewenscht zgn, dat de Otrerheid met de verschillende Kerken, wier belang het hier niet het minst geldt, ruggespraak hield, om te bepalen welke dagen als algemeen erkende feestdagen zouden te beschouwen z^n. De onbepaaldheid van de wet op dit punt geeft tot moeilijkheden aanleiding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 januari 1912
De Heraut | 4 Pagina's