Buitenland.
Engeland. De belijdenis Schriftcriticus. van een Schriftcriticus.
Dr. Marcus Dods, die een paar jiren geleden overleed, was Principal van het Free Church College te Edinburgh. Hij was een man van de Schriftciitiek, die met kwistige hand het zaad van twijfel aan Gods Woord gezaaid heeft. Maar het zaad dat hij in anderer harten zaaide, droeg ook in hem zelven vrucht, en uit zijn nagelaten brieven, nu door zijn zoon in het licht gegeven, blijktzonueklaar, dat die vruchten allesbehalve begeerlijk zijn. In een van die brieven komt de volgende uitlating voor, waaruit aan den dag komt boe geestelijk arm de door velen gevierde Principal zich voelde:
Ik ben een afvallige. Vroeger was het gebed mij een genot, maar sinds j^ren is het bij mij verstomd. Natuurlijk kan iemand altijd wel een gebed doen, maar bidden in den zin van om iets vragen, is in mijn leven niet van kracht gebleken. Ik bid nu, niet omdat ik bemoedigd werd door ervaring van gebedsverhooring, maar omdat Christus daarvan het voorbeeld gegeven, en het ons geboden heeft. Ik zou gaarne willen zien, wat een volgend geslacht van de dingen maken zal. Er zal een groote ommekeer komen op theologisch gebied, en de kerken zullen wanneer het vijftig jaren verder is, zichzelve niet meer herkennen. Het is te hopen, dat er nog een klein stukske geloof mag overblijven als alles klaar is. Wat mij aangaat, ik ben «oms ansch bedolven en zie in 't geheel geen hemel meer".
Men ziet hieruit, hoe door en door onwaar e bewering is, dat als men zich tegenover de eilige Schrift op critisch standpunt plaatst, en wel even goed het geloof kan behouden.
Duitschland. Een bedroevende uitpraak van het Spruchcollegium.
Eenige maanden geleden werden degenen die et Christelijk karakter van de Evangelische andskerk willen gehandhaafd zien, verblijd door e uitspraak van het „Spruchcollegium", waarij de Keulsche predikant Jatho werd afgezet, ijl dit lichaam van oordeel was dat deze preiker met. zijn ultra-moderne gevoelens niet eer de kerk dienen kon. Ten tweeden male eeft het Spruchcollegium gesproken en zijn belissing deed de liberalistische pers ttiumfeerend itroepen, dat men in de Pruisische landskerk e opstanding van Christus kan loochenen zonder at men daarvoor afgezet wordt. Dit geschiedde aar aanleiding van de zaak Heyn.
De predikant Heyn uit Greifswald was tot ierden predikant van de Kaiser-Wilhelm-Geachlniskirche te Berlijn verkozen. Tegen die erkiezing werd door onderscheidene leden dier erk geprotesteerd; dat protest was onderteekend oor Prof. Seeberg, Prof, Weisz, Senatsprasident r. von Strausz en anderen. In dit protest werd ewezen op den preekbundel, door pastor Heyn itgegeven onder den titel van „Der Herr ist er Geist", waarin hij zeide:
„Niets zet ons in ons inwendig leven zoo ammerlijk achteruit als de gedachte, dat het eheele Christendom bestaat in de belijdenis, at het bloed van Jezus Christus ons reinigt an alle zonde. Met deze belijdenis kan men uizenden vervoerd en op de meest alledaagsche manier bedrogen hebben."
Op grond van dien preekbundel was Heyn eeds in 1905 door den Oberkitchenrath niet toegelaten tot het houden eener proefpredikatie in de Berlijnsche Petri Kirche. Uit een ander eschrift van pastor Heyn, getiteld: „Jezus in het licht van de moderne Theologia", kwam aan het licht, dat hij „de heilsfeiten loochent en slechts de leer van Jezus, inzonderheid gelijk die in de Bergrede openbaar wordt, gelden laat. Het Evangelie van Johannes houdt hij voor onecht; ook bevatten de andere Evangeliën geen berichten Van ooggetuigen. De lichamelijke opstanding van Christus loochent hij." Op deze gronden kon pastor Heyn geen «egen voor de „Kaiser-Wilhelm-Gedachtniskitche" zijn.
Dit protest door mannen van beteekenis ingebracht, is door het Spruchcollegium voor ongegrond verklaard. Het beweert dat hel al jaren geleden is dat pastor Heyn niet in Berlijn tot bet houden eener proefpredikatie werd toegelaten, en dat sedert dien tijd er geen bezwaren tegen zijn prediking ingebracht werden, noch daarover, dat bij zijn prediking de grondleggende heilsfeiten op den achtergrond traden of wegvielen, noch daarover, dat hij de prediking die door de beslissing van den Opperkerkeraad veroordeeld was, voortgezet had. Dit was ook ambtelijk door den superintendent der diocese Greifswald bevestigd.
Wat de loochening der „heilsfeiten" betreft, vraagt het Spruchcollegium, welke bedoeld waren; de uitdrukking was te „onbestemd" en kon daarom niet ia aanmerking genomen worden. Wat het geschrift betreft: „Jezus in het licht der moderne Theologie", beweert het „Spruchcollegium", dat dit geen voordracht op den kanstl geweest was, maar een ernstige behandeling van moderne problemen. Wel ge«n bstoogen in „het aanhangsel" aanleiding tot ernstige bedenkingen. Wel geeft daarin pastor Heyn toe, dat volgens de geheel Nieuw-Testamentiache litteratuur geen feit zoo vast stond bij al de jongeren des Heeren, als de opstanding des Heeren. Maar het is moeilijk ja onmogelijk te bepalen, hoe de eerste jongeren tot deze overtuiging gekomen zijn. Hij meent dat dit te verklaren is uit den apostel Paulus, en daaruit leidt hij af, dat de opstanding dss Heeren niet lichamelijk geschied is, maar plaats heeft gehad op het terrein van het innerlijke leven, zoodat men te denken heeft aan een visioen. De vraag, wat er van het lichaam des Heeren geworden is, laat hij onbeantwoord, maar hij loochent de lichamelijke opstanding, In de gedenkwaardige ure op den weg naar Damascus heeft Paulus zijn Verlosser en Christus zijn baanbreker gevonden. Ten slotte wil pastor Heyn alleen van een opstanding des Heeren in den geest der apostelen weten.
Het „Spruchcollegium" was van oordeel, dat de preekbundel van Heyn niet in het geding kon gebracht worden, wijl die bundel geen tweede druk beleefden en Heyn dus ook niet in staat was om te doen, gelijk hij beloofd had, nl. een „verbeterde uitgaaf" in het licht te zenden; wel rekende het college met de volgende uitspraak van den aangeklaagde : „Met allen ernst heeft de prediking te rekenen met het feit, dat de individueele mensch en de gemeente niet van ontkenning, van protest, maar van het stellige, van het Evangelie leeft, en daarom mag in de prediking nooit critiek uhgeoefend worden om critiek uit te oefenen, maar het moet altijd geschieden met het doel, om het Christelijke leven op te bouwen; en alleen dan heeft zij oude vormen te verbeteren, wanneer deze niet meer het geheimenis en de grootheid des Heeren kunnen omvatten.... De prediking moet rekening houden met de zwakken van geest, met het feit, dat de gemeente historisch geworden is, met de denkwijze van de andere dienaren des Woords die dezelfde gemeente dienen, voor zooveel dit overeen te brengen is met de trouw jegens den Heer; in één woord, alles moet de prediker doen, wat de aanhangers van elke richting, ook dogmatisch andersdenkenden, in het diepst hunner ziel kan stichten."
Men ziet uit het bovenstaande, dat pastor Heyn, zoover als hem maar mogelijk was, is gegaan, om te laten gevoelen, dat hij als modern predikant toch niet zoover van de rechtzinnigen afstaat, en alles doet wat met zijn conscientie is overeen te brengen om geen e'gernis te geven. Maar dit neemt niet weg, dat het college erkent, dat pastor Heyn dj opstanding van Christus loochent en toch verklaart, dat dit geen grond is om hem af te zetten. Het hoogste bestuur in zaken de belijdenis der Kerk betreffende, heeft nu uitgesproken, dat in de Pruisische landskerk de loochening van de opstanding van Christus te vereenigen is met het uitoefenen van het leeraarsambt. De Apostel Paulus oordeelt er anders over. Deze spreekt: als Christus niet is opgestaan, zoo is. uw geloof ijdel.
De geloorigen in Duitschland zijn door deze uitspraak bedroefd en geschokt. Ook wij be treuren het, dat het Spruchcollegium niet bete de belijdenis der landskerk heeft kunnen hand haven. Worden de geloovigen nu niet in den weg der „Gemeinschaften" en van de secten gedreven ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 31 maart 1912
De Heraut | 4 Pagina's