Buitenland.
Noorwegen. De inwendige zending in kerkelijk spoor gebleven. De Gemeente faculteit en de examlnatie van candidateu.
Het jaar 1911 was voor de Luthersche kerk van Noorwegen niet zonder beteekenis. De vraag was van lieverlede aan de orde gekomen, of de „Vereeniging voor inwendige Zending" al dan niet den onkerkelijken weg op zou gaan. Onkerkelijk is het streven van den „Bond voor inwendige zending", die in het Westen van het land veel leden telt. Die bond wilde het woord „kerk" uit de statuten van de „Vereeniging voor inwendige zending" laten vervallen, en ook de bepaling, dat de vereeniging zooveel mogelijk met de predikanten der Luthersche kerk moet samenwerken. Op de vergadering in Arendal van I—4 Juli 1911 gehouden, handhaafde men echter de statuten en werden kerkelijke mannen als Prof Stöylen (leider van het practisch-theologisch seminarium aan de Universiteit) en prof. Taranger (hoogleeraar in het kerkrecht) gekozen. Prof. Dr. Odland, die achttien jaar lang voorzitter van de vereeniging voor inwendige zending geweest was, en die het onkerkelijk streven van sommigen welwillend gezind is, legde zijn ambt neder, omdat de vergadering tegen zijn advies besloot ook vrouwen het stemrecht te geven; welk recht zij reeds sedert 1904 in de „Vereeniging voor zending onder de Heidenen" hebben. Zijn plaats werd ingenomen door den predikant Sverdrup, leeraar in de kerkgeschiedenis bij de „Gemeentefaculteit", een soort van Vrije Universiteit. Wanneer . men weet dat de „inwendige zending" in Noorwegen ongeveer hetzelfde werk doet van de „Gemeinschaften" in Duitschland, dan begrijpt men dat het niet van gewicht ontbloot is, da de man die voorzitter is van de inwendige zending, tevens medewerkt tot opleiding van dienaren des Woords aan een instelling, welke gesticht werd omdat de Staatsuniversiteit geen waarborgen geeft dat de aanstaande leeraren der kerk onderwijs ontvangen in overeenstemming met de belijdenis der kerk.
De Gemeentefacttlteit bestaat nu reeds 3I/2 jaar. De jongelieden, die aan deze vrije instelling studeeren, moesten tot hiertoe hunne examens bij de 'Theologische faculteit der Staatsuniversiteit doen. Wanneer men nu weet, dat in deze faculteit het modernisme heerscht, en dat de Gemeentefaculteit haar een doorn in het oog is, dan begrijpt men, in welke moeilijke positie zij verkeerden die bij de Gemeentefaculteit gestudeerd hadden. Het is daarom verklaarbaar, dat ook jongelieden die niet vijandig tegenover de belijdenis der kerk staan, aan de Staatsuniversiteit gingen studeeren. Daarom is het des te verblijdender, dat het aantal studenten aan de Gemeentefaculteit steeds toeneemt; in 1908 waren er 12, tegenwoordig zijn er 26 studenten bij haar ingeschreven. Maar behalve die ingeschrevenen heeft de Gemeentefacultelt vele toehoorders, vooral bij de colleges van prof. Odland, terwijl ook de studenten der Gemeentefaculteit wel colleges van professoren der staats universiteit volgen. De uren van de colleges der Gemeentefaculteit worden met het oog daarop geregeld; maar de Universiteitsfaculteit doet dit niet wederkeerig.
Onder deze omstandigheden lag het voor de hand, dat de Gemeentefaculteit er naar uitzag dat het afnemen van examen aan andere handen zou worden toevertrouwd. Daarom werd reeds in 1910 een verzoek gedaan, met de strekking, dat öf de Gemeentefaculteit het recht zou erlangen om examens af te nemen gelijk de Universiteit het bezat, óf dat eene kerkelijke examencommissie in het leven zou geroepen worden, die alle studenten moest examineeren.
De Universiteit werd dit verzoek ter hand gesteld met verzoek om voorlichting. Zij had veel tijd noodig om met bet gevraagde advies gereed te komen, en toen men eindelijk daarmede klaar was, luidde het, dat het verzoek onvereenigbaar met „de wetenschappelijke vrijheid" was. Alleen de Kerkstaats'raad Quigstad was van oordeel, dat men zulk een verzoek maar j niet eenvoudig van de hand kon wijzen en raadde daarom de Storting Cde volksvertegenwoordiging, aan welke het verzoek gericht was) aan, de Gemeentefaculteit onder zekere voorwaarden het examenrecht toe te staan.
Ook in de Storting had men veel tijd noodig om tot een besluit over deze zaak te komen. Ook vond men de quaestie netelig. Maar er werd door de „Kerkpartij", die in de Storting 30 leden telt, ijverig gewerkt, en ten slotte kwam toch een nieuwe wet tot stand, volgens welke het Theologisch onderzoek moest ingesteld worden door eene commissie, bestaande uit drie professoren der Staatsuniversiteit en door drie andere geleerde theologen. Er werd daarbij uitdrukkelijk bepaald, dat de laatste drie bestaan zouden uit twee leeraars der Gemeentefaculteit, terwiil een op voordracht van de bisschoppen benoemd zou worden door den kerkstaatsraad.
Nog eenmaal trachtte de Universiteit een spaak in het wiel te steken, door eerst de zaak op de lange baan te schuiven en zich er ten t slotte vierkant tegenover te stellen. Toen greep echter de regeering in en maakte een voorloopige regeling. Prof. Odland en bisschop Brum werden met drie theologische professoren der Universiteitsfaculteit aangewezen om het Theologische examen aan het eind van het Semester at te nemen. En daarbij had dit opmerkelijkste feit plaats, dat professor Odland opgedragen werd de dogmatiek te examineeren.
Dit. ging aldus in zijn werk. Toen in 1906 door het ministerie Michelsen de radicaal-moderne hoogleeraar Ording tot professor in de dogmatiek benoemd werd, zette de Storting als buitengewoon hoogleeraar in de dogmatiek Dr. Ihlen, die rechtzinnig is, naast hem. De moderne r professoren wilden geen van beiden tot lid de examencommissie benoemen, en daar er geen dogmaticus buiten die twee was, zagen zij zich genoodzaakt prof. Odland het examineeren in t de dogmatiek op te dragen. En zoo is het ge komen, dat de leerlingen van den radicalen hoogleeraar Ording door den orthodoxen professor Odland werden geëxamineerd.
Nu is Dr. Odland liit de Theologische faculteit der Staatsuniversiteit getreden, omdat het tegen zijn consciëntie inging om van moderne candidaten te getuigen, dat zij geschikt (idoneus) zijn een ambt in de kerk te bekleeden. Volgens de nieuwe regeling onderteekenen alleen de professorenl der Universiteit de examenbul, zoodat prof. Odland niets tegen zijn geweten behoefde te doen. Men beseft echter steeds meer, zoo verzekert een kenner van Noorsche toestanden, dat de examenbul niets anders moet zeggen, dan dat de candidaat genoegzame wetenschappelijke kennis bezit. De kerk zal daarna hebben te oordeelen, of dezulken ook tot den dienst der kerk kunnen toegelaten worden. Maar zoover is men in Noorwegen nog niet. Het is al veel, dat aan de Theologische faculteit der Staatsuniversiteit het monopolie in zake de examinatie van de aanstaande dienaren der kerk in zoover is ontnomen, dat ook de „Gemeentefaculteit" daarin medezeggenschap verkreeg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1912
De Heraut | 4 Pagina's