Met eenige spanning
Met eenige spanning werd het oogenblik tegemoet gezien, dat Dr. A. Noordtzij zijn hoogleeraarsambt in de Theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht zou aanvaarden. Er is wel geen benoeming aan onze Landshoogescholen geschied, waarover zooveel v e v s z g stof Is opgejaagd en die aan zoo heftige d critlek is blootgesteld geweest, als deze. Te db meer was men daarom benieuwd, hóe deze hoogleeraar b^ z^n eerste publieke optreden positie zou kiezen. Het was dan ook geen wonder, dat j.l. Maandag de Aula te Utrecht geheel gevuld was, en met de meest gespannen aandacht geluisterd werd naar de rede, waarmede Dr. Noordtz^ zijn ambt aanvaardde. Het onderwerp dezer rede was De Oud-Testamentische Godsopenbaring en het oud-Oostersche leven. Aan het persverslag ontleenen we de volgende korte resumtie van deze Inaugureele oratie:
Spreker begon met de opmerking, dat de bieedere kennis van het oud oostersche leven, welke een der schoonste vruchten is van de vele opgravingen, gedurende de geheele vorige eeuw zoowel in Egypte als Babel, Assur als Palestina bewerkstelligd, aan de juistere kennis van Israël en van de in dat volk werkende factoren ten goede is gekomen. Merkwaardig achtte hij het echter, dat het zoo lang heeft geduuid, voordat ook in ons land de overtuiging zich vestigde, dat Israel niet buiten verband met die oude kultuar wereld mag worden beschouwd. Hiertoe heeft eenerzijds medegewerkt de gedeeltelijke onzekerheid onzer kennis daarvan, anderzijds ook het bevangen-zijn in vooropgezette meeningen. Vooral de z.g. historische critiek heeft daaraan geen goed gedaan. Zoo hebben de evolutionisten Israel ten onrechte voor een bijna kultrailoos volk gehouden en aan het z.g. voorhistorische tijdvak een veei te breede plaats ingeruimd.
Tot zijn onderwerp komend, wijdt Spr. eerst een woord aan de formuleering daarvan, welke een gevolg is van zijn streven om tegen alle verwatering van het Openbaringsbegrip front te maken en anderzijds toch ooit weer het eigensoortig karakter der O. T.ische Godsopenbaring tegenover dat der N.Tische te laten uitkomen. Nu meende men vroeger, dat het karakteristieke dier {Godsopenbaring hieiin gelegen was, dat ze iets volkomen nieuws had gecreëerd. Maar de opgravingen hebben geleerd, dat Israel op allerlei wijze aan het oud-oostersche leven verbonden is. In hoeverre Israël echter in dit milieu een eigen pUats heeft ingenomea, daarover bestaat nog geen eenstemmigheid, gelijk uit den strijd over Babel en Bijbel en over het goed recht van het Panbabylonisme duidelijk blijkt. Er heerscht op dat terrein veel verwarring, waartoe een viertal oorza, ken medewerken, welke nader worden toegelicht en waarbij in het bijzonder de vierde oorzaak, ontleend aan het karakter der Godsopenbaring, in het licht wordt gesteld. Alleen de organische opvatting der Openbaring laat haar recht wedervaren en dost hare gangen in het midden van Israël verstaan.
Deze gedachte verder uitwerkend, wijst Spr. er op, dat de werking dier Godsopenbaring zich in alle deelen van Israels leven laat naspeuren. Dat wordt nader aangetoond door vergelijking van den beroemden Codex Chammoerapie en de in de boeken van Mozes gegeven wetten. Wel vinden we hier zoowel formeel en materieel tal van punten van overeenkomst, maar toch treft ons hier de inwerking van andere beginselen, welke ten slotte de wet tot een andersoortige grootheid maken, gelijk in den breede wordt aangetoond.
Dienselfden diepgaanden invloed der Godsopenbaring vinden we ook op het breede terrein van Israels kultische leven. Hier hebben zoowel priesterschap als piofetisme zich zelfstandig ontwikkeld en is het geheele cfferinstituut tot iets wezenlijk anders geworden. Maar niet steeds worden oud-oostersche gebruiken getolereerd of vervormd. Andere worden buiten den kring van het verbondsvolk gehouden, zooals wichelarij en waarzeggerij. Vooral echter treedt de werking der Openbaring aan het licht, zoodra het de kennis van het wezen Gods betreft. Hier staat de eenheid tegenover de veelheid. Nu heeft men intusschen getracht aan deze tegenstelling tusschen Israel en de oud-oostersche wereld te ontkomen. Maar de poging der evolutionisten, die het ethische monotheïsme voorstelden als vrucht van den arbeid der profeten, heeft ten eenenmale gefaald. Niet beter moet geoordeeld worden over de jongere poging om Israels monotheïsme voor te stellen als een op den grondslag van een oud-oostersch monotheïsme ont wikkelde gedachte. Zoowel Babel als Egypte zijn polytheïstisch, en hoogstens kan men hier eenige pantheïstisch getinte neigingen tot mo narchistische vervormingen aanwijzen. Juist hier komt het diepgaand onderscheid tusschen de Godsopenbaring, gelijk ze in Israel werkte, en de godsdienstfilosofie, zooals ze in Babel en Egypte werd gevonden, helder uit. Nu is echter het geestelijk karakter Gods niet ineens in al zijn volheid ontplooid. Zelfs is het in Israel in meer dan één zin beperkt. Maar toch bleef steeds de gedachte levendig, dat tabernakel noch tempel de eigenlijke woning Gods waren. Steeds handhaven de bijbelschrijvers dan ook het geestelijk karakter van Jahwe tegen de mythologische stroomingen, die zich uit de oudoostersche wereld ook in Israel deden gevoelen, gelijk nader wordt aangetoond.
Dit alles wil echter niet zeggen, dat steeds het gansche volk oog heeft gehad voor hei geestelijk karakter van Jahwe. Israel plukte de wrange vruchten van zijn verleden en heeft den diepgaanden invloed der Kanaanieten ondergaan. Dat des onda& ks het ethisch monotheïsme zich in het midden van Israel heeft kunnen handhaven, is de vracht van de realiteit der Godsopenbaring in dit volk. Israel is zijns ondanks de bedding geweest, waarin de stroom des heils een oogenblik is besloten geweest, om in de volheid des tijds alle nationale beperkingen te doorbreken en zich over alle volkeren uit te storten.
De rede werd besloten met eenige toespraken,
Tot curatoren der Universiteit sprak Spr, een woord van dank voor de vriendelijke wijze waarop deze hem was tegemoet getreden. Na» de krachten, welke God hem verleent, hoopt Spr. mede te arbeiden aan het hooghouden van den wetenschappelijken naam der Universiteit.
Op de welwillende voorlichting en steun der professoren hoopt Spr. nooit tevergeefs een beroep te doen. Hulde bracht hij aan wijlen Prof. Valeton, al was Spr. bij de bestudeering van de met Israels historie en canonieke geschriften samenhangende problemen in meer dan één opzicht tot andere resultaten gekomen.
Een enkel woord richtte Spr. voorts tot de hoogleeraren van de Theol. school en de leeraren an het Geref. gymnasium te Kampen, met v ien hij een 16-tal jaren heeft mogen arbeiden. f ok begroette Spr. zijn ouders, vooral zijn t ader, aan wien Spr. zooveel te danken heeft e n wiens raadgevingen en wenken voor zijn orming van zoo bijzondere waardij zijn geweest.
Ten slotte sprak de nieuwe hoogleeraar de studenten toe, die hij hoopte op te leiden tot zelfstandige, wetenschappelijke beoordeeling der gegevens. £n daarbij bidt Spr. van zijn God, at het hem gegeven worde de studenten van] d e juistheid te overtuigen van en liefde in te oezemen voor de beginselen, welke door zelfstandig onderzoek de zijne zijn geworden.
Aan den redacteur van onze Leestafel laten we over om deze rede, die hem ter recensie werd toegezonden, uitvoerig te bespreken. Hier zg hét ons alleen vergund onzen dank aan Prof. Noordtz^' uit te spreken voor de beslistheid, waarmee hij voor zijn standpunt uitkwam. Er was geen oogenblik sprake van, dat hQ, terwille van een schijnreputatle van wetenschappelijkheid, concessies deed aan de ongeloovige critiek of zgn kracht zocht in de behandeling van een neutraal onderwerp, waardoor aan niemand aanstoot zou zijn gegeven. Zijn Inaugureele rede voerde ons midden In den strijd, die om het Oude Testament gevoerd wordt, en Prof. Noordtzij aarzelde geen oogenblik kleur te bekennen. Het eenige feit van de Godsopenbaring in Israel werd met alle beslistheid gehandhaafd, ook al werd rekening gehouden met allerlei Invloeden, die van buiten af op Israel hebben gewerkt Daarb^ heeft Prcf. Noordtz^ zich wel stipt gewacht, door onhandige uitlatingen provoceerend te werken. Vooral In de toespraken bl^kt groote voorzichtigheid en beleid; de verdiensten van Prof. Valeton werden geëerd, al werd het verschil in canonisch standpunt niet verzwegen. Juist In dit kalme, maar zelfbewuste optreden schuilt kracht, en de eersteling van Utrecht's nieuwen hoogleeraar profeteert voor de toekomst een rijke aanwinst aan wetenschappelijke kracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1912
De Heraut | 4 Pagina's