In de Nederlander
Amsterdam, 22 November 1912.
In de Nederlander kwam het volgende bericht voor, dat ook in verschillende Liberale bladen werd opgenomen:
Men herinnert zich misschien, dat meer dan een jtar geleden aan den toenmaligen student aan de Vrije Universiteit, den heer A. Wi"!ckel, die het cand. ex. theologie had gedaan, de deswege behaalde bul geweigerd werd, op ironden ontleend aan dogmatische verschillen tusschen den candidaat en de Vrije Uai^ersiteit. Deze qaaestie heeft thans een einde genomen. Gedurende meer dan een jiar heeft de heer Winckel getracht, door vriendelijke en dringende verzoeken, het hem toekomende diploma te verkrijgen. Toen alles tevergeefs bleek, heeft hij de rechtshulp van den heer Mr. G, Setet (een discipel van de V. U.) ingeroepen, en deze heefi de Vereen, voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag gesommeerd den beer W. het candi-z. daatsdiploma ten spoedigste uit te reiken.
Aan die sommatie is voldaan; de heer Winckel is thans in, het bezit van zijn diploma, geheel ingericht, a% ware het op den dag van zijn examen uitgereikt. Het is geteekend doot de Proffs. Drs. H. Bavinck en W. Geesink en draagt den datum van dien examendag.
De heer Winckel is dus volkomen in zijn recht en eer hersteld. Het heeft alleen wat lang geduurd.
De minder juiste voorstelling van de toedracht der zaak, die hier gegeven wordt, noopt ons, thans publiek mede te deelen, wat geschied is.
De heer A. Winckel, die In de Theologie studeerde aan de Vr^e Universiteit, bleek bij de door hem afgelegde tentamens en het daarop afgelegde candidaatsexamen op verschillende, zeer belangr^ke punten af te wijken van de Gereformeerde belijdenis. Er was niet slechts sprake van een dogmatisch verschil tusschen hem en de Vr^e Universiteit, gelijk de Nederlander het voorstelt, maar de heer Winckel verklaarde na ernstig beraad, dat hij niet kon instemmen met de Gereformeerde belgdenis aangaande de uitverkiezing, de beteekenis van Christus dood, de bekeering van den mensch en de volharding der heiligen. Juist die leerstukken, die voor de Gereformeerde Kerk het meest kenmerkend z^n en in de Canones van Dordt uitdrukkelijk z^n beleden, werden door den heer Winckel verworpen. En dit geschiedde niet, omdat de heer Winckel aangaande deze stukken der Gereformeerde belQdenis nog eenigen twijfel koesterde, of de moeilijkheden, waartoe de praedestinatieleer aanleiding geeft, niet kon oplossen, maar omdat deze bel^denis naar zijn overtuiging lijnrecht in strijd was met de Heilige Schrift.
De Theologische Faculteit kwam daardoor voor het eerst practisch voor de vraag te staan, of ze den graad van candidaat , c in de Theologie aan de Vrge Uni d versiteit kon geven aan iemand, die op de meest cardinate punten der Gereformeerde belijdenis afwgkende meeningen koesterde. Ook vroeger was het wel voorgekomen, dat aan de Vrge Universiteit studenten in de Theologie zich hadden laten inschrijven, die niet Gereformeerd waren, of bij hunne studie van overtuiging veranderden, maar deze studenten verlieten vóór het candidaatsexainen de Vrqe Universiteit en gingen naar een der Rijksuniversiteiten over. De heer Winckel was daarentegen de eerste, die dezen weg niet volgde, maar van de Theologische faculteit het diploma van candidaat in de Theologie verzocht. De Theologische faculteit had dus de vraag te beantwoorden, of aan dit verzoek kon voldaan worden.
Na ernstige beraadslaging kwam de Theologische faculteit tot het besluit, dat ze dit niet mocht doen.
De gronden voer dit ; besluit waren:10. dat de Vrije Universiteit, blijkens Artikel 2 van hare Statuten, staat op den grondslag van de Gereformeerde beginselen en met name voor haar Theologische faculteit op den grondslag van de Gereformeerde belgdenisschriften; 20 dat handhaving van dat beginsel in Artikel 30 van het Reglement voor de Vrije Universiteit uitdrukkelgk geboden wordt bij de promotie tot doctor, zoodat niemand dezen titel verkrggen kan zonder verklaring van instemming met den Gereformeerden grondslag van de Vrije Universiteit; 30. dat, aangezien de graad van candidaat geen eigenlgke wetenschappelijke titel is, maar alleen zeggen wil, dat de Faculteit Iemand de bevoegdheid geeft naar den doctoralen graad te dingen, het zeker niet juist zou zijn, dezen graad aan iemand te verleenen, die verklaarde met de belgdenisschriften der , Gereformeerde Kerk niet in te stemmen; 40. dat het verleenen van zulk een graad, die niet zou insluiten instemming met de beginselen der Universiteit, het vertroutren in de Universiteit zou schokken en aan e haar Gereformeerd karakter te kort zou d doen.
Dit standpunt, door de Faculteit ingenomen, was niet nieuw. In de vergadering met Deputaten der Gereformeerde Kerken, ehouden 21 December 1900, werd door eze Deputaten de vraag gesteld, of een andidaat of doctor in de Theologie kon orden afgewezen op grond, dat hij afweek an de bel^denis. Deputaten hadden in die ergadering met de Theologische Faculteit, de Faculteit bestond dest^ds uit Dr. W. eesink, Dr. A. Kuyper en Dr. F. L. Ruters) de vraag gesteld „of aan een Univeriteit met een bepaalde t> elgdenis een xaminandus (met name voor den graad an candidaat in de H. Godgeleerdheid) on afgewezen worden op grond van conessloneele gevoelens, afwijkende van die er Universiteit"? Deze vraag werd toen oor dt Theologische faculteit toestemmend eantwoord. Niet eerst thans, maar reeds d c n d d T b e T w m d z d d T b f z n 1900 was dit standpunt dus door dt| Theolosjlsche faculteit ingenomen.
De Theologische faculteit gevoelde echter, hoe hare beslissing voor den heer Winckel, die ter goeder trouw meende, 'dat hij den candidaatsgraad wel krijgen kon, teleurstellend moest wezen. Vernomen hebbende, dat het zijn voornemen was zich niet b^ de Gereformeerde Kerken voor het predikambt aan te melden, maar bij een buitenlandsche Kerk, meende ze hem een dienst te bewgzen door hem, wat anders nimmer geschiedt, een schriftelQk getuigenis uit te reiken, waarom de graad van cattdidaat hem niet geschonken kon worden. Het besluit van de Faculteit mocht geen oorzaak worden, dat de heer Winckel buitenaf beschouwd werd als iemand, die wegens gebrek aan kennis of onvoldoende studie „gezakt" was. Vandaar dat de Theologische faculteit, om de eer van den heer Winckel te handhaven, hen een verklaring gaf, dat zijn kennis voldoende was gebleken om den graad van candidaat te kunnen verkrijgen, maar dat het diploma van candidaat hetn daarom alleen niet was uitgereikt, omdat hij op sommige belangrijke punten van de Gereformeerde belijdenis afweek. De formule luidde letterlijk aldus: „Ordo Tbeologorum in Universitate Libera Reformata quae Amstelodami est solemni instituto examine pronuntiat iuvenem oinatissimum Auguste Winckel satis peritum esse doctrinae Theologiae ad gradum candidati obtinendum, sed hanc solam ob causam Ordinem ei diploma canditati non potuisse exhibere, quod in nonnullis gravibus partibus a Confessione Reformata recedat". De Theologische faculteit meende, dat een derge-Igk getuigschrift voor den heer Winckel voldoende zou wezen, wanneer hij zich bij een Kerkgenootschap of vereeniging aanmeldde, om daar een 'betrekking te krijgen, en dat de vermelding, dat het bezwaar om hem den candidaatsbul uit te reiken, niet in zijn kennis school, maar alleen in zign afwijkende overtuiging, voor hem niet nadeelig kon wezen, aangezien het immers zgn bedoeling was dch in dienst te stellen van een Kerk of vereeniging, die met de Gereformeerde belijdenis het niet eens was.
Het kan dus niet gezegd worden, dat de Theologische faculteit door deze verklaring den heer Winckel in zijne eere heeft gekrenkt. De heer Winckel had zgn bezwaren tegen de Gereformeerde beigdenis immers openlgk uitgesproken en dacht er ook niet aan, deze in de toekomst onder stoelen of banken te steken.
Intusschen bleek de heer Winckel met deze verklaring niet tevreden te wezen. Hg meende uit d^ze verklaring te mogrn afleiden, dat hij*door de Faculteit wel tot den graad van candidaat was toegelaten, maar dat alleen het diploma daarvan hem onthouden werd. En deze onthouding van het diploma achtte hij wederrechtelijk te zijn geschied, omdat het Reglement van de Vrije Universiteit volgens hem bij het candidaats-examen geen instemming met den grondslag van de Vr^e Universiteit eischt, maar alleen spreekt van voldoende kennis. Hij drong daarom herhaaldel^k b^ de Theologische faculteit er op aan, het diploma hem toch uit te reiken, en verzocht, dat ingeval de Faculteit dit weigeren bleef, dat hem als schadevergoeding een som zou worden uitgekeerd, waardoor hg In staat zou worden gesteld aan een andere Universiteit den begeerden graad van candidaat te kunnen verwerven. De Theologische faculteit deelde hem daarop mede, dat hij zich vergiste, wanneer hg meende, dat de graad van candidaat in de Theologie hem verleend was, en dat de Faculteit daarom aan z^n verzoek niet kon voldoen.
De heer Winckel, met dit antwoord niet voldaan, heeft daarop door een advocaat de Vereeniging van Hooger Onderwies gesommeerd, hem den candidaatsbul alsnog te doen uitreiken en gedreigd anders een proces b^ de rechtbank te zullen voeren.
Een dergel^k proces zou natuurlijk onmogelijk geweest zgn, indien de Theologische faculteit zich eenvoudig bepaald had tot de mededeeling, dat de heer Winckel niet tot den graad van candidaat in de Theologie was toegelaten. Nu de Theologische faculteit echter uit welwillendheid, om den heer Winckel te helpen, hem een getuigschrift had gegeven, waarin de ver klaring stond, dat zgn kennis op zich zelf voldoende was gebleken, kon dit, in verband metdereglementfdre bepaling over het candidaatsexamen, wellicht grond voor een procedure opleveren. Directeuren oordeelden daarom, naCuratoren geraadpleegd te hebben, dat een dergelijke procedure In het belang der Vr^e Universiteit moest vermeden worden, omdat, zelfs indien de Rechtbank den heer Winckel z^n eisch ontzei, het proces zelf tot allerlei onaangename gevolgen voor de Vrije Universiteit aanleiding zou kunnen geven. Ze verzochten daarom de Theologische faculteit, op haar besluit terug te komen en den heer Winckel alsnog den gevraagden candidaatsbul uit te reiken. Uitdrukkelijk werd hierbij echter verklaard, dat daarmede allerminst bedoeld was een prinipieele beslissing over de zaak zelve te nemen. Het was alleen hun bedoeling in it geval een procedure te voorkomen, die oor de schriftel^ke verklaring van de heologische faculteit en door de desetreffende bepaling van het Reglement tot en onzuivere beslissing zou kunnen leiden. Het scheen hun daarom gewenscht toe, dat de heologische faculteit in dit geval aan den ensch van den heer Winckel gevolg gaf, aar dat de zaak zelf, waarom het ging, aarna In den boezem der Yr^e Universiteit ou worden uitgemaakt, b^v. door het beoelde Reglement zóó te w^zigen, dat uitrukkel^k bij het candidaatsexamen In de heologie Instemming met de Gereformeerde elijdenis gecischt werd. De Theologische aculteit, de verantwoordelijkheid voor deze aak aan Directeuren overlatende, heeft v s daarop het candjldaatsdiploma van den heer Winckel geteekend en aan heeren Directeuren toegezonden, die het den heer Winckel ter hand hebben doen stellen.
Over de zaak zelve spreken we ons thans nog niet uit. Het was ons alleen te doen om de juiste toedracht der feiten mede te deelen. Natuurlijk is de quaestie zelve hiermede niet uit en zal ze principieel moeten opgelost worden. Hierover spreken we echter een volgend maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1912
De Heraut | 4 Pagina's