Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Prof. Dr. Benjamin Warfield,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prof. Dr. Benjamin Warfield,

8 minuten leestijd

Amsterdam, 30 April 1913.

Prof. Dr. Benjamin Warfield, hoogleeraar te Princeton, geeft onder den titel: het godsdienstig leven van de studenten In de Theologie, eett serie toespraken uit, tePrittceton gehouden. De eerste dezer toespraken, van Charles Hodge hoogleeraar in de Dogmatiek en polemiek te Princeton, moge hier volgen. Ze heeft ook onzen aanstaanden Dienaars des Woords wel veel te zeggen:

Men heeft mtj uitgenoodigd om tot u te spreken over het godsdienstige leven van den student in de theologie, 't Is niet zonder schroom, dat ik dit onderwerp aanroer, want ik acht dit het belangrpste onderwerp, dat onze gedachten kan bezig houden. Als Ik dit zeg, moet gij mij niet verdenken het gewicht van de inteliectueele voorbereiding van den student voor het ambt van dienaar des Woords te willen onderschatten. Het groote belang van de Inteliectueele voorbereiding van den student voor dit ambt is juist de reden van het bestaan van onze theologische scholen Zeg wat ge wilt, doe wat ge wilt, het ambt van dienaar des Woords is een „geleerd" beroep; en een niet-gestudeerde, met welke andere gaven hij ook moge gesierd wezen, is niet berekend voor zqn taak. Maar geleerdheid, hoe onmisbaar ook, is toch niet het méést onmisbare voor een predikant.

„Bekwaam om te leeren", — ja, een predikant moet zgn „bekwaam om te leeren"; en merk wel op 't geen ik u zeg of liever op 't geen Faulus u zegt, „bekwaam om te leeren"; niet bekwaam alleen om te vermanen, te bidden, te smeeken, en de harten aan te grijpen; ook niet slechts om te getuigen, en te verkondigen, maar bepaald om te „leeren”.

En leeren of onderwazen onderstelt kennis. Hq die leert, moet zelf kennis hebben. Met andere woorden, Paulus vraagt van u, zooals wij het misschien op minder gelukkige wijze uitdrukken, „eene onderwijzende" en niet alleen een „bezielende prediking". Het „bekwaam zQn om te leeren" alleen maakt echter nog geen predikant, zelfs is dit ook niet de eerste verelschte. Het Is slechts éen van die lange lijst van hoedanigheden, welke Paulus opnoemt als noodzakelijk voor dengene wiens hart naar dit hooge ambt uitgaat. En al het overige raakt niet z^ne verstandelijke, maar zgne geestel^ke geschiktheid. Een predikant moet een geleerde zijn, anders is h^ volkomen onbevoegd voor zijn taak. Maar van nog veel hooger belang dan zijti gestudeerd hebben. Is zi^ae persoonlijke godsvrucht. Niets zou dan ook noodiottiger zijn, dan deze twee zaken tegenover eikander te plaatsen. Bij het werven van soldaten wordt niet geredetwist over de vraag, of het beter is, dat zij' een rechter of een linkerbeen bezitten. Soldaten moeten belde beenen hebben. G^ hebt wel eens de opmerking gehoord, dat tien minuten op uwe knieën een waarachtiger en dieper en wérkdadiger kennis van God u zal schenken, dan tien uren over uwe boeken gebogen te zitten. „Wat, luidt dan ons antwoord, „ook wanneer deze tien uren met uwe boeken doorgebracht zijn gebogen op uwe knieën"? Als gij u tot uw boeken keert, dan keert gij u toch niet af van God of wederom, als gij u tot uw God keert, keert gq u toch niet af van uw boeken? Als studie en godsvrucht zoo vijandig tegenover elkaar staan, dan Is het Inteliectueele leven in zich zelf vervloekt, en dan kan er zelfs voor een theologisch student geen quaestie van een godsdienstig leven zijn. Het enkele feit, dat iemand student Is, zou dan het religieuze leven reeds voor hem buitensluiten.

Dat ik uitgenoodigd ben om tot u te spreken over het godsdienstig leven van den theogischen student sluit reeds in zich, dat gg zulk een tegenstelling ongerijmd acht. Gij zijt studenten In de theologie, en juist omdat g^ studenten In de theologie zijt, wordt verondersteld dat gij godsdienstig z^t — en wel bijzondere godsdienstige mannen, wien de gestadige oefening van hun godsdienstig leven een zaak van het grootste gewicht Is — van*-zulk een gewicht, dat gij vóór alle dingen gewaarschuwd wenscht te worden voor de gevaren, die uw godsdienstig leven bedreigen, en gewezen wilt worden op de middelen, waardoor gij dat leven kunt sterken en dieper maken. In uw geval Is er geen sprake van eene keuze tusschen het een èf het ander — of student, óf een man Gods, — maar gi^ moet beide zijn.

Misschien Is het wei noodzakelijk om nog eens bijzonder de aandacht te vestigen op het nauwe verband, dat er bestaan moet tusschen den arbeid van een theologisch student en zijn godsdienstig leven. Natuurlijk gelboft geen uwer, dat godsdienst en studie niet te vereenigen zijn. Het is nauwelijks mogelijk, dat er onder u ook maar Iemand gevonden wordt, die deze zaken absoluut gescheiden wil houden — ]\f die geneigd is deze beide zóó gescheiden te houden, dat hij meent dat, hetgeen h^ aan het eene geeft, noodzakelijkerwgze aan het andere onthouden wordt. Er zou geen grover fout denkbaar z^nt De godsdienst staat onzen arbeid nooit In den weg, integendeel, hij leidt ons er heen, en geeft er hooger wijding aan.

Wij zingen Immers:

Leer mij o Heer, mgn God en Koning In alle ding u op te merken. En wat ik ooit ter hand moog nemen. Alleen voor de eer mijns Gods te werken.

Als 't al geschiedt Uw naam ter eere, Dan wordt de minste dienst zelfs schoon, En 't zwoegen zelfs eert, wie mag leeren: Ook 't laagste werk heeft God'lijk loon I).

Dit is niet geheel zooals George Herbert het neer schreef. Hij zegt het wellicht nog krasser. Hij herinnert er ons aan, dat een mensch naar zijn werk kan zien, gelijk men naar een venster kqkt — óf hij ziet niets als glas, óf h^ kijkt door het glas heen, en ziet de hemelen daarachter. En hij vertelt ons heel duidelijk, dat er niets zoo laag of klein Is, of de groote woorden: „Om Uws naams wil" kunnen het heerlijk maken:

Met deze woorden maakt een knecht Tot God'lgk werk z^n daaglijksdi sloven. Wie 'n kamer veegt, wijl Gij 't gebiedt, Maakt beide werk en kamer „schoon" 2)

Maar het beginsel is hetzelfde, en dit is het beginsel, het grondbeginsel van de Protestantsche moraal, waarop het geheele systeem van de. Christelijke ethiek Is opgebouwd. Het is het beginsel van onze „roeping", d. w. z. te erkennen: dal de beste dienst, dien wij Gode kunnen wijden, juist is dien plicht te doen, dien eenvoudigen, dagelijkschen arbeid wat dit ook moge zijn.

In de middeleeuwen werd er anders over gedacht, toen maakte men eene klove tusschen het godsdienstig en het wereldlijk leven; en een ieder die godsdienstig wenschte te leven, ried men aan, 't geen men „de wereld" noemde den rug toe te keeren; d.w.z. niet de slechtheid In de wereld „de wereld, het vleesch en den duivel", zoo­ als wij het uitdrukken — maar de arbeidende wereld, die reeks van werkzaamheden, die de dageligksche taak van mannen en vrouwen uitmaakt, die hun plicht betrachten jegens henzelf en jegens hunne naasten. Het protestantisme heeft hier een einde aan gemaakt.. Zooals Prof. Doumergue het zoo welsprekend uitdrukt: „Toen kwam Luther, en met nog meer consequentie Calvijn, uitroepende de groote Idee van de „roeping, " een idee en eea woord, die in de tales van alle Protestantsche volken worden teruggevonden: — roeping, beroep; Beruf, calling, vocation, en die gemist worden In de talen van de volken der oudheid en der middeleeuwsche cultuur. Roeping — het is de innerl^'ke roepstem van God, die tot ieder mensch komt, wie hij ook zij, om hem een speciaal werk op te leggen, wat het ook is. En al deze roepstemmen en ook de verschillende geroepenen staan allen volkomen op één Ign met elkaar. De burgemeester is Gods burgemeester, de dokter is Gods dokter, de koopman Is Gods koopman, de werkman is Gods werkman. Ieder beroep, ook het nederigste en minste in uiterlgk vertoon, even zeker als het edelste en meest schitterende, bestaat door Goddelijk recht. Spreekt g^ van het Goddelijk recht der koningen? Hier geldt het Goddelijk recht van lederen werkman, en geen hunner behoeft zich ooit voor zijn beroep te schamen, zoo h^ maar een eerlijk en goed werkman is. Alleen „luiheid", voegt Prof. Doumergue er aan toe, „is laag en gemeen" — en terwgl de Roomschen de bedelasrs-orden vermeerderden, verbant de Reformatie de leegloopers uit haar midden“.

I) Teach me, my Ged and King In all things Thee to see And what I do in aoything To do it as for thee.

If I obey Thy laws» E'en servile labors shine Hallowed is toil, if this the cause, The meatiest work divine.

2) A servant, with this clause Makes drudgery divine; Who sweeps a room as for Thy laws Makes that, and the action fine.

{Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1913

De Heraut | 4 Pagina's

Prof. Dr. Benjamin Warfield,

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1913

De Heraut | 4 Pagina's