Ouders of getuigen?
XI.
De oorsprong van het doopgetuigeninstituut zal thans duidel^k geworden zgn. Het dankt zgn ontstaan, gelijk we zagen, niet aaa den kinderdoop, maar aan den doop der volwassenen. De Kerk hield nog stipt vast aan den eisch, dat de doop alleen aan geloovigen mocht bediend worden en dat daarom vóór den doop belijdenis des geloofs moest worden afgelegd. Zoo eischte het Christus, bevel, zoo was het ook de practijk der apostelen. Philippus doopte den Moorman eerst, nadat h^ beleden had in Christus te gelooven. Aanvankelijk, toen wel niemand tot de Christelijke Kerk toetrad zonder werkel^k te gelooven, stelde de Kerk zich met deze geloofsbelijdenis van den doopeling tevreden. Maar toen al meer proselieten zich voor den doop aanmeldden, en het gevaar ontstond, dat hieronder mannen en vrouwen waren, op wier levenswandel viel aan te merken of wier geloofsbelgdenis geveinsd was, werd de Kerk strenger, stelde zs zich met die geloofsbel^denis van den doopeling niet meer te vreden, maar eischte zg, dat de doopeling getuigen zou medebrengen, die instonden voor z^nChrlstelijken levenswandel en voor de oprechtheid van zgn geloof. Vandaar dat deze getuigen dan ook den naam droegen van sponsores of borgen. Nu was het regel, dat degene, die zelf den doopeling onderwezen had in de Christelijke religie, als borg of doopgetuige optrad, omdat hij het best kon Instaan voor de oprechtheid van het geloof van zijn leerling; zelfs werd later het onderwijs van den doopeling door de Kerk bepaaldelijk aan deze doopgetuigen opgedragen. Zoo ontstond een zeer nauwe band tusschen deze doopgetuigen en den doopeling, en de doopgetuige werd als de geestelgke vader van den doopeling beschouwd. Hij was toch het middel geweest, om den doopeling tot Christus te brengen, en zag nu zijn arbeid bekroond, wanneer zijn „geestelijk kind" door den doop als het „bad der wedergeboorte" In de Christelijke Kerk werd ingelijfd..
Eerst wanneer men de beteekenis dezer doopgetuigen bij den doop der volwassenen helder heeft ingezien, kan men begrijpen, waarom de Kerk het optreden dezer doopgetuigen ook b^ den kinderdoop eischte. De gedachte, dat krachtens het Genadeverbond de kinderen der geloovigen recht op den doop hebben, en daarom bij den doop onderzoek moet worden gedaan naar het geloof der ouders, omdat daarvan het recht van hun kind op den doop afhangt, werd destgds nog niet op den voorgrond gesteld. Wel doopte men In de practijk alleen kinderen van geloovigen, maar een kerkel^ke handeling b^ den doop, waardoor blijken moest, dat de ouders geloovigen waren, vond niet plaats. De doopgetuigen, die bg den kinderdoop optraden, dienden niet om In te staan voor het geloof der ouders, maar voor het geloof van het te doopen kind. Zoolang men nu nog te doen had met half volwassen kinderen, die reeds eenigermate In de Christelijke waarheid onderwezen waren, kon dit nog in eigenlijken zin worden opgevat, maar toen 't al meer de gewoonte werd ook pasgeboren kinderen te doopen, ging dit niet meer. Wel bleef de Kerk ook bq deze pasgeboren kinderen de garantie elschen, dat het te doopen kind „geloovig" was, maar de bedoeling hiervan was, dat de doopgetuige borg zou zijn, dat het kind bij het opwassen geloovig zou worden. Zoo vloeide uit de borgstelling van den doopgetuige voor het geloof van het te doopen kind diens verplichting voort om te v zorgen voor een Christelijke opvoeding van w dit kind. Een zeer schoone en schriftuurlijke ( gedachte. Zooals Juda bij zijn vader „borg" b was geworden, dat hij Ber> jamin KQS josgsten broeder levend bij zijn vader Jacob zou wederbrengen, zoo werd de doopgetuige „borg" voor het te doopen kind, dat dit niet straks aan de wereld zou worden prijs gegeven, maar dat het Christelijk zou worden opgevoed en als geloovige tot de Kerk zou gebracht worden. Augustinus wqst in een zijner predikatiën deze doopgetuigen dan ook ernstig op hun plicht, en gebruikt zelfs de uitdrukking, dat zij voor deze kinderen borg waren geworden tegenover God.
Omdat zij voor het geloof van het kind borg waren, traden ze dan ook bij dea doop op om namens het kind de geloofsbelijdenis, die voor den doop gefilscht werd, af te leggen. Een afzonderlijk formulier voor den kinderdoop had men aanvankelijk nog niet; het formulier van den doop der volwassenen is het oudste in de Kerk. Juist omgekeerd als bij ons, waar men het formulier van den kinderdoop later met eenige wijziging voor den volwassendoop heeft overgenomen. Is het in de oudste christelijke Kerk gegaan. Hier eerst het formulier voor den doop der volwassenen en werd dit later ook voor den kinderdoop gebruikt. Waar uu in het formulier voor den volwassendoop allerlei vragen aan den doopeling gedaan werden, die door een pasgeboren kind natuurlijk niet beantwoord konden worden, ontstond het gebruik, dat de doopgetuige op die vragen antwoordde in naam van het kind. In het Roomsche doopsformulier is dit nog zoo. De priester vraagt, den naam van het kind noemende: Zweert g^, N. N. den duivel en al zijne werken en al zijn vermakelijkheden af, waarop de doopgetuige antwoordt: ik zweer ze af. Daarna vraagt hij, wederom na den naam van het kind genoemd te hebben: Gelooft gij N. N. in God den Vader, den Almachtige Schepper van hemel en aarde ? Gelooft g^ in Christus Jezus z^n eeniggeboren Zoon, onzen Heere, die geboren is en geleden heeft? Gelooft gij in den Heiligen Geest, de heilige algemeene Kerk, de gemeenschap der heiligen, de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleesches en het eeuwige leven? En de doopgetuige antwoordt op elke dezer vragen: Ik geloof. Vervolgens vraagt de priester, wederom' den naam van het kind noemende: wilt gij N. N. gedoopt worden ? waarop de doopgetuige antwoordt: ik wil, en dan vindt de doop plaats, Hoe vreemd dit alles ons moge toeschijnen, het zal thans duidel^k geworden z^n, waarom dit sildus geschiedt en in welken zin dit oorspronkelijk was bedoeld.
Komen wig thans tot de tweede vraag, wie dan als doopgetuigen bij den kinderdoop moesten optreden, zoo was oudtijds in de Christelijke Kerk algemeen het gebruik, dat de ouders van het kind dit deden. Het lag ook in den aard der zaak, dat de ouders, die over de opvoeding van het kind toch in de eerste plaats te zeggen hadden, bij den doop als „borg" voor hun kind optraden en ook namens hun kind de coopvragen beantwoordden. De oudste doopsformulieren laten hieromtrent geen twijfel over. In het Egyptische doopsformulier, dat we In ons vorig artikel aanhaalden, werd dit uitdrukkelqk voorgeschreven. Ook in het zoogenaamde Testament van onzen Heere Jezus Christus, welks liturgische gedeelte van zeer ouden datum moeten zijn, want er wordt nog geeischt, dat de doop In vlietend water (dus niet In een doopvont) moet plaats vinden, staat hetzelfde voorschrift. Evenzoo wordt door Augustinus verhaald, dat dit in zijn dagen nog algemeen, in gebruik was. Alleen wanneer de ouders ontbraken, omdat de kinderen weezen waren, of onbekend waren, omdat men met vondelingen te doen had, traden andere personen bij den doop als getuigen op. Ook kwam het wei eens voor, dat Christelgke heeren bq den doop van de kinderen hunner slaven als getuigen dienst deden, omdat deze kinderen als hun eigendom werden beschouwd. Maar deze gevallen waren toch uitzondering, en de regel was, dat de ouders de doopgetuigen waren. De Roomsche Kerk, die zich zoo gaarne op de „oudheid" beroept en toch de ouders als doopgetuigen buitensluit, staat hier dus zeker veel verder van de oudheid af dan de Gereformeerde Kerk, die de ouders in dit natuurlijke recht heeft hersteld.
Vraagt men, hoe het dan komt, dat de Roomsche Kerk later de natuurlijke ouders van den doop heeft buiten gesloten en hun zelfs verboden heeft als doopgetuigen op te treden, dan ligt het antwoord ongetwijfeld in de magische beteekenis, die men aan den doop ging hechten, nl. dat de doop het middel was om het kind weder te baren. Die wedergeboorte stond zoo scherp mogelijk tegenover de natuurlqke geboorte. Wat uit vleesch geboren Is, Is vleesch, en wat uit den Geest geboren wordt Is een geestelgk mensch. Waar nu bij de natuurlijke en vleeschelijke geboorte de natuurlijke ouders het middel z'gn, waardoor deze geboorte geschiedt, daar moesten bij de wedergeboorte door den doop ook „geestelijke ouders" optreden. De naam sponsores of borgen maakte dan ook later plaats voor die van „parentes spirituales", d. w. z. van geestelijke ouders. En om duldelqk te doen uitkomen, dat we aan onze natuurlqke ouders d alleen de natuurlijke geboorte danken, maar dat de wedergeboorte niet door hen e geschiedt, moesten daarom bij den doop ook andere personen als „geestelijke ouders" h optreden. Aanvankelijk vatte men dit zelfs in ; eigenlqken zin op, zoodat men aan deze m geestelqke ouders de wedergeboorte In mid d dellijken zin toeschreef; Augustinus zegt uit o drukkelijk, dat de kinderendoor hen weder n geboren worden (per eos renascuntur) en d verklaart elders, dat gelp we eenmaal gebo d ren worden door vleeschelijke liefde (d.w.z. t an de ouders) we 200 ook eenmaal worden wedergeboren door geestelijke Ijefjj. (d, w, 2. van de doopouders). Natum-lnij bedoelde Augustinus daarmede riet, dat deüe doopgetuigen het kisd wedeibsarden maar door het naar dea doop ta brssgen' waren ze het middel om het kisd te doen wederbaren. Toch heeft deze gedKchte gees stand gehouden. De voorstelling kreeg later de overhand, dat de wedergeboone gg. schiedde door God ab vader ea door de Kerk als moeder. Uit haar schoot werd het kind wedergeboren, en daarop doelt het bekende zeggen dat siemand God tot vader kan hebben, die de Kerk niet tot moeder heeft. De doopvads* of doopmoeder zjja nitt de eigenlijke geestelqke vader of moeder vaa hef" wedergeboren kind, dat omdat zij het ten doop hebbesi gebracht, iiu hua geestelqk kind is geworden, maar de adoptief vader tn. moeder van het wed? f. geboren kind. Het door den doop vjedergeboren kind heeft, dat is de nieuwere gedachte, een geestelijken vader en caoeder noodig, die voor de reiigkuze op. voeding zullen zorgen, en die daarom dit gedoopte kind nu sis hun geestelijk kind aannemen. Niet de wedergeboorte, die door de Kerk geschiedt, maar de gssatelijke op. voeding maakt, dat hst kind deze geestelijke ouders noodig heeft. Dit is de voorsteUing, die de Roomsche Kerk ia haar Catechismus va, », het ambt dezer doopge. tuigen geeft. Op de vraag, waarom bij dea doop naast den bedienaar van het Sacrament nog doopgetuigen moeten optreden, antwoordt de Roomsche Catechismus, dat de oorzaak daarvan niet moeilijk is m te den waaneer men maar bedenkt, dat ds doop de geestelijke wedergeboorte is, waardoor we als kinderen Gods werden geboren. Evenals toch elk kiüd, nadat het geboren is, een opvoeder en leidsman noodig heeft, om het te onderwqzen in wetenschap en etuttige handwerken, zoo is het ook noodig, dat degene, die door het bad van dea doop begonnen zijn een geestelqk leven te leven, worden toebetrouwd aan de zórg ta het toezicht van iemand, door wien zs in de voorschriften der Chrlstelqke religie en in de practqk der Godzaligheid kursnën oudetwezen worden, om aldus in Christus allengs op te wassen, tot dat zij met de huipe Gods volmaakte mannen geworden zijn.
Zinnebeeldig werd deze adoptie of aanneming tot kind bij den doop daardoor uitgedrukt, dat de doopgetuige het kind, nadat het in 't doopvont door den priester was ondergedompeld, „uit het doopvont weer ophief, " waardoor hij het tot zijn kind aannam. De naam „doopheffer", dien men aan den doopgetuige oudtqds gaf, was aan deze symbolische acte ontleend; hij beteekende dengene, die het kind uit den doop had opgeheven. Niet onwaarschijnlijk staat dese symbolische handeling daarmede in verband, dat oudtq'ds het gebruik bestond, dat een pasgeboren kind aan de voeten van den vader werd neergelegd. Hief hij het kind op en nam hq het in zijn arme», dan erkende hij daardoor dat kind als zijn kind en nam de opvoeding van het kind voor zijn rekening; liet hij het kind daare^ifegen liggen, dan verstootte hq het en moest het te vondeling worden gelegd. Het schijnt deze heideasche gewoonte te zija, die tot dit gebruik bij den doop aanleiding heeft gegeven. Nu de doop door onderdoaipelicg, vervarsgen is door den doop door besprenging, viel vaa zelf ook deze ceremonie van het opheffa uit het doopvont weg, maar de Roomschs Kerk eischt nog altoos, dat de doopgetuige bq den doop het k? nd lichamelijk moet aanraken, anders ontstaat er, zegt ze, «usscheii het kind en den doopgetuige ook geen geestelijke relatie.
Zoo treden bij den doop ia de Roomsche Kerk de natuurlijke ouders dus geheel op den achtergrond en wordt hun plaats geheel door de geestelqke ouders ingenomen. Deze presenteeren het kind tea doop; deze beaatwoordea de doopvragen; dese houden het kind bq den doop vast, en op hen rust in eigenlqken zin de plicht om aan het gedoopte kind een religieuze opvceding te geven. Ze werden dan ook door de Roomsche Kerk patrini genoemd, v/aarvan oas pettr of peet afkomt, of ook wel com-pater of com mater, d.w.z. made-vader en medemoeder, wat In het oud-Hoiiasdsch werd weergegeven door ge-vader en ge-rnoeder, een naam, dien de doopgetuigen nog ÏQ onze oude Kerkenordeningen dragen. Aangezien voorts bq den doop aan fe^ kind ais wedergeboren kind een nieuwe Christelijke naam werd gegeven en de doopgetuigen of peet-ouders dezen Kaam noemen moesten, wordt nu nog degene, naar wien men vernoemd is, iemands „peet' geheeten. Zelfs werd de band tusschen de peet-ouders en het peet-kind, of wil mw tusschen de doopgetuigen en het gedoopte kind, zoo sterk opgevat, dat daardoor een werkelijke verwantschap was tot stand gekomen; een huwelijk tusschen deze doopgetuigen en het gedoopte kind werd daarom als bloedschande beschouwd en zwaar gestraft.
Uit dit alles blijkt wel, dat al heeft de Roomsche Kerk officieel in haar Catccbismus de voorstelling gegeven, dat de relatie tusschen doopgetuige en doopkied een iou'«' geestelqke is en alleen doelt op de kt«re op' voeding, de oudere, meer magische vootstelling, dat de doopouders de eigen'Öj^^ geestelijke ouders zijn van het kind, oi'' geheel is uitgebannen. De eisch, dat er bij de» doop een physische aanraking va.ti het kind moet plaats vinden en het verbod va" een huwelijk tusschen de doopouders «" het kind (wat later zelfs tot de ouders vsa het kind werd uitgestrekt) wijzen hierop.
Ten slotte dient nóg te worden opg^' erkt, om den verderen loop van zak'" uidelijk te maken, dat de Roomsche Ke* ok al eischt ze het niet, toch toelaat, da' aast den peter of meter ook nog optrede». oopgetuigen (testes baptismi), die alle' ienen om te getuigen, dat de doop w'^' ig geschied Is. Waar men vroeger en nog niet
overal doop-registers op na hield en de 01 niet in i»et midden der gemeente, doop ^°J, in een doopkapel geschiedde, kon 7 later alHcht twijfel r^'zen, of iemand «, 1 gedoopt was. Vandaar dat deze doop-Ttuieea bij den doop optraden. Zij legden «hter geen belofte af, hadden de doopvran niet te beantwoorden en stonden in Ilea geestelijke relatie tot het kind. Het ? jja hen, dat onze naam van „doopge-^, gen" is ontleend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1913
De Heraut | 4 Pagina's