Studenten in de Theologie.
III.
Het vervolg van de rede van Prof. Hodge luidt aldus:
Gij zult zeker vooruitgaan In uw gods dienstig leven In den t^d, dien g^ aan het seminairie doorbrengt, zoo het studeeren zelf voor u wordt het deelnemen aan Gods dienstige oefeningen, waaruit gij lederen dag put verruiming van hart, verheffing van geest en aanbiddende verheuging voor Uw Schepper en Zaligmaker. Ik raad u niet aan, en hier moet g^ wel op letten, uwe theologische studies als uwe eenige Godsdienstige oefeningen te beschouwen Z^ zullen u wel grootelijks loonen, en uw geestelijk leven zal er van afhangen, hoe gij ze opvat. Er zgn echter nog andere, die elk op haar tijd stipt moeten worden waargenomen, en ook die kunnen niet verwaarloosd worden, zonder groote schade in uw geestel^k leven aan te richten. Ik bedoel hiermede speciaal de vastgestelde godsdienstige samenkomsten van ons seminarie. Ik wensch mij hier duidel^k en nadrukkelQk over uit te spreken. Geen mensch kan zich onttrekken aan de voorgeschreven samenkomsten der gemeenschap van welke hij lid is, zonder zijn persoonlek geestelijk leven groote schade toe te brengen. Het Is niet zonder grond, dat de apostolische schrijver deze vermaningen bijeen voegt: „Laat ons de onwankelbare bei^denis der hope vasthouden" èu "laat orts de onderlinge b^eenkomsten niet nak' ten." En als h^ ons gebiedt de onderlinge b^eenkomsten niet na te laten, dan heeft h^ het oog, zooals de uitdrukking die hij gebruikt, aanduidt, op de geregelde, voor< geschreven vergaderingen der gemeente; en hij wenscht zijn lezers hun plicht tegenover de Kerk en tegenover zich zelven nog eens op het hart te drukken. En als hij er nog aan toevoegt; gelijk sommigen de gewoonte hebben, dan wil hij deze zi^ne aanmaning tot een gebod maken. Wij kunnen als 't ware zqn lip zien krullen, als hg het uitspreekt: „Wie zijn deze menscheo, die zoo reuzensterk, zoo buitengemeen heilig z^n, dat zij de hulp van de gewone gods dienstotfeniug voor zichzelf niet noodig achten, en wie acht zich zoo sterk en heilig, en wil dan zijn hulp aan dien gewonen eerediesst niet verleenen?
De noodzakelijkheid van dezen gemeen schappel^ken eeredienst voor den mensch In 't algemeen genomen is groot, doch In veel sterker mate geldt dit voor mannen In uw positie. G^ z^t hier in deze plaats saamgekomen met een godsdienstig doel: de voorbereiding tot den hoogsten geestelijken dienst die door menschen kan wor den vervuld, n.l. leiding te geven aan anderen in hun godsdienstig leven. En zoudt g^ nu aan alle andere dingen, behalve aan uw openbaren eeredienst, gemeenschappelijk deelnemen?
Gij zijt hier saamgebracht, ver van uw huls, ver van alles wat „thuis" zeggen wil; gij z^t gescheiden van de kerk, waarin gQ zijt groot geworden, en van alles wat die plaatselijke kerkelijke gemeenschap voor u was, gescheiden van al deze machtige en natuurlijke invloeden, met hun eigenaardig godsdienstig leven en godsdienstig naar bulten treden. Ik zeg 't u vrij uit, een corps van jonge mannen, apart levende in een gemeenschap op zich zelf, zoo als gij doet, en moet doen, kan Individueel geen gezond, vol, rijk geestel^k leven leiden, tenz^ z^ ook aan de uiting van hun godsdienstig leven een vasten vorm geven in bepaalde uren van openbare godsdienstoefeningen. Zonder deze houdt g^ op een godsdienstig corps uit te maken, en mist gij dien steun, die vastheid, dien prikkel, dien spoorslag, die juist door dit organisch leven van een corps ieder individueel aangrijpt.
Voor mijzelf ben ik overtuigd, dat in een instituut als dit het geheele corps van studenten zich iederen dag des morgens en des avonds moet vereenigen tot een gemeenschappelijkel^ke ure des gebeds; en dat zij op den dag des Sabbats tweemaal behooren saam te komen tot een eeredienst. Zonder dezen gemeenschappel^ken dienst, op zijn allerminst genomen geloof ik, kan een inrichting niet het karakter handhaven van een beslist godsdienstige, welks leven allereerst een godsdienstig leven is. En ook geloof ik niet, dat de studenten hier vergaderd, individueel dat hooge niveau van godsdienstig leven, waarop z^ als theologische studenten behooren te staan, d kunnen bewaren, zonder die volle uiting d van dat organisch godsdienstige leven van f de inrichting. Gij zult wel opmerken, dat d ik u niet alleen vermaan om naar de kerk t te gaan. Naar de kerk te gaan is altijd z goed. Maar hetgeen, waartoe ik u aanzet, v is om naar uw eigen kerk te gaan, en S in persoon deel te nemen aan elke door m de inrichting, als zoodanig, voorgeschreven d samenkomst. Dan zult gij uw deel hebben b in het geven van een organisch godsdien g stig leven aan die inrichting, en in dat n godsdienstig leven zult gij voor uzelf een g hulp en bezieling voor uw eigen geestelijk g leven vinden, zooals nergens elders; Iets dat o gij niet kunt missen, zoo gij u bekommert a om den groei en bloei van uw geestelijk leven.
Een werkzaam lid te z^n van een levend d eestel^k lichaam is de eerste vertischte oor een gezonden godsdlenstigen toestand. Ik weet zeker dat gij m^ niet zult zeggen, at de voorgeschreven godsdienstoefeningen van uw Seminarie te veel In getal of te vervelend z^n. Dit zou slechts het lage peil van uw eigen godsdienstig leven ver v raden. De voeten desgenen, wiens hart met warmte voor het godsdienstige bezield Is, gaan als van zelf naar het Heiligdom. Ik heb vernomen dat er studenden zijn, die op vroege wintermorgens de rechte stemming tot het gebed niet kunnen vinden, en dat zij des avonds, na een dag van handenarbeid, te moe zijn; en dat z'^ het daarom maar het geschikste vinden om van de mlddagbeurten gebruik te maken; |er zijn er cie de preek van de ochtendbeurt op den Sabbath te saai — niet interessant genoeg vinden, en die in , de avondbeurt den Christus niet vinden. Zulke dingen zijn mij voeger wel eens ter oore gekomen. En gij zoudt wel een uitzondering maken wanneer gij later, predikant zijnde, In de eerste zes maanden van uw dienst van zoo iets niet gehoord hadt. Want deze dingen hoort gij dagel^ks op straat, z^ zijn de gewone uitingen van een hart, dat begint ongevoelig te worden voor de geestelijke roepstem of dat alreeds ongevoelig geworden is. Het zijn geen moedgevende symptomen bij mannen, wier leven eigenlek op het hoogste niveau van geestel^k leven moest worden doorgebracht. Buiten allen twijfel behoorden uwe geestelijke verzorgers deze dingen meer ter harte te nemen. En gij, die door hen verzorgd wordt, gij moest ze ook meer ter harte nemen. Laat mij 't u ronduit zeggen: de prediking, die g^ thans vervelend vindt, zal u niet langer vervelend toeschenen, zoo gij getrouw des Meesters roepstem gehoorzaam zgt: „Ziet dan, koe gij hoort"; zoo gij Christus in de vergadering niet vindt, het is uw eigen schuld, want dan hebt gij hem daarheen niet medegenomen. Zoo gQ na het gewone dagwerk te moe z^t om met uwe medestudenten dien dag te eindigen in gemeenschappelijk gebed, dan komt dat voort uit gemis van den waren drang tot gebed in uw hart^ En zoo het vuur op het spreekgestoelte gemist wordt, dan Is het uw plicht dit in de banken te ontsteken. Geen oog kan falen God te zien in het Heiligdom, zoo men God daarheen meegenomen heeft in zijn hart. Hoe gemakkel^k is het, de schuld van ons eigen koud hart over te brengen op onze geestel^ke leiders. Het is verfrisschend op te merken, hoe Luther met z^n heerlijk gezond verstand zulke klachten over het onaantrekkel^ke van een door hem uitgezonden prediker behandelt. Hg had ze niet uitgezonden om de menschen te behagen, zelde hij; hun roeping was niet om interessant of onderhoudend te wezen; hun roeping was, de waarheid Gods tot zaligmaking te onderwijzen. En nu, zoo zQ hierin hun plicht deden, was het lichtzinnig van menschen, die in gevaar verkeerden verloren te gaan, door gebrek aan kennis dier waarheid, aanmerking te maken op het aarden vat, waarin deze waarheid hun gebracht werd. Toen b. v. de inwoners van Torgau hunne dienaren des Woords wenschten te ontslaan, omdat, zooals zij zelden, 't geluid hunner stem te zwak was, voor die kerken, antwoordde Luther heel eenvoudig: Een oud liedje, doch het is beter zich eenige moeite te geven om het evangelie te hooren, dan zonder eenige moeite te luisteren naar Iets dat ver van het Evangelie afw^kt. De menschen kunnen hun pre& kanten nu eenmaal niet juist zóó hebben, als z^ het wenschen zouden. Laat hen God danken voor zijn zuiver Woord, en niet Augustlnus, noch Ambrosius vragen het hun te verkondigen. Zoo een prediker den Heere Jezus welgevallig Is, en Hem getrouw is, dan behoort ieder, hoe groot, hoe machtig ook, tevreden te wezen. De zaak is deze: menschen die werkel^k hongeren naar waarheid, mogen, wanneer z^ het geestel^k voedsel ontvangen, niet te veelelschend z^n over de schaal, waarin die waarheid wordt toegediend, en menschen die waarl^k hongeren, zullen dit ook niet zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 18 mei 1913
De Heraut | 4 Pagina's