Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studenten in de Theologie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studenten in de Theologie.

11 minuten leestijd

IV.

Het slot luidt aldus: van de rede van Prof. Hodgeluldt aldus:

Maar waarom zouden wij ons op Luther beroepen? Hebben wij niet een voorbeeld , In onzen Heere Jezus Christus zelf? Z^n wg soms beter dan Hrj? Ea zoo er ooit iemand geleefd heeft, die met het volste recht kon verklaren, dat de gezamenl^ke eeredienst der gemeente hem niets kon toebrengen, dan was dat wel onze Heere Jezus Christus. Evenwel vond iedere Sabbathdag hem op ziy'ne plaats, te midden der aanbiddende menigte, en er was geen eeredienst, hoe eenvoudig ook, waai hij zich boven verheven achtte. Zelfs na de meest verheven oogenblikken, na de aangrijpendste ondervindingen, nam h^ stil zijn plaats in tusschen het volk Gods, saamstemmende met hen In den gewonen eeredienst der gemeente. Zelfs toen bij terugkeerde van dat verheven tooneel van z^n doop, toen de hemelen zich geopend hadden en een stem van hem getuigd had: „Deze is m^a Zoon, mijn Geliefde, In denwelken ik een welbehagen heb"; na de verzoeking in de wosst^n, en na die eerste groote omwandeling in Gaiilea, „waar de Geest hem toe uitdreef", zooals opzettelgk verhaald wordt; — komt h^ terug in Nazareth, waar h^ opgevoed was — (zoo gaat deze wondervolle geschiedenis verder) en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des Sabbaths In de synagoge.

De Heere Jezus maakte het tot een vaste gewoonte, op den dag des Sabbaths z^ne plaats In te nemen in het huis des gel> eds, waartoe h^ behoorde. Dit is geschreven om onze gedachten op eene groote waarheid te vestigen, zooals in de verklaring van Sir William Robertson NicoU gezegd wordt, een waarheid, die wij b^ Ingebeelde geestelijkheid, dikwijls over 't hoofd zien, n.l. deze, dat zelfs de allerheiligste onder ons ter nauwernood den voorgeschreven vorm van eeredienst overbodig kan achten, en dat ds geregelde publieke samenkomst van de kerk, niettegenstaande al de plaatselijke onvolmaaktheden en gebreken, nochtans het door God gegeven middel is om het persoonl^ke zieleieven in stand te houden. En w^ mogen onszelf niet meer wisheid toekennen in deze zaken, dan onzen Heere. Zoo iemand had kunnen bogen op b^zonder hooge geestelijke ondervin^ng, en dat de openbare eeredienst voor Hem toch wel niet noodig was; zoo iemand had kunnen voelen dat zijn toew^ding en gemeenschap met God, Hem ontsloeg van wat gewone st^velicgen behoeven, dan was dit onze Heere Jezus, maar Hg zelf maakt hier nooit aanspraak op. Sabbath op Sabbath wordt H^ in het huis des gebeds gevonden, te midden van het volk Gods, en niet slechts om een goed voorbeeld te z^Q voor anderen, maar om veel dieper redenen. Zou het dan voor ééa onzer verstandig zijn te gelooven, dat hij veilig nalaten kan geregeld deel te nemen aan den gemeenschappel^ken eeredienst van de plaats onzer inwoning? Zou het werkelijk noodig z^n dat men hen, die gaarne dien Christus gelgk zouden zijn, nog moest vermanen toe te zien, om Zijne navolgers ook in dit opzicht te zijn?

Doch zelfs het meest naarstige deelnemen aan het godsdienstige leven, zooals dat in uw corps tot uiting komt, baat u nog niet zonder de persoonlijke godsvrucht, die het fundament van uw leven zqn moet. Want dit kan natuurlek alleen gevonden worden in het verborgene, of beter gezegd in uw eigen hart, In uw eigen persoonl^ke geestelijk leven en In uw Innerlijke godsdienstige geijndheid. G^ zigt hier saam als theologische studenten, en zoo gij godvruchtige mannen wilt worden, moet gg zeker allereerst uw plicht betrachten als theologische studenten. Gq moet het dagel^ksch voedsel voor uw godsdienstig leven vinden in uwe theologische studies. Gig moet ook het organisch godsdienstige leven der gemeenschap, waarvan gg deel uitmaakt, ten volie meeleven. Maar om dit goed te kunnen doen, moet gQ, In uw hart, het vuur van uw eigen godsdienstig leven brandende houden. In het alierbinnenste van uw wezen moet g^ mannen Gods s^n. De tijd zou mij ontbreken, zoo ik trachten wilde, ook maar in groven omtrek u te schetsen wat dit beteekent. ledere ziel, die ernstig en eerlek God zoekt, vindt Hem; en als zij Hem gevonden heeft, kent zij ook den weg tot Hem. Slechts één opmericing zij mij vergund, die b^zonder toepasselijk is op u als studenten, „die zich voorbereiden voor den dienst des Woords". Houdt altijd voor oogen de grootheid uwer roeping, d. w. z. deze twee volgende zaken: den onmetelijk grootschen omvang van uw taak en de oneindigheid van hulpbronnen, die u ten dienste staao. Ik geloof niet dat het ocjuist gezegd Is, dat, zoo w^ de enorme moeilgkheden van onzen arbeid overzien, wij ons neer zullen werpen op onze knieën, en zoo wg de kracht van het Evangelie, ons toebetrouwd, naar waarde weten te schatten, w^ geknield zullen blijven.

Ik heb m^ gedrongen gevoeld dit bepaalde onderwerp met u te behandelen, omdat het m^ voorkomt, dat wg leven in een eeuw, waarin wij groote behoefte heblsen te denken aan den ernst en het einde van dit leven; den ernst ook van onze roeping als dienaren van dit leven. Sir Olive Hodge vertelt ons, dat de beschaafde menschen van onzen tijd zich nu niet langer moelijk maken over hunne zonden, en veel minder nog over de straf die hun wacht. En Dr. Johslow Ross geeft oss een zeer noodige predikatie over: „De oppervlakkigheid van het moderne godsdienstige onderzoek." In een tijd als de onze is het niet vreemd, dat opmerkzame beschouwers van het leven onzer Seminaries zeggen, dat het zoo opvallend is, dat de uitdrukking van diepen ernst bi^ de theologische studenten, tegenwoordig zoo vermindert. Laat ons hopen, dat het niet zoo is, want zoo het wel zoo ware, zou het een kwaad teeken zijn, en 't Is een kwaad teeken, voor zoover dit gezegde helaas reeds waarheid Isevat. Ik wil daarom er bij u op aandringen, dat ge ook in uw uiterlQke verschoning dien ernst vertoont, en u vragen, zoo ge mannen Gods wilt worden, en dienaren die niet beschaamd zullen worden, oefent u dan daarin. Denk aan de grootte van uw roeping, aan de ontzagl^ke gevolgen, die voortkomen uit uw al of niet waardig zi^n voor dit hooge ambt. Besluit dan nu eens voer altijd, dat met Gods hulp gij nooit onwaardig zult bevonden worden.

„God had slechts één Zoon", zegt Thomas Goodwin, „en H^ maakte Hem tot een Prediker." „Geen ander als H^, die de aarde schiep, " zegt John Newton, „kan van een mensch een prediker maken, d. w. z. een prediker die zijn roeping waardig is."

Gij kunt natuurlijk wel een soort predikant worden, en toch niet zijn „een van God gemaakt predikant." GQ kunt wat het uiterl^ke van uw werk betreft er wel door heenkomen, en zelfs zal ik niet durven beweren, dat uw arbeid te vergeefsch zal zqa, — want God is goed, en wie weet weUce instrumenten Hij gebruiken wil cm Zi^n werk aan den menich te volbrengeof Helen Jackson teekent ons een ondervinding, die helaas te veelvuldig voorkomt, als zig ons de wanhoop voorstelt van hem, wiens zaaien, ofschoon lang niet onvruchtbaar voor anderen, aan eigen ziel nooit vruchten gaf:

»O teacher, then I said, thy years, Are they not joy ? each word that issueth From out thy lips, doth it return to bless Thine own heart tnanyfoldc ?

»I starve with hunger treading out their corn I die of travail while their souls are born«.

Zij meent het niet in dien slechten zin, als ik 't u voordraag. Maar wat wIlFaulus zeggen, als hg deze vreeselijke waarschuwing geeft: opdat ik niet eenigszins, waar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpel^k twvonden worde.

Er bestaat nog iets vreeselijkers. Het is onze Heiland zelf die het ons vertelt, dat het mogelijk is, dat Iemand land en zee afreist om een proseliet te maken, en nadat hi^ hem hiertoe gebracht heeft, hij hem, een kind der helle maakt, tweemaal meer als hij zelf is. En verkeeren wg dan niet Ia het groote gevaar om onze proselieten kinderen der helle te maken, zoo w^ zelven geen kinderen des hemels zijn ?

Zelfs bet natuurlgke water zal niet hooger rijzen dan zgn oorsprong is, geestel^ke wateren luisteren nog minder naar ons bevel. Er Is geen grover fout denkbaar, dan zich te gaan verbeelden, dat een werkzaam deelnemen aan Christeiijkcn arbeid ooit de plaats of de diepte kan vervangen van Christelijk gemoedsleven. En cUt Is ook de reden, waarom heden ten dage vele goede menschen een weinig bun hoofd schudden over de richting, die z^ meenen dat zich uitbreidt onder onze jongere Christenen, Een rustelooze bedrijvigheid ten koste, zooals het schijnt, van diepte van geestelijk leven. Werkzaamheid op zich zelf Is natuurlijk goed, en ongetwijfeld, voor de zaken van Grods Koninkrijk moeten wij ioopen en niet moede worden. Maar dit mag nooit de plaats innemen van de innerlijke religieuze kracht. Wij kunnen de Martha's in dit leven niet missen. Maar wat zouden wij moeten beginnen, zoo wij over de breedte en lengte van ons land te vergeefs naar ééa Maria zochten? Natuurlijk zullen de Martha's de Maria's nu al even weinig bewonderen als toen ter t^d. „Heere, " zeide Martha, „trekt g^ u dat niet aan, dat mijne zuster m^ alleen laat dienen? " Van toen af tot heden ten dage wordt nog altijd dezelfde klacht tegen de Maria's Ingebracht, nl. dat z^ de kostelijke zalf „vergoten" hebben, waardoor zooveel geld voor de armen verloren ging, terwijl zij het „voor God uitgegoten" hebben; en z^ tkeeten „lui", als z^ zich luisterend neervleien aan de voeten van hun Meester.

Van een predikant, die hoog in aanzien staat, wordt verteld, dat hi^ verklaart, — niet als schuld belijdt, let daar wel op. maar. bekend maakt, als iets waar h^ roem op draagt — dat h^ sinds lang „heeft opgehouden te bidden", want h^ werkt.

Werkt en bidt is dus niet langer, zooals het schijnt, het motto voor zijn herderlijk leven. Het Is alleen werken en niet meer bidden', en het eenige gebed dat nog over is gebleven, wordt ons verteld, even cynisch, als wanneer men zegt, dat Grod alt^d aan de z^de van het sterkste bataljon staat — het is alleen werken. Gij zult zeggen: dit zijn uitersten. En God dank, dat is ook zoo. Maar wanr het de geest van oDs moderne leven Is, dat men allen aanspoort tot een werken zonder ophouden, ik had bijna gezegd „zonder denken, zonder doel", daar moet g^ toezien dat g^ voor dien geest bewaard bl^ft, en uw leven er zelfs niet de flauwste gelijkenis mee vertoont. Bidt gij wel? En hoe dikw^ls bidt g^? En hoe gaarne bidt g^ wel? En welke plaats neemt het stille uur alleen met God, in uw leven In?

Ik ben verzekerd, dat zoo g^ eens werkel^k een idee kreegt van wat het zeggen wil: de dienst van het kruis, waartoe g^ u thans voorbereidt, en wat g^ mannen, die voor dezen dienst u voorbereidt, z^n moet, dat gg dan wel vaak zpudt bidden. „Heere, wie Is tot deze dingen bekwaam? zal uw dan hart uitroepen. En uw geheele ziel zal ? Jch In dit smeekgebed uiten: Heere, wil Gij zelf mij toebereiden en bekwaam maken.

Oude Cotton Mather schreef eenmaal een groot „klein" boekje om studenten tot gids te dienen voor hun voorbereiding tot den dienst des Woords. De minder gelukkig gekozen titel Is Manductio ad ministerium, maar als met geniale pennestreek voegde hij er een titel aan toe, die ons meer zegt. Deze ondertitel is: Engelen die sich voorbereiden tot het blazen der batuintn. En dat is 't wat Cotton Mather u noemt, u, studenten, die zich voort)ereiden voor het ambt: Engelen, die zich voorbereiden om de bazuinen te blazen. Past dezen naam op u zelf toe en leeft er naar, geeft uw dagen en uwe nachten om er naar te leven. En dan, misschien, als g^ de bazuinen gaat blazen, zal het geluid zuiver, klaar en sterk zijn, en wellicht zal het doordringen tot de graven en de dooden opwekken.

I) O, Leeraar, zeid' ik toen, zijn niet uw jaren vreugde, zult niet gij van ieder woord, dat van uw lippen Icomt, een zegen garen voor u zelf, terwijl het anderen bekoort?

Terwijl ik 't koren dorsch. sterf ik van honger en ik bezwijk inwee, als andre zielen zijn geboren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1913

De Heraut | 4 Pagina's

Studenten in de Theologie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1913

De Heraut | 4 Pagina's