Uit de Pers.
Dat in de Hervormde Kerk toch nog broeders worden gevonden, die een anderen kijk hebben op onze Gereformeerde Kerken dan Dr. Kromsigt en de zijnen, blijkt wel uit een schrijven, dat in de Nieuwe Zondagsbode, het weekblad voor de Hervormde gemeente in Zeeland, voorkwam en dat we uit de Zuider Kerkbode overnemen:
Den WeLEerw. heer Ds. J. A. v. Selms te Grijpskerke.
WelEerw. Heer en Broeder!
Indien ik voor Uw persoon en werk minder hoogschatting gevoelde, zou ik wellicht zwijgen, maar nu kan en wil ik niet zwijgen. Uw »Walchersche Brieveno: , hoé goed ook bedoeld, bevatten een element, dat naar mijn innigste overtuiging niet van Christus is en daarom geen nut doet. Ik bedoel de onvriendelijke opmerkingen aan 't adres onzer Gereformeerde broederen.
’k Geloof niet, dat 't noodig is, dat 'k U met zooveel woorden verzeker, dat ik onze Herv. kerk, ondanks al haar gebreken, van harte liefheb en niet liever wensch dan tot haar bloei en groei naar vermogen mede te werken.
Maar ik heb de kerk, waariii ik gedoopt ben en belijdenis heb afgelegd en veel zegen genoten lief, omdat zij deel uitmaakt van 't Koninkrijk Gods hier op aarde. En nu geloof ik, dat ook bv. de Geref. kerken deel uitmaken van datzelfde Rijk. Ea daarom reik ik zoo gaarne ook den Geref. broeder de hand en zeg: laten we samen bouwen aan des Heeren Huis. Ea daarom doet 't me pijn, als men dien broeder noodeloos en doelloos krenkt.
Ik ben niet blind voor de schaduwzijde der Geref. kerken. Ik zie in 't separatisme een dubbel gevaar: gevaar eenerzijds voor 't Volk, dat voor ’t overgroote deel prijsgegeven wordt, gevaar onzerzijds voor 't persoonlijk leven van den separeerenden Christen, die er 200 licht toe komt zichzelf heiliger te achten dan een ander.
Maar we hebben waarlijk genoeg in ons eigen tuintje te wieden, om bij voorkeur daarop te wijzeo. Wie, gelijk ondergeteekende, veel en intiem met Gereformeerden omgaat, moet met schaamte erkennen, dat onder hen meer ernst gemaakt wordt met 't heilige dan bij ons, dat onder hen meer echt geestelijk leven is. Om een spiekend voorbeeld te noemen: tegen tien ouderlingen der Geref. kerken, die in staat zijn bij huis-en krankenbezoek de menschen werkelijk uit 't Woord en door den Geest Gods te onderrichten en te troosten, is er nauwelijks één in onze Herv. kerk.
Daarom acht ik 't zoo broodnoodig, dat onze kerk gebouwd wordt, dat bv. onze predikanten, wier werk ik gaarne waardeer, meer nog dan tot heden de gemeente onderwijzen in de dingen van Gods Koninkrijk. Zooveel preeken zijn goed en wel, beschouwd als opwekkicgswoorden, maar zij leiden de gemeente niet dieper in en werpen geen licht op 't praktisch religieusë leven. Ook zou ik zoo gaarne meer stelselmatige vorming zien van 't belangstellend deel der gemeente, opdat daaruit metdertijd ambtdragers kunnen voortkomen, wier hart en hoofd beide hen voor 't ambt geschikt maakt.
Ook de pers, bv. ook de N. Zb., zou in deze richting iets kunnen doen. Maar dan moet ze niet de kracht verteren in onnutten en zondigen broedertwist.
Er is allerlei terrein, waarop wij met onze Geref. broederen kunnen samenwerken. Ik noem Christelijke barmhartigheid. School, en naar ik meen ook In-en Uitwendige Zending. Maar wij motten 't oprecht willen. En nu is er onzerzijds een zekere aarzeling, een zeker wantrouwen, dat misschien in één van de tien gevallen gegrond, maar in negen ongegrond is. Als men, gelijk ondergetee kende twintig jaar lang voortdurend op verschillend gebied van Christelijken arbeid met Geref. broederen samenwerkt, waarbij lang niet altijd wat op kerkelijk gebied scheiding maakt verzwegen wordt, begint men hen toch wel een weinigje te kennen, en gaat men ook bij enkele onaangename ervaringen — die men trouwens ook met Herv. mede-Christenen kan opdoen en die anderen ook wel eens met ons zullen opgedaan hebben — niet dadelijk al wat Geref. is met argwaan bejegenen.
Ik zie in dat armzalig kerkgetwist zoo'n groot gevaar. De vijand wordt daardoor sterk en wij derven grooten zegen.
Nog hoor ik wijlen Ds. Hijmans zeggen: »'t is zoo heerlijk als we elkander eens over de kerkmuren heen de hand' kunnen reiken — maar waarom trekken wij ze dan zoo hoog op ? < :
Dat i s een woord naar mijn hart — ook immers naar 't uwe! Laat de lezer van uw volgenden brief met 't oog op Grijpskerke's pastor 't woord op de lippen mogen nemen:
Zalig zij, die vrede maken. Zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Met oprechte hoogachting.
Uw. dw. dr. en br.,
K. Wielemaker.
Biggekerke, 16 Juni 1913.
Er spreekt uit dit schrijven een toon van waardeering en broederlijke liefde, waarvoor we zeer gevoelig zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juli 1913
De Heraut | 4 Pagina's