Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Synode der Hervormde Kerk,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Synode der Hervormde Kerk,

9 minuten leestijd

Amsterdam, 4 Juli 1913,

De Synode der Hervormde Kerk, die dezen zomer te 's-Gravenhage vergadert, zal opnieuw voor het belijdenisvraagstuk geplaatst worden.

Van twee zijden zuilen haar voorstellen bereiken om het belijdend karakter der Kerk beter tot uitdrukking te brengen.

Het verst gaan de voorstellen van den Gereformeerden Bond ter verbreiding en verdediging der Waarheid in de Nederduitsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk, die we , daarom het eerst bespreken. Deze Bond richt zich in een officieel schreven rechtstreeks tot de Synode met de volgende voorstellen tot reglementswijziging.

Het eerste voorstel raakt de zoogenaamde proponentsformule (Art, 27 van het Reglement op het Examen), die door de proponenten onderteekend moet worden. De Bond stelt voor deze formule aldus te lezen:

„Wij ondergeteekenden, door het Provinciaal Kerkbestuur van X (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken) tot de openbare Evangeliebediening in de Nsdetlandsche Hervormde Ketk toegelaten, beloven in het diep besef van onze. roeping en in veitrouwen op God, dat wij daarin met ijver en trouw zullen werkïaam zijn naar uitwijzen van Gods Woord, overeenkomstig de Formulieren van Eenigheid; om alzoo het Evangelie van Jezus Chiistus te verkondigen en de belangen van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned Herv. Kerk in 't bijzonder te bevorderen, ons daarbij onderwerpende aan alle wettige orde in Gods Kerk.“

Het tweede voorstel betreft de zoogenaamde godsdienstonderwgsverklaring (Art. 19 van het Reglement op het Godsdienstonderwgs) die onderteekend moet worden door de godsdienstonderwgzers. De Bond stelt deze formule voor:

„Wij ondergeteekenden, bij het Classicaal Bestuur van X (De Waalsche Commissie) geëxamineerd en toegelaten tot het geven van Godsdienstonderwijs, beloven, dat wij, in gehoorzaamheid aan onze roeping en in vertiouwen op God, daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn, om de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de twaalf artikelen des Christelijke Geloofs begrepen is~— en in de Formulieren van Eenigheid door de Herv. Ketk zelve omschreven —, te onderwijzen en akoo het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen; om de belangen van het Godsrijk in het algemeen en van de Ned. Herv. Kerk in het bijzonder naar vermogen te bevorderen, in alles ons onderwerpende aan alle wettige orde in Gods kerk.“

Het derde voorstel eindelqk raakt de zoogenaamde belqdenisvragen (Art. 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs) die bij de bevestiging aan de nieuwe leden gedaan worden. De Bond stelt deze nieuwe formuleering voor:

„De bevestiging van lidmaten heeft plaats in eane daarvoor bepaalde godsdienstoefening, bij welke hun de volgende vragen ter beantwoording worden voorgesteld:

In tegenwoordigheid van God en van Zijne Gemeente vraag ik U:

Vooreerst: belijdt gij, op grond van Gods Heilig Woord en in overeenstemming met de belijdenisschriften der Kerk, te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den H. Geest?

Vervolgens: belooft gij bij deze belijdenis in leer en leven door Gods genade te volharden? Eindelijk: belooft gij tol den bloei van het Godsrijk ia het algemeen en van de Ned. Herv. Kerk in 't bijzonder in gehoorzaamheid aan Gods Heilig Woord naat uw vetmogen volijverig mede te werken en U te onderwerpen aan alle wettige orde in Gods Kerk?

Minder ver gaan de voorstellen van de Confessioneele vereeniging, die zich niet tot de Synode zelve wendt, maar tot de Classicale vergaderingen, met het verzoek, bij de Synods het voorstel aanhangig te maken, dat in de zoogenaamde proponentsformule de volgende wijzigicg worde aangebracht, dat in plaats van:

„overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen“,

gelezen worde:

„overeenkomstig de leer der Hervormde Kerk hier te lande, (ait. ir van het Alg. Regl.) uitgedrukt in de drie formulieren van eenigheid, het evangelie van Gods vrije genade in Caristus te verkondigen“.

Terwijl ze in de tweede plaats de Classicale vergaderingen aanraadt, b^ de Synode nogmaals aan te dringen „op herstel van de rechten der Classicale vergadering“.

De indiening van deze beide reeksen voorstellen begroeten we met hartelijke ingenomenheid. Van den Gereformeerden Bond wisten we reeds lang, dat hi^ voor alle dingen aanstuurt op herstel van den band aan de Belijdenis der Kerk, Bq de Confessioneele vereeniging ontving men echter wel eens den indruk, dat alle nadruk werd gelegd op de reorganisatie en het belijdenisvraagstuk daardoor op den achtergrond raakte. Des te meer verblqdt het ons daarom, dat ook de Confessioneele vereeniging ditmaal de belijdenisquaestie op den voorgrond schoof en de reorganisatie eerst in de tweede plaats wordt genoemd. In de Belijdenis klopt het hart der Kerk, en een formeel herstel van de Gereformeerde kerkrechte-Iqke organisatie der Kerk zal nimmer iets baten, wanneer de Hervormde Kerk niet erst haar onbeslist en weifelend standpunt en opzichte van de Bel^denls heeft prijsegeven. Ook voor de actie onder ons volk an van een bloot reorganisatieplan geen racht uitgaan. Bezieling en geestdrift wordt lleen gewekt, wanneer het volk voelt, dat et om de Belijdenis gaat, die door onze aderen ons is overgeleverd.

Wat nu de voorstellen zelf aangaat, zou et zeker wenschelqker geweest zqn, datde eide bonden of vereenigingen, die het behoud van het Gereformeerd karakter | der Hervormde Kerk bedoelen, zich op dit • punt verstaan hadden tot een eenparige actie. Dit kon zeer wel geschied zijn met behoud van beider eigenaardig standpunt, en het zou op de Synode dieper Indruk hebben gemaakt. Nu zal de verbrokkeling van het Gereformeerd element schade doen. Bezwaar was er ook zeker niet geweest, dat de Confessioneele vereeniging evenals de Gereformeerde Bond een betere formuleering had voorgesteld, niet alleen van de proponentsformule, maar evenzeer van de godsdienstonderwijsformule en de zoogenaamde belijdenisvragen. De Gereformeerde Bond heeft volkomen terecht gevoeld, dat op deze drie pusten, die voor het leven der Kerk beslissend zijn, kleur moest worden bekend. Instemming met de belijdenis der Kerk te eischen van de proponenten, maar niet van de godsdienst onderwijzers. Is niet consequent. En wat in den laatsten tijd met de bevestigingsvragen, aan de nieuwe leden te stellen, voorgevallen is, heeft wel getoond, hoe brooduoodig het is, dat aan de willekeur, waarmede deze vragen gewijzigd werden door moderne predikanten, een einde worde gemaakt. In dat opzicht achten we de voorstellen van den Gereformeerden Bond dus meer aanbevelenswaardig. Ook de verklaring, die In al de drie voorstellen van den Gereformeerden Bond aan het slot . gevonden wordt, dat men belooft zich te onderwerpen „aan alle wettige orde in Gods Kerk", Is wel een groote verbetering vergeleken bij de thans geëische belofte van gehoorzaamheid aan de reglementen der Hervormde Kerk. Het laatste is een puur Roomsch beginsel, het eerste alleen drukt het zuiver Gereformeerde standpunt uit en laat de conscientle vrij om zich te verzetten tegen een macht in de Kerk, die een onwettige orde in Gods gemeente zou willen invoeren of handhaven.

Minder gelukkig schijnt ons daarentegen de formuleering van de proponentsformule door den Gereformeerden Bond gekozen. Bij de verklaring door de godsdienstonderwijs zers af te leggen, wordt zeer juist gevraagd, of zij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de twaalf artikelen des Christelijken geloofs begrepen is, en in de Formulieren door de Hervormde Kerk zelve omschreven, zullen onderwijzen, want deze belofte snijdt aan elk moderne de mogelijkheid af om deze formule te onderteekenen. Anders daarentegen staat het met de formule voor de proponenten, want de hier gevraagde belofte, of zij in hun bediening met ijver en trouw zullen werkzaam z^n naar uitwijzen van Gods Woord, overeenkomstig de Formulieren van Eenigheid, laat de achterdeur open, dat een moderne proponent zal zeggen: dit laatste slaat alleen op den ijver en trouw, waarmede ik mijn ambt heb te vervullen, maar ik beloof daarmede niet, dat de inhoud van mijn prediking „overeenkomstig de Formulieren van Eenheid" zat wezen. Vooral bij een dergelijke formule, die beslist voor de toelating tot het ambt, dient met dubbele voorzichtigheid te worden gewaakt, dat geen de geringste dubbelzinnigheid overblijft, waarachter men zich zou kunnen versc'nuilen. Tot op zeke hoogte geldt ditzelfde bezwaar ook tegen de voorgestelde wijziging van de Confessioneele vereeniging, want de belofte, dat men overeenkomstig de leer der Hervormde Kerk hier te lande, uitgedrukt in de drie Formulieren van Eenigheid, het evangelie van Gods vrije genade in Christus zal verkondigen", legt wel meer den nadruk op wat de iniwud der prediking moet wezen, maar laat toch evenzeer een achterdeur open, in zoover het „overeenkomstig de leer der Hervormde Kerk" kan worden uitgelegd in dien zin, dat men persoonlijk niet behoeft in te stemmen met de drie Formulieren van Eenigheid, maar alleen te zorgen heeft, dat men het Evangelie van Gods vrqe genade in Christus verkondigt, overeenkomstig, d, w. z, gelijk dit geëischt en voorgeschreven wordt, door de leer der Hervormde Kerk. Natuurlijk is dit in geen van beide gevallen aldus bedoeld. De bedoeling zoowel van den Gereformeerden Bond als van de Confessioneele vereeniging is om van de proponenten een verklaring uit te lokken, dat zij met ds leer der Kerk, d, w, z. met de drie formulieren van Eenigheid, instemmen, maar dit had dan ook klaar en ondubbelzinnig moeten worden uitgedrukt, zooals dit in de onderteekeningsformule door de Dordtsche Synode vastgesteld, geschied Is. Ds lijdensgeschiedenis met het quatenus heeft wei geleerd, hoe men niet voorzichtig genoeg wezen kan met het kiezen zijner uitdrukkingen, vooral waar men te doen heeft met een partij, die door elk maasje van het net weet heen te wringen.

Overigens Is het lot dezer beide voorstellen wel reeds van te voren beslist. Noch de Gereformeerde Bond noch de Confessioneele vereeniging zal zich wel de illusie hebben gemaakt, dat deze voorstellen ook maar de minste kans hebben om door de Synode aangenomen te worden. Men weet vooruit, dat de Synode deze voorstellen eenvoudig ter zgde zal leggen; noch de modernen noch de ethischen zullen van een verscherpte proponentsformule Iets willen weten.

Toch Is dit de vraag niet.

Hoofdzaak is, dat door deze voorstellen aan de Synode opnieuw een protest uitgaat tegen de belijdenisloosheid, die thans feitelijk In de Hervormde Kerk heerscht.

Zulk een protest schudt de conscientlën weer wakker. Het doet opnieuw gevoelen, dat de bestaande toestand niet deugt, ingaat tegen Gods Woord, voor de Kerk van Christus een schande Is en niet stilzwijgend gedragen mag worden.

Hierin toch ligt de l)eteekenls van deze voorstellen.

En daarom zijn we dankbaar, dat en de Gereformeerde Bond èn de Confessioneele vereeniging de bel^denisquaestie bij de Synode opnieuw aan de orde hebben gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juli 1913

De Heraut | 4 Pagina's

De Synode der Hervormde Kerk,

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juli 1913

De Heraut | 4 Pagina's