Uit de Pers.
Ds. den Hengst, van Veenendaal, die met de Gereformeerde Kerken brak om zich met een deel zijner gemeente te voegen bij de zoogenaamde »Gereformeerde gemeenten in Nederland", heeft rekenschap van deze daad gegeven in een brochure, die tot titel draagt Uitgetreden. Naar aanleiding van deze brochure schreef Ds. Donner, van Breda, in de Bode voor Noord-Brabant en Limburg het volgende:
»Den 5 den Juni j.l. legde Ds. W. den Hengst, Geref. pred. te Veenendaal, zijn ambt neder en trad uit het kerkverband. Een deel der gemeente volgde hem, en aansluiting werd gezocht bij »de Gereformeerde Gemeenten in Nederland*.
De Heraut schreef in haar No. van 29 Juni over deze droeve zaak op deelnemende en teedere wijze en gaf tevens de oorzaak van deze openlijke breuke duidelijk aan.
»Een Vriend* gaf ter rechtvaardiging van deze uittreding een open brief in 't licht, waarin hij de kwestie en hare gevolgen zeer kort uiteen zette, om aan het einde van zijn briefden i%r< 2»/-schrij ver te bejegenen op een wijze, die gewoonlijk eigen is aan hen, wier zaak niet sterk maar zwak staat.
Ds. Mulder, Geref. pred. te Ede, heeft den open brief van dien «Vriend* beoordeeld. Hij deed dit kort maar duidelijk en behield in zijn schrijven den toon, die betaamt.
Voor enkele dagen nu is een geschriftje verschenen van de hand van den uitgetreden Dienaar zelf, waarin hij «rekenschap* geeft van «gevoelens en handeling*.
In dit boekje, waarin de Geref. Kerken en bijzonder hare dienaren bestreden worden op eene wijze, waarvan wij ons niet gaarne zouden bedienen, wordt o.a. beweerd, dat het schrijven van De Heraut en dat van Ds. Mulder eigenlijk voortkwam »uit vrees dat de vlam ook naar elders mocht overslaan*. Het zij echter schrijver dezes vergund bescheidenlijk op te merken, dat in elk geval deze door Ds. den H, afgelegde «rekenschap* de zaak, die hij voorstaat; niet zal bevorderen.
Na aandachtige lezing van zijne brochure vroeg ik mij af: is dit nu rekenschap geven van gevoelens en handeling in eene zaak van zoo groot gewicht? Het zegt.toch niet weinig, als Dienaar desWoords uit te treden en daarin door een gedeelte der gemeente te worden gevolgd. Wie tot zulk een daad komt, moet deugdelijke gronden aanvoeren; hij moet op duidelijke wijzen de redenen aangeven, die hem tot die uittreding hebben genoodzaakt; hij moet kunnen getuigen van eenen ernstigen en volhardenden strijd, die, met heilige bedachtzaamheid gevoerd, ter wille der waarheid is aangebonden geworden; hij moet met rechtmatige verontwaardiging kunnen gewagen van de verwerping zijner bezwaren door meerdere vergaderingen, om ten slotte allen, die van zijne verantwoording kennis namen, te brengen tot den uitroep der volle instemming: deze Dienaar kon en mocht niet anders handelen dan hij deed!
Van dit alles nu wordt in deze rekenschap niets gevonden. Niemand, die eerlijk en onbevangen deze verantwoording leest, zal iets gevoelen van onrecht, hetwelk een Dienaar van Christus zou zijn aangedaan, evenmin als hij iets bemerkt van een ernstig en krachtig pogen om van dwaling af te brengen en tot waarheid terug te voeren, welk pogen met een voor den betrokken dienaar vergeefsche uitkomst zou zijn geëindigd. Het boekje echter geeft onduidelijke, verwarde toelichting van bezwaren in betrekking tot een drietal punten, en als de schrijver bedenkingen opwerpt, b.v. waarom zijt gij niet gebleven en beriept u niet op meerdere vergaderingen, — dan geeft hij antwoorden, die voor een Dienaar des Woords met een deel der kerk uitgetreden, niet kunnen gelden.
Zóó doet men geen rekenschap van gevoelens en handeling, die de gemeente des Heeren betreffen. Geheel de verantwoording, beide van gevoelens en handeling, draagt het kenmerk van onbeslistheid, zwakheid en wankeling.
De schrijver beweert: «het gaat om de ware waarheid». Die ware waarheid — en ziedaar de rekenschap van zijne *gevoelens», — wordt in de Gereform. Kerken te kort gedaan.
Allereerst in zake het verband tusschen belijdenis doen en Avondmaalsviering. Hij oordeelt, dat in betrekking tot dit stuk de Geref. Kerken Labadistisch zijn. Belijdenisvragen worden gedaan, die alleen door wedergeborenen kunnen beantwoord worden, en gevolg daarvan is, dat men allen ten avondmaal moet toelaten, waardoor verwarring ontstaat tusschen de Kerk als organisme en als instituut. Maar heeft de schrijver wel bedacht, dat de ambtsdragers alleen hebben rekening te houden met wat zichtbaar en kenbaar is en het verborgene voor den Heere moeten laten ? Zij mogen geen scheiding maken tusschen het belijden der waarheid en de toetreding tot het Avondmaal, terwijl in de voorbereiding tot dit sacrament oök niet eenzijdig de nadruk mag gelegd worden op de roeping om ten Avondmaal te gaan, maar tevens moet gewezen worden op het voorrecht, tot den disch des N. Verbonds te mogen naderen.
Derhalve moeten de ambtsdragers bij het afleggen der belijdenis getrouw zijn en niet alleen den duren plicht, maar ook het genadig voorrecht voor oogen stellen, den dood des Heeren te mogen verkondigen.
Vervolgens wordt naar het oordeel van den schrijver in onze kerken de Verbondsleer averechts voorgestaan, want men leert dat sommigen in het verbond blijven uit kracht van eeuwige verkiezing en andef, en er slechts tijdelijk in zijn uit kracht van Gods voorzienig bestuur. Maar de schrijver weet toch, dat aan het-eene genadeverbond twee zijden zijn ? Eéne zijde is alleen voor ons en de andere voor God volkomen zichtbaar. Wij oordeelen alleen, gelijk wij boven reeds opmerkten, over den wandel. Het afdoende oordeel is van God, den Alwetende. De prediking behoort dus verbondsmatig te zijn, maar moet oök daarop gericht worden, dat een iegelijk zichzelve onderzoeke of hij in het geloof is.
Het derde bezwaar geldt de leer der veronderstelde wedergeboorte, die volgens den schrijver in de Gereformeerde kerken wordt gepropageerd.
Ook voor die aanklacht is geen bewijs. In de wedergeboorte ligt de grond niet, waarop aan de kinderen der gemeente de doop bediend wordt. Gods bevel en belofte is de grond van den doop. Het zaad des Verbonds beschouwen wij evenwel in Christus geheiligd te zijn, totdat bij het opwassen het tegendeel blijke. Daarom moet ook in betrekking tot dit punt in de prediking bij het zaad der kerk op zelf-onderzoek worden aangedrongen. Hierop nu volgt de rekenschap, die de schrijver doet van zijne «handeling». Waar hij met de Geref. kerken brak ter oorzake van die geschillen, daar zou men verwachten, dat een ernstige en volhardende strijd vooraf ging, met heilige bedachtzaamheid gevoerd; voor het minst onderscheidene besprekingen en onderhandelingen zouden gehouden zijn in broederlijken zin, waarbij hij als voorzitter van den kerkeraad en als herder en leeraar der gemeente de zoo noodige vaste leiding gaf. De mededeeling hiervan vonden we in de «rekenschap» p niet. Als op de kerkeraadsvergaderingen de geschillen eens ter sprake kwamen, dan, het blijkt duidelijk, werden de broeders, die niet onvoor waardelijk instemden, als tegenstanders beschouwd, ja, als zulke tegenstanders, van wie men zich zeker zou hebben bevrijd, zoo de regeling voor de verkiezing van kerkeraadsleden het maar had toegelaten.
Is dit herderswerk? Mag men zoo handelen in de treffelijke en verantwoordelijke plaats, waarin men als Dienaar des Woords is gesteld? Wordt op deze wijze het waarachtig, welzijn van de gemeente des Heeren gebaat? Zoo wordt naar ons oordeel juist in de hand gewerkt het formeeren van groepen in de gemeente, «die al of niet met de prediking en het standpunt van den leeraar zijn vereenigd».
Waarom de zaken niet op meerdere vergaderingen werden gebracht, dienaangaande verklaarde schrijver, dat «het zijn voornemen is geweest zulks te doen, maar de Heere nam den last van zijne schouders en toen viel ook tevens dit voornemen weg; hij zelf had de zaak niet langer liit te werken, zij was in andere Handen overgegaan».
Wij laten deze woorden onaangeroerd. De schrijver beweert zelf, «dat hij dit natuurlijk tegenover anderen niet kan bewijzen». Maar dan merken wij öp, dat hier ook van geene «rekenschap« sprake is.
De kerkrechtelijke fout, die hij beging, «kan hij op onderwerpelijke gronden niet toestemmen, maar als hij uit practisch oogpunt de zaak beziet, dan zou eene kerkelijke procedure toch geene oplossing hebben gegeven*. Zoo wordt hij in deze handeling, geleid eenerzijds door onderwerpelijke en anderzijds door tactische overwegingen, terwijl hij zich niet ontziet de broeders der classis Amersfoort van «tactiek* te beschuldigen.
Deze broeders waren ongetwijfeld bereid hem voor te lichten en te steunen, wat niet eenmaal door hem is begeerd.
In ernst, wanneer men op deze wijze als dienaar der gemeente zijne handeling poogt te rechtvaardigen, wat dan te denken van de leering, wederlegging en onderwijzing, die de gemeente ontvangt, aan zijne zorgen toevertrouwd?
Zóó treedt men niet uit. Dit is wegloopen om de verdeelde gemeente van Christtis aan haar zelve over te laten. De velen, die te Veenendaal uit het kerkverband traden, vergaderen nu onder den naam van »Gereformeerde Gemeente*. Al zijn zij niet vele machtigen en edelen, gelijk het boekske vermeldt, enkelen van die worden toch onder hen gevonden. Een der schoonste panden op het dorp is tot pastorie aangekocht, terwijl achter haar het kerkgebouw voor de uitgetredenen zal verrijzen. Neen, niet de Geref. Gemeente, maar de
Geref. Kerk te Veenendaal is als «een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof overgebleven». Geen nood echter. De gemeente des Heeren, ook tè Veenendaal, staat of valt niet met menschen. God is in het midden van haar; zij zal niet wankelen ; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond».
Voor dit goede en bezadigde woord zijn wij Ds. Donner dankbaar. Veoral omdat met deze brochure druk gewerkt wordt in onze Kerken om de geesten te ontrusten, was het wel noodig, dat op zakelijke wijze werd aangetoond, waarom de bezwaren, die tegen onze Gereformeerde Kerken worden ingebracht in deze brochure, niet juist zijn.
Wellicht komen we op de brochure zelve nog terug. Thans veroorloven we ons slechts één opmerking. In de bedoelde brochure drukt Ds. den Hengst een uitvoerig verweerschrift af, dat hij aan de Heraut zou gezonden hebben, maar dat door ons niet werd geplaatst, en hij beschuldigt ons deswege, dat onze persmanieren niet ridderhjk zijn.
Dat Ds. den Hengst bedoeld schrijven aan de redactie van de Heraut gezonden heeft, betwijfelen we niet, maar dit ingezonden stuk is door ons niet ontvangen. Vermoedelijk is het evenzeer een verzuim van de post geweest, dat de brochure van Ds. den Hengst ons niet gezonden werd; want we kunnen kwalijk onderstellen, dat Ds. den Hengst een brochure, waarin hij tegen de Heraut allerlei bezwaren inbrengt, niet aan haar redactie zou gezonden hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 december 1913
De Heraut | 4 Pagina's