Uit de Pers.
Ook hetgeen Prof. Bouman in de Basuin schrijft over de tolerantie op kerkelijk gebied, nemen we hier over. Hij onderscheidt ze van de vrijheid om te profeteeren, en toont aan, hoever ze volgens onze vaderen mocht gaan.
Wij hebben in ons vorig artikel nagegaan, dat de Gereformeerden wel vastheid en handhaving van de belijdenis wilden, zoo voor de leden als voor de voorgangers der kerk, maar dat het volstrekt niet de bedoeling was de vrijheid van he geweten aan te tasten. Dat toonden zij duidelijk door aan hare leden het recht te gunnen, bezwaren tegen de vastgestelde leer in te brengen, en over die bezwaren door de kerk te laten oordeelen, en voorts door de vrijheid van leeren te laten omtrent die dingen, waarover de belijdenis zich niet uitsprak. Hierbij kwam nog de tolerantie.
Wat moeten wij onder de tolerantie verstaan ?
Tolerantie beteekent verdraagzaamheid; en we voornamelijk met betrekking tot de godsdienstige gevoelens van andersdenkenden. Deze verdraagzaamheid kan gezegd worden van een privaat persoon, die zijn medemenschen, of van een overheid die de onderdanen niet hindert in hunne godsdienstige gevoelens. Wij hebben hier het oog op de tolerantie in het kerkelijke leven, waarbij door de kerk sommige gevoelens bij hare leden geduld worden. Deze tolerantie is iets anders als de vrijheid van de profetie. De vrijheid van profetie heeft betrekking op een gebied, waaromtrent de belijdenis zich niet uitspreekt, maar de tolerantie is door de Gereformeerden steeds beschouwd als een middel, om de eenheid in het kerkelijke leven te bevorderen, doordat men de zwakken en de dwalenden tegemoet kwam.
Deze tolerantie in Gereformeerden zin gaat niet uit van de gedachte, dat men onverschillig is omtrent de leer der kerk; evenmin dat men, zooals r in de achttiende eeuw in ons land, zoo breed waardeerend is, omdat men niet leeft uit het rechte beginsel, en niet overtuigd is van de waarheid van de leer der kerk, ook niet dat men terwille van n den vrede alles maar toegeeft. Ook de tegemoetkomende gezindheid van hen, die uit een agnostisch beginsel alles kunnen waardeeren, heeft met d Gereformeerde gedachte van de tolerantie niets te maken. Verder is de tolerantie iets anders als ge wetensvrijheid. De tolerantie, zooals de Gereformeerden in den strijd met de Remonstranten haar opvatten, bedoelde eenvoudig rekening te houden met de mogelijkheid, dat iemand door gebrek aan inzicht, door invloeden van buiten, door , vooringenomenheid, bezwaren had tegen een of meer stukken der leer, en dat wel in alle op rechtheid, en niet uit oorzaak van libertijnsche losheid. Trigland beschijft haar in zijn Rechtghematigden Christen als volgt: »Men duit het kwaad dat men niet kan verbeteren, om iets goeds, dat met hetzelve samengaat, opdat men, het kwade uitroeiende, niet meteen het goede verderve, en dat voor , een wijle tijds, totdat men beter gelegenheid vind r om het kwade te genezen". De bedoeling van d tolerantie was dus, dat men hen die uit zwakheid en uit gebrek aan inzicht bezwaren tegen de lee hadden, moest dragen en nader onderrichten, maa - hen die leeringen verkondigden, welke afweken van de analogie des geloofs en volhardden in he kwade, niet in de gemeente moest dulden, en ten l slotte moest excomuniceeren. Tolerantie veronder stelt dus iets abnormaals, iets wat men terston t niet kan verbeteren, dat men wel dragen en dulden l kan, maar niet goedkeuren en handhaven.
Herhaaldelijk is de zaak van de tolerantie op de Gereformeerde Synodes ter .sprake gekomen. In 1852 werd op de provinciale synode van Noord-Holland gevraagd, in hoeverre predikanten die bezwaai-hadden tegen de praedestinatie, konden worden gedragen. De Synode antwoordde dat-zij hierover in het algemeen geen uitspraak kon doen, omdat zij niet wist «hoeverre sulcker onverstandt Street, ende zij gedragen souden bègeeren te worden". Wenschelijk was dat de kerk met hen zou spreken, en dat zij voorts naar bevind van zaken met hen handelen zou. Toen Coolhaes op desynode van. 's-Gravenhage, 1586, bekende dat hij wel de Gereformeerde belijdenis in alle punten en artikelen voor goed en schriftmatig hield, maar dat z.i. de woorden van art. 16 over de praedestinatie zoodanige verwerping leerden, die hij niet kon aanvaarden, werd besloten hem als lidmaat te dragen, indien hij beleed dat allen, die zalig worden, niet door hun eigen verdienste, waarde of heiligheid, maar alleen uit loutere genade behouden worden, en dat zij die verloren gaan, om eigen schuld verloren gaan, en dat God geen oorzaak daarvan is. Indien hij dat bekende en niet voortging te leèren een algemeene genade Gods over alle menschen tot hun behoudenis, dan zou hij kunnen worden gedragen als lidmaat der kerk, maar niet als leeraar.
Dit was een goede opvatting van de tolerantie. In een lid der kerk kan de onkunde beter verklaard en geduld, maar de leeraars der kerk behooren beter onderricht te zijn, en wijl zij zijn verkondigers en handhavers der leer, kan hun afwijking zooveel verderf veroorzaken. Ook de Generale Synode van Dordrecht 1618/19 maakte dit onderscheid. De leeraren, die hardnekkig de vermaningen weerstonden, moesten terstond worden afgezet, en zij die gezeggelijk en leerzaam zich betoonen, moeten alleen geschorst en kunnen later in hun dienst worden hersteld. Maar de leden der gemeente, die in geen kerkendienst zich bevonden, werden minder streng behandeld. Indien zij hardnekkig volhardden in de Remonstrantsche dwaling, die tenslotte op verloochening van de waarheid Gods uitliep, dan moesten zij na langdurige vermaning en onderwijzing geëxcomuniceerd. Maar zij, die uit uit onkunde of zwakheid dwaalden, werden met alle lijdzaamheid en voorzichtigheid behandeld. Men wilde zoo gaarne de leden behouden, en de eenheid der kerk handhaven.
De leer der kerk, steunend op de H, Schrift, wilde men handhaven, maar ook aan de vrijheid der leden niet te kort doen. Waren de leden van de kerk het niet eens met de belijdenis, welnu, zij hadden tenslotte de vrijheid om de kerk te verlaten, maar binnen de grenzen der kerk mochten zij niet willekeurig afwijken. Indien het geval zich voordeed, dat iemand op een of ander punt een ander gevoelen had, afwijkend van de leer der kerk, dan moest in elk voorkomend geval beoordeeld worden, of de afwijking van ingrijpenden aard was, of iemand uit onkunde handelde, of met de bedoeling de grondwaarheden tegen te spreken, en in verband hiermee moest beoordeeld worden of iemand om zijne afwijkende meening kon worden gedragen of niet.
De Gereformeerden hebben steeds onderscheid gemaakt tusschen fundamenteele en niet fundamenteele artikelen. Calvijn zegt in zijne Institutie IV, 1, 12: «De hoofdstukken van de ware leer zijn niet allen van eenerlei beteekenis. De kennisvan sommige hoofdstukken is zóó noodzakelijk, dat ze bij allen voor vast en ontwijfelbaar moeten gehouden worden als artikelen, die eigenlijk tot de religie behooren, als daar zijn: dat er is één eenig God, dat Christus is God en de Zoon Gods, dat onze zaligheid bestaat en gelegen is in Gods barmhartigheid en dergelijken. Daar zijn wederom andere hoofdstukken, waarover de kerken het oneens zijn en van elkander in gevoelen verschillen, maar zóó dat daardoor de eenheid des geloofs niet verscheurd wordt. Want welke kerken zouden toch de eenigheid daarom breken, omdat de eene niet uit begeerte om te twisten, niet uit halstarrigheid om het hare staande te houden, zich laat voorstaan, dat de zielen, zoo haast als zij van het lichaam scheiden, naar den hemel gaan, en de andere wederom niets zekers durft bepalen van de plaats, waarheen de zielen gaan, maar evenwel voor vast en zeker houdt, dat zij den Heere leven"? In zaken die de gronden der leer niet raken, kan groote vrijheid worden toegelaten, maar in de hoofdstukken der leer, kan door de kerk de afwijking en de bestrijding niet worden geduld.
Stel dat iemand Baptistische gevoelens heeft over den doop, dan kan dit voortspruiten uit gemis aan rechte kennis van de Gereformeerde gedachte des verbonds. In zulk een geval, wanneer echter de persoon onberispelijk is in den wandel, dient de kerk voorzichtig te zijn. Indien hij gewillig is zich te laten onderwijzen dan mag hij, ook al heeft hij bezwaar zijn kind te laten doopen uit gemoedsbezwaar, niet worden geëxcommuniceerd. De broeder of de zuster zal door het ondei-wijs worden gewonnen, of het zal blijken dat hij bij nadenken op meer punten afwijkt. Een dwaling staat toch nimmer op zich zelve. Is het een bewuste dwaling, dan steunt zij op verschil van levensbeschouwing, en dan zal het al meer blijken, dat het bezwaar tegen den kinderdoop niet is een afwijking op d punt alleen, maar een dwaling die ingaat legende Gereformeerde levensgedachte. De voorgangers der t gemeente hebben daarom wel te waken, dat hun voorstelling der leer helder is en dat zg de bezwaarden moeten tegemoet treden, om zoo mogelijk den wortel van het bezwaar aan te tasten en weg te nemen.
De tolerantie of dulding van de bezwaren tegen de leer wil dus niet zeggen, dat men de afwijking maar moet laten begaan, maar dat men ze tijdelijk dragen moet; de bezwaarden met alle liefde en l teerheid moet onderwijzen, om ze zoo mogelijk te winnen, of in elk geval de afwijking onschadelijk maken. Heeft iemand voor zich zelf een bepaald afwijkend gevoelen, en gaat hij deze niet propageeren, dan kan hij als lid der gemeente worden geduld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 25 januari 1914
De Heraut | 4 Pagina's