De actie voorde Vrije Universiteit
Amsterdam, 13 Maart 1914.
De actie voorde Vrije Universiteit scheen in den laatsten tijd wel ietwat ingeslapen te wezen.
Niet dat het bedrag der contributiën of de inkomsten uit de-kerkelijke collecten daalden; ook niet, dat het aantal studenten dat aan onze Hoogeschool studeeren komt, terug liep; maar het bleef alles op dezelfde hoogte staan, en het gaf soms den indruk alsof het hoogtepunt reeds was bereikt en verdere inspanning nu overbodig was.
Vooral de aanzienlijke erflating, die aan de Vrije Universiteit ten deel viel door de stichting van het Coevorden-Adriani-fonds, deed een gevoel van gerustheid ontstaan; van finantieele zorgen was de Vrije Universiteit nu bevrijd, want de baten van dit legaat zouden alle tekorten wel doen verdwijnen.
Misschien is het daarom wel goed er nog eens aan te herinneren, dat dit fonds volgens de bepalingen van den erflater in de eerste plaats dienen moet om de nog ontbrekende faculteiten aan te vullen, en de beheerders van dit fonds in dien strengen zin hieraan de hand houden, dat voor de drie bestaande faculteiten niets gegeven wordt. Eerst wanneer de Vrije Universiteit tot uitbreiding van haar faculteiten overgaat, zal dit fonds dus een ruggesteun bieden. Maar ook niet meer dan dat. Stelt men toch de inkomsten van dat fonds op een rond bedrag van ƒ 25.000, dan behoeft het heusch wel geen betoog, dat men daarmede geen medische of natuurkundige faculteit kan oprichten. Zelfs de meest bescheiden poging om een begin te maken met de stichting van een dezer faculteiten, zou misschien het driedubbele van deze som vereischen. IJn als men dan nagaat, dat aan contributiën voor heel de Universiteit op dit oogenblik nog niet meer inkomt dan een bedrag van ƒ 24080, 11 kan ieder wel nagaan, hoever we nog, ook met deze bijdrage van de Coevorden-Adriani-stichting, van de bereiking van ons ideaal verwijderd zijn.
Maar ook afgezien van deze uitbreiding der faculteiten zal belangrijke finantieele versterking van de Vrije Universiteit noodig wezen, om wat ze thans heeft staande te houden. De uitgaven • klimmen toch elk jaar, en waar de inkomsten uit contributiën, collecten enz. stationnair bleven; daar zal dit tot gevolg moeten hebben, dat de tekorten elk jaar zullen toenemen. Indien de offervaardigheid niet zeer belangrijk stijgt, zouden Directeuren wel genoodzaakt wezen tot dekking dezer tekorten het kapitaal, voorzoover dit beschikbaar is, aan te spreken, en dan zou het bestaan der Universiteit zelf gevaar loopen. Want dit beschikbaar kapitaal zou binnen enkele jaren zijn opgeteerd.
Nu is de oprichting der Vrije Universiteit een geloofsdaad geweest. Het scheen in menschelijk oog een dwaasheid, een Universiteit te willen stichten, die geen andere inkom^fen zou hebben dan wat de »kleyne luyden« aan liefdegaven bijeenbrachten. Er sprak uit de stichting dezer Universiteit iets van hetzelfde heroïsme, dat eens Calvijn bezielde, toen hij de Overheid vroeg aan Geneve een Akademie te schenken en, toen de schatlast van den Staat hiervoor geen geld beschikbaar had, zelf huis aan huis ging om voor deze Akademie de gelden in te zamelen zoodat hij binnen enkele maanden tijds aan de Overheid een som ter hand kon stellen, waardoor de stichting der Akademie mogelijk werd. En nog staat het tot roem van Geneve's burgerij opgeteekend, dat niet alleen rijke burgers hun duizenden gaven, maar dat zelfs de broodbakster met haar twee stuiverkes kwam aandragen.
Tot dusverre heeft ons Gereformeerde volk dan ook. met trouw gezorgd, dat het geld voor de Universiteit er kwam. Er werd niet over gehouden, maar een dreigende nood was er ook niet. En wanneer men nagaat, wat ook op ander gebied door ditzelfde Gereformeerde volk gedaan moet woi'den, dan kan gerust gezegd, dat het bewondering afdwingt, hoe, bij al de uitgaven voor kerk, zending, stichtingen van barmhartigheid, scholen met den Bijbel enz., jaarlijks nog een zoo belangrijke som voor de Vrije Universiteit wordt bijeengebracht.
Zelfs twijfelen we geen oogenblik, of deze offervaardigheid zal nog belangrijk stijgen, wanneer weer een krachtige actie op touw wordt gezet om de sj'mpathie voor de Vrije Universiteit te versterken en haar belangen weer te bepleiten bij ons volk.
We verblijden ons daarom, dat zulk een actie thans in onze Noordelijke provinciën met bezieling en gloed is aangevat. Groningen ging voor, en Friesland volgde reeds. Ook in de andere provinciën zal dat goede voorbeeld wel navolging vinden. Men heeft het vuur te lang laten smeulen, en 't werd tijd, dat er nieuwe brandstof werd aangevoerd en de vlam weer tot helderen gloed werd aangeblazen.
Ook was het reeds lang gewenscht, dat de band tusschen de Vrije Universiteit en haar leerlingen, die in het practische leven waren ingegaan, versterkt werd. Onze Universiteitsdagen waren dusver meer bestemd voor de leden en begunstigers, dan voor een rechtstreeksch contract tusschen de Universiteit zelf en haar geestelijke zonen. Dit jaar zal nu deze wensch in vervulling komen, en aan de Universiteitsdag zal een wetenschappelijke bijeenkomst voorafgaan, waartoe de oud-studenten en studenten der Vrije Universiteit zullen' worden uitgenoodigd. Zooals Directeuren reeds bekend hebben gemaakt, zullen in deze bijeenkomst ditmaal als inleiders optreden Prof. Dr. J. Woltjer, die handelen zal over het wezen der materie, en Dr. J. C. de Moor, die spreken zal over de Kerk en de Sociale quaestie. Gelegenheid tot debat zal daarbij gegeven worden aan allen, die met Art. 2 der statuten hun instemming betuigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1914
De Heraut | 4 Pagina's