Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Een belangrijk getuigenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een belangrijk getuigenis.

9 minuten leestijd

Gelijk we onlangs beloofdert, toen we in ons persoverzicht een gedeelte overnamen van de bespreking, die Ds. Schouten in de Geldérsche Kerkbode gaf van de zooveel geruchtmakende brochure van Dr. van Baarsel, zouden we wel nog op deze brochure terug komen. En zè verdient dit ten volle, niet alleen om haar degelijken inhoud, die van groote belezenheid en ernstige studie getuigenis aflegt, maar niet minder omdat ze een verblijdend teeken is, hoe allengs onder de Gereformeerden in de Hervormde Kerk een andere geest begint te komen, die hope voor een betere toekomst biedt.

De schrijver van deze brochure - ze heeft tot titel Het probleem der Nederlandsche Kerk en zag bij J. H, Kok te Kampen het licht - Dr. J. J. van Baarsel, Ned. Hervormd predikant te Hei-en Boeicop, is voor onze lezers geen onbekende. Ze zullen zich nog wel herinneren^ hoe het uitnemende proefschrift, dat deze leerling van Prof. VisscheP óver G. Perkins, den bekenden Engelschen praetizijn schreef, destijds breedvoerig in De Heraut werd besproken en ook hoeveel kabaal er ontstond: naar aanleiding vart een der stellingen, door hem bij zijn promotie verdedigd. Reeds toen bleek, dat dfeze doctor in de Theologie niet alleen zeer beslist Gereformeerde sympathieën had, maar ook dat hij een man was, die den moed had voor zijn overtuiging uit te komen, hoeveel hem dit ook kosten mocht. En van deze laatste karaktereigenschap geeft ook deze brochure blijk. Wel is, wat hij in deze brochure zegt, in zooverre niet meer.nieuw, als het van juridische zijde reeds, lang betoogd was, maar het getuigt toch zeker van hoogen moed, dat een Hervormd predikant deze dingen openlijk zeggen durft.

Gelijk hij zelf meedeelt, is de aanleiding tot deze brochure geweest, dat hij in het kerkelijk leven voortdurend in aanraliing kwam met. de vraag, welke de «bestaande rechten der Nederlandsche Hervormde Kerk wai; en op staatstractement en kerkgoederen." De storm, die bij de voorstellen tot grondwetsherziening in dè Hervormde Kerk opstak, de brochures van Dr. Kromisigt en Ds. van Eyck van Heslinga, geschreven om de zoogenaamde historische rechten der Hervormde Kerk te bepleiten, dwongen hem naar deze vermeende rechten een groadig onderzoek in te stellen. Zelf had hij, gelijk hij eerlijk en met een peccavi erkent, in geschrift en debat hetzelfde standpunt als deze heeren verdedigd; ook volgens hem was de Hervormde Kerk in de dagen der Revolutie op schromelijke wijze door den Staat bestolen, doordat deze zich had meester gemaakt van de geestelijke goederen, en waren de rijkstractementen niet anders dan een. magere vergoeding daarvoor, die rechtens aan de Hervormde Kerk toekwam En de doleerenden waren de booze mannen, die er op uit waren, zoodra ze de kans schoon zagen, om de aloude Vadérlandsche Kerk van deze" haar wettige rechten te berooven.

Jiiist om deze rechten der Hervormde Kerk beter te kunnen verdedigen en hand-, {laven, was hij toen tot een grondige bestudeering van deze rechtsquaestie overgegaan, maar het resultaat was juist het omgekeerde van wat hij verwachtte. Het ging hem, zoo verhaalt hij, als den theoloog, die in opdracht van de Kerken der Hugenoten zich zette aan een bijzondere studie van de Kerkgeschiedenis, om materiaal te krijgen voor de polemiek tegen Rome. Deze theoloog kwam n.l. bij zijne studiën tot de overtuiging, dat de geschiedenis van de Pausin Johanna (die .in de polemiek tegen Rome destijds een hoofdrol speelde) tot het rijk der legenden behoorde, over welk resultaat men van Pi-ötestantsche zijde zeer ontevreden was. Zoo bleek ook hem, dat de oude historische rechten der Ned. Herv. Kerk voor Vs evenzeer tot het rijk der legeiiden behoorden. (blz. 19). Natuurlijk kan er niet aan gedacht worden het uitvoerige juridische betoog, waarop deze conclusie, berust, hier over te nemen of zelfs maar in erkorten vorm weer te geven. Men leze g aartoe deze brochure zelf, die helder enuidelijk is geschreven en ook voor een niet-jurist zeer goed te volgen is. Er is dus w volgens hëiin geen feitelijke rechtsgrond, waarop de uitkeering der traktementen aan de predikanten in de Hervormde Kerk berusten zou. En evenmin kan hier van billijkheidsgronden gesproken worden, gelijk Prof. Kleyn deed. Want terecht drijft Dr. Van Baarsel den spot met een «billijkheid*, die dan: daarin zou bestaan, »dat aan de Hervormde Kerk ten eeuwigen dage zonder feitelijken recht^rond gelden worden uitgekeerd, die verkregen worden uit de zakken van alle belastingbetalertdèn, van Gereformeerden bijv., die gewelddadig de Kerk zijn uitgezet en nu eerst zelven in het onderhoud hunner leeraren naar vermogen, ja soms boven vermogen voorzien, en van godsdienstloozen, die aan de Kerk voor goed den rug hebben toegekeerd." (blz. 19). Hij erkent dan ook ten volle, dat er onrecht geschiedt aan de Gereformeerden, wanneer ze gedwongen worden door de overheid om mee te betalen aan de tractementen der Hervormde predikanten. De uitkeering van de Hervormde Kerk berust, dus niet op eenigen rechtsgrond, nog veel minder op een billijkheidsgrond, want ze - is zoo onbillijk mogelijk. Reeds daarom behoort deze' uitkeering z.i. weg te vallen.

Gaat Dr. van Baarsel reeds daarmede lijnrecht in tegen de gewone voorstellingens door Dr. Kromsigt e.a. telkens gegeven en door het onkundige publiek geloofd, wat vooral bij de verkiezingen niet weinig kwaad deed en de politiek vertroebelde, — niet minder scherp richt zich in de tweede plaats zijn critiek tegen de voorstelling, die al even geliefd is bij deze voorstanders der Volkskerk, alsof een plaatselijke gemeente alleen in het bezit van haar goed mocht blijven, zoolang ze deel uitmaakt van het geheel der algemeene Kerk. Wel heeft de Hooge Raad in de dagen der Doleantie aldiis beslist, zegt hij, maar deze-processen liggen nu reeds een kwarteeuw achter ons. «Zij behooren voor ons Jongeren evenzeer tot de geschiedenis als de vervolging der Afgescheidenen in de dertiger jaren der vorige eeuw. Er is geen mensch meer — behalve dan de redactie van de Kerkelijke Courant. - ^ die deze vervolging op last van hoogere en lagere autoriteiten gevoerd, thans nog verdedigt" (blz. 20). En zoo zal het ook gaan met de processen over de Doleantie: »Steeds grooter wordt het getal dergenen, die hoewel geen medestanders van de toenmalige Doleerenden, hun eerlijk recht erkennen. Tal van in de laatste jaren verschenen dissertaties leggen hiervan getuigenis af: de geheele school van Prof. Rengers Hora Siccama staat aan hun zijde* (blz. 22). Ook onzerzijds is er reeds meermalen op gewezen, , hoe door de grondige studiën, vari Prof. Rengers Hora Siccama en zijn leerlingen de geheele rechtsbeschouwing aan 't veranderen is. En niet minder verheugen we ons, dat Dr. van Baarsel erkend, dat het beruchte werk van Prof.! Kleijn, het »monument der Synodalen", nu »wetenschappelijk onhoudbaar is gebleken, t Wel gaat Dr. Van Baarsel niet mede met de voorstelling van de H.H. I^ohman en Rutgers, dat de kerkelijke goederen het eigendom der plaatselijke gemeenten waren, want hij beschouwt ze, evenals de Utechtsche rechtschoOl, als instituten, maar voor de quaestie, ' waarom het hier gaat, doet-dit verschil er niet toe, want het is in elk geval «absoluut oniuist*. zegt hij, dat de eigendom der goederen zou berust hebben bij de gansche kerk, gelijk Dr. Kleijn het voorstelde en ook Dr. Kromsigt wil (blz. 24). Deze theorie, die in den grond berust op de gedachte» dat de plaatselijke kerk, die men dan. »gemeente» noemt, alleen in en . door de Algemeene Kerk, die men dan Kerk noemt, zou bestaan, oordeelt Dr. Van Baarsel geheel in strijd met de beginselen van het Protestantisme. Naar de kerkorde onder de Republiek vastgesteld, werd elke gemeente beschouwd als een op zich zelf staande Kerk. En eindelijk, even beslist erkent Dr. Van Baarsel, dat heel de; herschepping van de Gereformeerde Kerken in één Hervormde Kerk door Koning Willem I, een onwettige daad is geweest, evenals al de gevolgen die daaruit voortgevloeid zijn. Het betoog van Prof. Fabius is in dat opzicht voor hem beslissend geweest. En derhalve heeft de Synode, die door deze onwettige daad in het leven is geroepen, volgens hem ook geen de minste bevoegdheid om zich nret het beheer der plaatselijke gemeente in te laten. »De nieuvire school, zegt. hij, waarvan Prof. Siccama het eminente hoofd is, staat met volle overtuiging op het standpunt van de onbevoegdheid der Synode. Wanneer zij er zich mede onledig wil houden een reglement daartoe te ontwerpen en aan te nemen, — zij heeft het al meer dan eens gedaan — zij kan gerust haar gang gaan; 't hindert niets en 't geeft niets. De eerste de beste rechter werpt het in de pruUemand. Ja waarlijk, zoo eindigt Dr. Van Baarsel dit deel van zijn betoog; het daghet in het Oosten." (blz. 44).

Tot welke practische Conclusies 'Dr. Van Baarsel aan het slot van zijne brochure komt, gullen we een volgend maal inêedeelen. Ditipaal was het ons er alleen om te doen, op de voornaamste punten te laten zien, tot welke resultaten dit historisch-juridisch onderzoek Dr. Van Baarsel geleid heeft. En dan zal ieder toestemmen, dat we niet te sterk gesproken hebben, toen we deze brochure een daad van mopd noemden. Het is de eerste maal na de dagen der Doleantie, dat, niet een jurist, maar een predikant in de Hervormde Kerk, zoo beslist en zoo openlijk durft verklaren, dat de geheele theorie waarop de aanspraken dezer Kerk op haar tractementen gegrond is, onji, iist is; dat de rechtbanken ten onrechte Webben aangenortién, dat de plaatselijke' gemeenten deelen van de Algemeene Kerk , „ zijn, en daarvan het bezit der .goederen af-' hangt; en dat de Koninklijke" besluiten, aarop het bestaan der Hervorrhde Kerk rust, ten eeneirf^te onwettig 'zijn'geweest ; en rtchtens geen verbindende kracTït heb-' ben. Zoo krijgen de mannen, die de Doleantie geleid hebben, op de meest cardinale punten, > vat hun rechtsbes.chouwingen aangaat, volkomen gelijk. Wat Dr. Kromsigt . en D, s. Van E)-ck van Heslinga op dit betoog gullen antwoorden, weten we niet. De afdoende bewijzen, de citaten van de meest gezaghebbende schrijvers hier aangehaald, kunnen hiet met een paar machtwoorden worden ter zijde gelegd. En evenmin kan men er zich van afmaken met debewerjl.ng, dat dit betoog viit den separatjstischen hoek . komt. Dr. Van .Baarsel is Hervormd.predikant, en er is in heel zijn betoog ook niet een woord te vinden^ dat hij met de methode der doleantie of separatie in.stemt. Juist daarom echter heeft zulk een"betoog • voor ons te meer waarde. En evenals Dr. Van Baarsel eindigen ook wij met te zeggen: Het daghet in het Oosten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 september 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Een belangrijk getuigenis.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 september 1914

De Heraut | 4 Pagina's