Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Gelijk heel het raderwerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gelijk heel het raderwerk

4 minuten leestijd

Amsterdam, 18 Sept. 1914.

Gelijk heel het raderwerk der maatschappij, na een oogenblik ontwricht te zijn geweest door den oorlogstoestand in Europa, thans allengs weer zijn gewonen loop hervat, al doet de oorlogstoestand nog in menig opzicht zijn storenden invloed ondervinden, zoo heeft ook onze Hoogeschool, na een zomerrust, die met zooveel onrust eindigde, haar colleges weer geopend.

Wel houdt de mobilisatie nog een goed deel onzer studenten onder de wapenen en zullen dientengevolge wel niet allé colleges kunnen worden gegeven; staat het ook te duchten, dat de onveilige toestand in Europa de studenten, die uit Zuid-Afrika en Noord-Amerika bij ons studeerden, bewegen zal huis-toe te trekken, en zal vermoedelijk het aantal nieuw-aangekomen studenten onder deze omstandigheden wel minder wezen dan in vorige jaren; maar dit alles behoefde toch geen reden te wezen voor onze Hoogeschool om niet op den gewonen tijd haar arbeid te hervatten.

Zoo kwamen dan op den gewonen derden Woensdag in September, Curatoren, Hoogleeraren en studenten der Vrije Universiteit saam in de Theologische faculteitszaal, die bij deze gelegenheden als aula dienst moet doen, om te luisteren naar de toespraak, waarmede de prorector Prof. Mr. A. Anema de colleges openen zou en saani in het gebed den zegen Gods af te smeeken over den nieuw te hervatten arbeid onzer Hoogeschool.

Van de toespraak die Prof. Anema hield, geven we hier den korten inhoud weder.

Spr. begint, na den studenten namens den Senaat het welkom te hebben toegeroepen, met de vraag te stellen, of het te midden van de bewogen tijdsomstandigheden, niet een dwaasheid moet worden genoemd om te beginnen aan wetenschappelijken arbeid, 't Is toch een werk des vredes. Het heeft er allen schijn van. Voor de verschillende faculteiten teekent Spr. in korte trekken het schrijnend contrast tusschen haar taak en leering eenerzijds en de drastische werkelijkheid om ons heen anderzijds. Wat moet er dan thans van wetenschappelijke studie terecht komen ? Zoo komt er allicht bij den eersten aanbhk der feiten om ons heen een gevoel van ontmoediging.

Toch is dit bij nader inzicht niet gemotiveerd. Wij hebben een dure roeping om tot onzen arbeid in te gaan. Het treft al aanstonds, dat alle kracht, die er in dezen oorlog wordt aangewend, en die daartoe in staat stelt, een vrucht is van wetenschappelijke studie; zelfs voor den oorlog zelf is dus het eerste vereischte wetenschappelijke arbeid. Doch dit slechts in het voorbijgaan; er zijn hoogere en betere motieven, om deze lessen te openen. Immers, uit den ernst der tijden komt nieuwe roeping en nieuwe ontvankelijkheid voor de theologie; nieuwe behoefte aan wijsgeerig en psychologisch nadenken, nieuwe arbeid ook voor de juristen. Straks zal allerwegen om de vrucht van dien arbeid worden gevraagd, dan njoeten wij gereed zijn. Laten we dus biddende, maar met moed beginnen.

Spr. vraagt dan, wat de studenten hier zullen vinden. Tweeërlei zal men niet vinden, dat men vaak verwacht. Vooreerst meent men wel, dat kennis macht is. Deze leuze is zeer misleidend; are wetenschap brengt juist het gevaar mede, om een gevoel, van onmacht te geven door de ontzaggelijke vraagstukken, waarvoor wij worden gesteld. Zoo is het ook in dé tweede plaats met de meening, dat kennis gelukkig maakt. Ook dit is in den gewonen zin niet juist, wat Spr. nader tracht aan té toonen. De Prediker zeidé het reeds, dat wie wetenschap vermeerdert, niet geluk, maar smart verriieerdert.

Desniettemin is wetenschap een groot voorrecht, dat God ons schenkt; wij gaan daardoor terug op de beginselen der dingen én leeren zóó naar de ons van God gegeven menschelijke mate Zijn werèldplan én Zijn gedachte verstaan. Dat is het voorrecht dat God ons schonk, efi waarvoor wij geroepen worden om als leidslieden van óns volk op te treden. Laten wij dan samen daarvoor arbeiden en schenke de Heere onze God Ons daartoe kracht en geve Hij óns Zijn zegen.

Een kostelijk woord, geestig en pittig, keurig gestyleerd van vorm en rijk van inhoud, dat geheel aan de tijdsomstandigheden zich aansloot, en wel in staat was hoogleeraren en studenten te bezielen voor de taak, die hen wachtte.

Moge onze Hoogeschoöf haaf'het devies van Prins Willem den Zwijger > Saevis tranqüillus in undis" rustig en kalm te midden van deze woelige tijden, aan de heerlijke roeping zich wijden, die God voor haar heeft weggelegd. En bekwame God de Heere haar hoogleeraren, om steeds klaarder en helderder het licht van Gods Woord te doen schijnen over de groote vraagstukken; die het leven van onzen tijd bewegen. Dan zal ze ook in het hart van ons Gereformeerde volk steeds dieper haar wortelen slaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 september 1914

De Heraut | 4 Pagina's

Gelijk heel het raderwerk

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 september 1914

De Heraut | 4 Pagina's