Uit de Pers.
In het Gereformeerd Kerkblad van Overijsel schrijft DS. G. Wielenga van Zwolle de volgende waarschuwing, die wel ter harte mag worden genomen.
Onze Theologische school heeft tweeerlei soort van vrienden. In de eerste plaats de velen, die haar om haren arbeid liefhebben en dankbaar erkennen wat zij ook zelf aan haar hebben te danken. Zij achten het echter in het belang van den bloei onzer, kerken, dat er eenheid van opleiding komt, met vollen waarborg natuurlijk, dat die opleiding zal zijn naar Gods Woord en met handhaving van toezicht door en medezeggingschap van de kerken. Dat belang der kerken gaat hun boven alles, en daarom is hun de opleiding geen hoofdzaak, maar middel en dus bijzaak. Zij zijn er van overtuigd, dat de opleidingskwestie in onze Gereformeerde kerken een omvang en gewicht heeft verkregen die ten eenenmale in strijd is met hare beteekenis, en dat de wijze waarop er over gestreden wordt, groote schade aan ons kerkelijk leven doet, onzen bloei en vooruitgang belemmert, onzen vijanden stof tot uichen geeft, en zonde is voor God. Maar zoolang een belangrijk deel deel der broeders bestendiging van de tweeerlei opleiding eischt, willen zij medewerken om de eerlijke afspraak van 1892 te handhaven, mits men dan ook met dien onzaligen strijd ophoude en zijn krachten op andere wijze meer tot de bevordering van de zaak des Heeren aanwende.
Maar de school heeft ook nog andere vrienden, en deze eischen dezen naam voor zich alleen op. Al de anderen zijn huns inziens niet te vertrouwen. De opleiding door de kerk voor de kerk is hun een beginselkwestie, schier een dogma, geworden, en wij nemen gaarne aan, dat zij dit het uitsluitend belang onzer kerken achten. Maar er is in hun doen een tegenstrijdigheid, en deze dreigt op schade voor de kerken en de school beide uit te loopen. Zij willen dat de opleiding geheel en al kerkelijk zal zijn; en wie kan htm hun vrije overtuiging betwisten ? Maar nu bewandelen zij tot verkrijging van hun doel geheel onkerkelijke paden. Naast het door de kerken opgericht orgaan der school: De Basuin, richtten zij een eigen blad op: De Wachter, tot groote fmantieele schade van de Eigen-Inrichting. Naast de kerkelijke kassen tot ondersteuning van hulpbehoevende studenten, stichtten zij provinciale kassen tot schoolhulp, uitsluitend voor studenten welke te g Kampen zullen studeeren. En tenvijl de kerken h zelf de school voor hun rekening hebben en voor h haar hebben te zorgen, hebben zij het land overdekt met een aantal vereenigingen, die de belan h gen der school willen behartigen. Zij meenen dit b op deze wijze beter te kunnen doen dan de kerl en t zeiven.
Het moet toegestemd, dat zij op deze wijze veel voor de school hebben gedaan; dat het vooral an hen te danken is dat er een vijfde professor kwam, en dat het hun schuld '."aarlijk niet is, dat ij hel jus promovendi niet heeft verkregen, terwijl zij, toen de kerken zichzelf niet al te ijverig etoonden, ook tot de versterking van hare finanieele positie hebben gearbeid met een inspanning, elke boven allen lof is Verheven. Wij willen ook niet ontkennen, dat de officieele liefde van de erken voor de school wel eens wat koel is geeest. Maar met dit al hebben zij de school en ooral ook hare professoren in een zeer groote oeilijkheid gebracht.
Wat toch is nu het geval. De kerken zorgen voor de school; zij benoemen hare curatoren en stellen hare professoren aan; zij geven aan deze mannenbroeders hun instructie en betalen aan de laatsten hun salaris uit. Alleen aan de kerken zijn de professoren verantwoording schuldig van hun doen en laten, en de curatoren hebben gedurende hunne vergaderingen ook zittingen waar de hooggeleerden niet bij tegenwoordig zijn en waarin over hun onderwijs en hunne gedragingen wordt gehandeld. En de curatoren handelen en oordeelen daarover naar hun eigen inzicht, om straks op iun beurt weer aan de Synode rapport van hun bevinding te doen.
Dat alles loopt heel geregeld.
Maar naast deze officieele verzorgers heeft de school met hare professoren en studenten nu ook hare officieuze koesteraars. Deze Lebben ook wat te zeggen, en laten haar dat zoo nu en dan ook degelijk gevoelen. Want voor wat hoort wat. De Wachterbond met zijn duizenden leden beweert uitsluitend de echte liefde voor de school te bezitten; voor hare belangen te ijveren; haar financieel te steunen; haar een vijfden professor bezorgd te hebben; haar studenten toe te voeren; voor haar bestaan en bloei te strijden, het kost wat het kost. Maar dan willen deze broeders en zusters ook, dat er met hen gerekend wordt. Die curatoren zijn niet de echte verzorgers; die synode is maar slecht te vertrouwen; de kerken in het algemeen doen hun plicht niet; de school rust alleen op hunne (en op are) schouders. Welnu, dan moet de school met hare professoren en studenten ook in hun weg weg wandelen en bovenal de verpesoonlijkingzijn en blijven van het hun heilige beginsel: de opleiding door de kerk voor de kerk. En bovenal, van de professoren, inzonderheid van den vijfde, die er toch maar door hen is gekomen, en van de studenten, van wie er velen worden gesteund, verwachten zij, dat zij ook met woord en daad dat beginel zullen propageeren
Dit alles is heel natuurlijk. Wie zich daarover verwondert of daaraan ergert, kent den mensch niet. Het is in velerlei opzicht zelfs billijk. Maar het toont dan ook in welk een moeillijk parket de school is geraakt, en hoe uiterst penibel de toestand van hare professoren en studenten is. Er is heel wat zelfstandigheid en moed van eigen overtuiging voor noodig, om tusschen die tweeërlei verzorgers, die officieele en officieuze curatoren, eerlijk te blijven en zijn eigen weg te gaan. Daarom zijn de Theol. Schooldagen, waarop de officieuze mannelijke en vrouwelijke curatoren samen komen en vrijuit spreken, (want zij weten wel wat zij willen) voor onze broeders wel uiterst moeilijk.
Wanneer men zich nu maar altijd vrij heeft weten te houden, en het recht van eigen mannelijke overtuiging heeft gehandhaafd.
Daaf is nu op de laatst gehouden Synode nog at bijgekomen. De kwestie van het doctoraat kwam te sprake. De Wachter en de officieuze verzorgers der school eischen dat recht voor de school, juist omdat zij school der kerken is, en omdat aan de kerk het Woord Gods en dus ook de wetenschappelijke beoefening ervan, toevertrouwd is. Het zou dus een te kort doen zijn aan de kerk van Christus, wanneer men haar het recht ontzegde om door hare school het doctoraat in de Heilige Godgeleerdheid te verleenen, terwijl andere inrichtingen, welke uitgaan van den staat of van eene vereeniging, dat wel bezitten en uitoefenen. Deze edeneering past volkomen bij het beginsel van de opleiding voor de kerk. En de vrienden van e Wachter verwachtten naar hun rotsvaste overtuiging, dat nu toch zeker de professoren der school, »hunne professoren», zich ook op dat ' standpunt zouden plaatsen.
Dat zij dit niet hebben gedaan, heeft velen teleurgesteld, en aanleiding gegeven tot een open lijke waarschuwing met name aan het adres van de professoren Hoekstra, Bouwman en Honig, welke voor de tegenwoordige toestanden uitermate ken schetsend is. Dat nu juist Prof. Hoekstra, de vijfde Professor, „hun. professor", zoo voor den dag kwam, heeft velen een gevaar doen zien, waar de heer H. Bouwmeester in een ingezonden stuk de broederen op wijst.
Want het is onzen lezers genoegzaam bekend, dat Prof. Hoekstra in een met zorg bewerkte rede, dus niet in een zoo maar ex-improviso gesproken woord, het recht tot het verleenen van het doctoraat heeft opgeëischt voor de school, niet als eigen inrichting der kerken, maar als zelfstandige wetenschappelijke inrichting, vrij dus ook tegenover de kerken, al mogen deze voor haar zorgen en over haar waken.
Heeft de hen dan nu toch een eendenjong uitgebroed?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1915
De Heraut | 4 Pagina's