Docent de Bruin
Amsterdam, 19 Februari 191S.
Docent de Bruin komt in een uitvoerig artikel in De Wekker op tegen hetgeen we schreven over de ontslagname van Ds. Van der' Werp na het besluit der Christelijk (jereformeerde Synode van Noord-Amerika. Op grond van de acta der Synode en hetgeen Ds. Van der Werp zelf hem schreef meent hij, dat het bezwaar van Ds. Van der Werp niet ging tegen den inhoud zelf van het dankgebed na den doop, maar tegen de zoogenaamde Kuyperiaansche of Neocalviriistische opvatting van den doop, die door sommigen van zijn gemeenteleden met dit dankgebed verbonden werd. Daarom voelde Ds. Van der Werp zich in zijn conscientie bezwaard dit dankgebed langer te bidden, omdat daardoor voet werd gegeven aan een z.i. zeer verderfelijke leer. Had de Synode een nadere verklaring van het dankgebed gegeveii, waardoor bleek, dat de Christelijk Gereformeerde Kerk deze leer niet deelde, dan zou hij desnoods het dankgebed wel hebben willen bidden.
Hoewel het niet aangaat even uitvoerig te antwoorden op al hetgeen door docent de Bruin en Ds. Van der Werp wordt aangevoerd, omdat deze quaestie niet ons, maar de Christelijk Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika regardeert, meenen we toch op grond van hetgeen in de officieele acta der Synode te lezen staat, deze voorstelling als onjuist te moeten wraken.
Vooreerst heeft Ds. Van der Werp zelf aan de Synode verklaard, dat hij niet eerst nu, maar reeds dertig jaar lang het dankgebed na den doop niet of althans niet ongewijzigd had gebruikt; en betwist hij voorts formeel het recht van de Kerk om hem tot het gebruiken der liturgische formulieren te verplichten, omdat hij wel de belijdenisschriften, maar de liturgische formulieren niet onderteekend had.
In de tweede plaats ging het bezwaar van Ds. Van der Werp niet alleen tegen sommiger eenzijdige en overdreven opvatting van het dankgebed, maar tegen hetgeen hij zelf meende in het dankgebed te moeten lezen. »In het dankgebed, verklaarde hij, wordt gedankt dat de kinderen der gemeente reeds hij hunnen doop, zijn wedergeboren en gerechtvaardigd". Niettegenstaande de Classis en de Synode uitspraken, dat hier een misverstand was, want dat niet bedoeld werd »dat die bepaalde kinderen, daar pas gedoopt, hoofd voor hoofd, individueel, alzoo zouden wedergeboren en gerechtvaardigd zijn", kon Ds. Van der Werp zich bij die beslissing niet neerleggen.
En in de derde plaats is het evenmin juist, dat het ging om het »Kuyperianisthe of Neocalvinisme«, Het. gémeehtelid dat dan de »Kuyperiaansche drijver* was, zou volgens Ds. Van der Werp geleerd hebben, »dat alle. kinderen die gedoopt werden, werkelijk .wedergeborea .waren, ook, - al: , - 2ouden ze daarna weer afvallen en verleren gaan«. Of dit metterdaad aldus gezegd is, betwijfelen we, maar indien het juist is, dan nioct( 11 wc'cr wfï" ten enistigs'fe tegen protesteeren v.'.'uini> ei' < locent De'Bruin dif »Ku> -periani.snu!-noemt. Deze. opvatting, die niet (ierelbrraeerd, maar Roomsch is, is , nóqit door Dr. A. Kuyper verkondigd, . is ^doi'; , ''hem 'zelfs zoo beslist mogelijk bestreden en wordt door niet cén zijner volgelingen voorgestaan.
I'eitelijk'is dit dan ook niet anders dan een doekje, voor het bloeden. Wie van de officieele stukken kennis nam, weet, dat het bezwaar van T3s. Van der Werp niet deze geheel onjuiste opvatting gold, die natuurlijk ook in het dankgebed na den doop geen den minsten grond vindt, maar dat zijn eigenlijke bezwaar'' goid--de verbondslecr, 'zooals deze steed-s'dóór onze vaderen is beleclen èh dah'"'Q|)^ |ïiet alleen' in het dankgebed na den. doop, maar in ons geheele Doopsformulier tot uiting komt. '
Deze vérbondsleer, ; dat de Kerk naar het oordeel der liefde de kinderen der gemeente voor wedergeboren heeft te houden, zoolang ze niet door hun wandel als een ongeloovige zich openbaren (wat natuurlijk iets. geheel anders is dan hen voor werkelijk wedergebüEen te verklaren) acht Ds. Van d.cr. .VVcrp^ zooals hij zelf schrijft, een gansch verderfelijke leer, die de kinderen der gemeente zorgeloos en goddeloos maakt en waartegen hij daarom ten zeerste meent te moeten opkomen. Daarin schuilt de oorzaak, waarom hij al dertig jaar lang het dankgebed na den doop niet heeft willen bidden. 'Volkomen terecht heeft de Synode - der Christelijke Gereformeerde Kerk in Atnerika daarom verklaard, dat »zij de krachtige en gepaste uitdrukking onzer \-aderen in het Doopsformulier niet kon noch mocht veranderen (en natuurlijk nog veel minder daarvan een verklaring geven, die lijnrecht tegen de bedoeling onzer vaderen inging, zooals Ds. V^an'der Werp'wildfe) omdat de ^^«? Wr^ vérbondsleer ook in déze zinsnede van het dankgebed zoo beslist wordt beleden.»
Verder dit debat voort te zetten, zou geen nut hebben. Het.is bekend genoeg, dat niet alleen Ds, Van der Werp maar ook de Christelijke Ge? !ef®rmeerde Kerk in Nederland van deze , , izuivere vérbondsleer onzer-vaderen" zeer weinig wil weten, en een-'Strijd hierover te beginnen zou ons toch niet verder brengen. Waar we alleen tegen wilden protesteeren, was tegen de onware voorstelling alsof de strijd in Amerika zou gaan tegen het Neo calvinisme of Kuyperianisme. Het zou eerlijker en oprechter wezen, wanneer men openlijk; erkende: met de verbondsleer, zö'öalss-' onze vaderen, die geleerd en in ons Doopsformulier hebben uitgedrukt, zijn wij het niet eens. Docent de Bruin weet toch wel, wat in ons kostelijk schatboek over den Catechismus van Ursinus door P"estus Hommius uitgegeven, te lezen staat: , , Daarom zoo |s het openbaar, dat de doop zeer wel aan de: .kleine kinderen gegeven wordt omdat , ze in de gemeente behoerenen moeteijréiangenomen worden als geboren btirgxrs ien door den Heiligen Geest-wedergeboren - .mjnde". (ed. 1646 Deel II fol. 27). We zouden natuurlijk tal van zulke uitspraken hierbij kunnen voegen, maar dit ééne citaat uit een zoo bekend en hooggeschat werk moge volstaan. Zal docent de Bruin nu ook Ursinus en Fggtviis Hommius tot Neo-calvini.sten en volgéhngen van Dr. A. Kuyper verklaren ? Of-}'.a; l hij erkennen, dat-Dr. A. Kuyper niet anders gedaan heeft dan deze oude vérbondsleer onzer vaderen, die maar al te lang vergeten was, weer in helder licht te stellen ?
Ten. slotte nemen #e gaarne acte van zijn verklaring, dat de Synode der Chr. Geref. Kerk in Nederland «de wenschelijkheid heeft uitgesproken, dat het dankgebed-na-den doop zal gebruikt worden" en dat geen predikant in de doopsliturgie wijziging mag brengen, " al draagt de Chr. Geref. Kerk die gemeenten, die bezwaar hebben tegen de woorden van dit dankgebed. Wat dus feitelijk hierop neerkomt, dat de Chr. (ieref fverk het gebruik van dit dankgebed wel wenschelijk keurt, maar niet gebiedend voorschrijft, en dat iedere predikant, ; -die. tegen..: .c& t..-sgebed bezwaar heeft, ' gedragen wordt - als hij het eigenmachtig weglaat. Precies wat we gezegd hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1915
De Heraut | 4 Pagina's