Uit de Pers.
Gelijk men weet, heeft de Regeering naar aanleiding van een beslissing van den Hoogen Raad omtrent het afleggen van den eed, waardoor een onhoudbare toestand in het leven werd geroepen, een incidenteele regeling van dit vraagstuk voorgesteld, dat op zeer ernstige bedenkingen bij de Standaard stuitte.
Dat de Standaard deze bezwaren niet alleen had, bleek reeds uit de Waarheidsvriend^ die dezelfde bezwaren inbracht, en thans komt ook Mr., J. Schokking in de Gereformeerde Kerk deze bezwaren onderschrij ftn :
Wie kennis neemt van de tusschen de Regeering en de Tweede Kamer der Staten-Generaal gewisselde stukken over een wijziging in de bepalingen, welke Qp het afleggen van den eed betrekking liebben, zal moeielijk kunnen tegenspreken, dat het eedsvraagstuk, aan de orde blijft en nog geen oplossing gevonden heeft. Ook niet in het thans ingediende wetsontwerp.
Blijkbaar gevoelt de Regeering dit zelve, die in de Toelichting bij het wetsontwerp gesproken had van een voorloopige oplossing, maar dit blijkens een in de Memorie van Antwoord voorkomende opmerking niet beschouwd wil hebben als een aanduiding, dat zij spoedig met een nadere, definitieve oplossing hoop; te komen.
Ook al zal deze» (i. n. ae thans voorgestelde regeling) »niet voor alle tijden blijven geldèn«, zoo lezen wij in het laatsgenoemde stuk, zij is »toch in een mindere mate sleehts als een «voorloopige» oplossing te beschouwen, dan sommige leden het voorstelden», n.l. in het Voorloopig Verslag,
Rekening houdende met het feit, dat in de wetgeving tijdelijke voorzieningen, welke als zoodanig zijn opgevat en behandeld geworden, heel vaak van zeer langen duur zijn, is het vermoedelijk ook niet zeer gewaagd te voorspellen, dat de thans voorgestelde regeling', indien straks tot wet verheven, wel niet voor alle tijden maar niettemin zeer lang zal gelden.
Daarom is het intusschen van te meer belang, te weten in welke richting de Regeering zich bij haar nadere voorziening beweegt.
En dan kan het antwoord o. i. moeielijk anders zijn dan in die van afschaffing van den eed, zonder dat zij dit eenigszins bedoelt.
Haar doel met het ingediende wetsontwerp is geen ander dan om aan de sedert gerezen moeielijkheden te gemoet te komen, en zoo weinig om den eed af te schafiTen, dat zij zich niet alleen tegen de voorstanders daarvan verzet, maar ook om het belang van den waarborg, dien de eed in het proces biedt, het niet aan de vrije keuze van de onderdanen wil overlaten, om een eed of belofte af te leggen.
Welke is dan de regeling, die in het aanhangige wetsvoorstel gevonden wordt?
Deze, dat als regel het afleggen van den eed gevorderd blijft, maar dat een belofte of bevestiging daarvoor in de plaats treedt:
vooreerst, indien de godsdienstige gezindheid van den te btëedigen persoon hem den eed verbiedt;
in de tweede plaats, indien de te beëedigen pertoon met opgaaf van beweegredenen verklaart tegen het afleggen van een eed gewichtige gemoedsbezwaren te gevoelen. Alleen wanneer de rechter oordeelt, dat die verklaring niet oprecht gemeend is, zal nochtans de eed kunnen worden opgelegd.
Zooals ten overvloede uit de Memorie van Antwoord blijkt, , is de term «godsdienstige gezindheid» in de eerste uitzondering niet te verstaan in subjectieven zin, waartoe die uitdrukking op zich zelve aanleiding zou kunnen geven, maar in den tot heden gebruikelijken zin van kerkgenootschap».
Doch zoo ligt er in die eerste uitzondering dan ook geen verandering van de reeds heden bestaande vrijheid om zich van het afleggen van een eed te t ontslaan op grond van het behooren tot een kerk, die den eed verbiedt.
De verandering, welke een uitbreiding is, ligt in de tweede uitzondering, die het aan allen mogelijk maakt zich op grond van gewichtige gemoedsbezwaren van den eed te ontslaan, behoudens het oordeel van den rechter dat de opgegeven beweegredenen onoprecht zijn.
Aanvankelijk was voorgesteld, dat de rechter zich steeds van de oprechtheid der verklaring zou moeten vergewissen, om van den eed te kunnen ontslaan; een veel strenger eisch, en een dientegevolge veel beperkter uitzondering dan thans voorgedragen wordt. Want nu zal de rechter zeer bepaald-van de onoprechtheid overtuigd moeten zijn, alvorens iemand, die gemoedsbezwaren tegen den eed zegt te hebben, dezen te kunnen opleggen.
Het is hier de plaats niet om te onderzoeken, of dit aldus aan den rechter gelaten toetjingsrecht niet aan even groote moeielijkheden onderhevig is, als het eerst aan hem in het algemeen toegekende; en of dit er in de praktijk niet toe zal leiden, dat slechts zelden tegen den wil van den te beëedigen persoon de eed zal worden opgelegd.
Ons is het slechts te doen op de groote uitbreiding te wijzen, die hier gegeven wordt aan de vervanging van een eed door de belofte, en om waar te maken, dat de Regeering zich met dit wetsontwerp beweegt in de richting van de afschaffing van den eed.
Dit zou niet zoo zijn, wanneer onderscheid gemaakt werd tusschen de rechtsgevolgen, die aan een eed en die aan een belofte worden toegekend, Nu daarentegen in dat opzicht beide gelijk staan, kan het niet anders, of in die gelijkstelling ligt een onwillekeurige drang tot afschaffing van den eed.
Het is dan ook op het punt van de gelijkstelling tusschen belofte en eed, dat ernstige bedenk ing tegen het wetsvoorstel moet worden gemaakt.
Niet dat Üe Regeering een voorziening treft in de moeielijkheid, dat er lieden zijn. die niet in God gelooven. Dit moge een op zich zelf niet genoeg te betreuren feit zijn, en van achteruitgang getuigen in geestelijk opzicht, de Regeering kan daaraan niets veranderen en heeft er rekening mee te houden.
Het geloof in God is het onmisbaar element voor den eed; geeft daaraan juist alleen zijn beteekenis. Van tot den eed onbekwame lieden, omdat zij in God niet gelooven, kan de Overheid alzoo den eed niet vorderen.
Doch de eenig logische gevolgtrekking hieruit is, dat in dit geval de beschikking gemist wordt over een rechtsmiddel als de eed eigenaardig aan de hand doet.
De belofte of verklaring daarmee op een lijn stellen, is den eed van zijn bijzondere beteekenis berooven.
Vandaar dat wij in de thans voorgestelde regeling niet anders kuii; .La zien dan een zich bewegen in de richting van de afschaffing van den eed.
Reeds vroeger schreven wij, dat dit niet te betreuren zou zijn, indien wij daarvan geen ernstige schade moesten vreezen voor de rechtszekerheid.
Wij althans zouden niet voor handhaving van den eed willen pleiten enkel op grond van de publieke erkenning Gods, welke in het behoud van den eed ligt.
Want al kan moeilijk worden ontkend, dat hierin zijdelings zulk een erkenning ligt, daarvoor dient toch niet de eed.
Neen, deze is een voor de Overheid en volk beide, in verband met de onmogelijkheid van beoordeeling van een niet door uitwendige middelen te controleeren bewering, niet genoeg te waardeeren rechtsmiddel om de waarheid te leeren kennen.
Of daarvan altijd het juiste gebruik is gemaakt, of het gebruik daarvan niet te veelvuldig is geworden, of inkrimping daarvan alzoo niet gewenscht is, dit en zooveel meer is hierbij de vraag niet. Daarin kan dan trouwens verandering worden gebracht.
Maar terwijl dit aan de waarde van den eed als rechtsmiddel dan ten goede zou komen, moet een gelijkstelling van den eed en de belofte, als thans wordt voorgedragen, aan dien eed zelf schade doen.
Een gelijkstelling, die nog te grooter beteekenis krijgt, waar bij ditzelfde wetsontwerp wordt bepaald, dat indien een wettelijk voorschrift tot het afleggen van den eed betrekking heeft op de aanvaarding van eenig openbaar ambt, van eenige openbare betrekking, waardigheid of bediening, van eenig beroep of van eenigen meer duurzamen werkkring als die van voogden of curators, de te beëedigen persoon de vrije keuze zal hebben tusschen den eed en de belofte of de bevestiging.
Wel is dit het doortrekken van een reeds aanvankelijk getrokken lijn, maar waarvan de beteekenis dan ook ligt in haar volle consequentie, welke daaraan thans gegeven wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1915
De Heraut | 4 Pagina's