Nu het Nieuwe
Amsterdam, 4 Januari 191S.
Nu het Nieuwe jaar is ingegaan, wendt het oog zich als van zelf nog eenmaal naar achteren om te vragen, wat winst het afgeloopen jaar voor ons kerkelijk leven bracht.
Het groote feit, dat aan het jaar 1917 zijn stempel heeft opgedrukt, is het vierhonderdjarig gedenkfeest der Kerkhervorming geweest. Dat de oorlog, die de volkeren verdeelt en in blinden haat tegenover alkander doet staan, een schaduw over dit Protestahtsche gedenkfeest zou werpen, was te voorzien. Van een gemeenschappelijk gedenken van den rijken zegen, dien God door de Reformatie aan de Kerk schonk, kon geen sprake wezen, nu de Protestarltsche volkeren in de bitterste vijandschap tegenover elkander stonden. Ontbrak daardoor reeds het grootsche en imposante aan dit gedenkfeest, nog droever was, dat noch Engeland noch Amerika voor dit gedenkfeest in bezieling waren te krijgen. Het feit, dat de Reformatie was »made in Germany* en de held, wiens kloeke daad men herdacht, omdat hij den stoot tot de Reformatie gaf, een Duitscher was, dempte de geestdrift en maakte, dat bij deze volkeren van een dankbare waardeering van wat Luther heeft gewrocht, nauwelijks sprake was. Het nationale gevoel overheerschte het protestantsche bewustzijn. De rassenhaat bleek sterker dan de liefde^ voor - de Kerk.
Alleen in Duitschland, het moederland der Reformatie, en in de onzijdige Protestansche landen is de Reformatie met warme bezieling herdacht, en hulde .gebracht aan de groote mannen, die God als instrumenten gebruikt heeft, om zijne Kerk uit de Babylonische gevangenschap te verlossen, ook al sprak het wel ^van zelf, dat ook hier wegens den zwaren druk van den oorlog op de volkeren, het feestbetoon minder schitterend was dan dit in tijden van vrede zou zijn geweest; maar het heeft den ernst van het feest verdiept.
In hoeverre dit herdenkingsfeest blijvende vrucht voor de Protestansche Kerken heeft achtergelaten, zal de toekomst moeten leeren. Een bad in de historie onzer geloofshelden werkte altoos versterkend. Het herdenken van den geloofsmoed en de geloofstrouw door hen betoond, een weer inleven in de heldendaden door hen verricht, een weer luisteren naar de groote geloofsbeginselen door hen verkondigd, kan niet anders dan den geloofsmoed in eigen hart sterken en de l< racht dezer beginselen weer door ons doen ervaren. Gelukkig heeft op dit herdenkingsfeest der Reformatie het vaal-en kleurloos neo-Protestantisme, dat alleen van negatie en papistenhaat leeft, maar van geen enkel geloofsbeginsel door de Reformatoren beleden, weten wil, weinig opgeld gedaan. In dat opzicht was er winst bij wat een eeuw geleden in ons vaderland gezien werd, toen het drie.-hónderd-jarig bestaan der Reformatie werd herdacht. En niet minder mag dankbaar erkend, dat de groote beteekenis, die het Calvinisme voor de Reformatie in ons eigen vaderland had, veel beter tot haar recht kwam dan voor honderd jaar, toen wegdoezeling van het Gereformeerde karakter van ons volk het wachtwoord was.
Niet minder kenmerkend voor het afgeloopen jaar was, dat zoowel de herdenking der Reformatie als de vredesactie voor 't eerst een zekere samenwerking tot stand bracht van de verschillende Protestansche groepen in ons vaderland, die door de kerkelijke scheidsmuren anders zoo streng van elkander gescheiden leven. Bij het herdenkingsfeest der Reformatie droeg die saamwerking geen ofïicieel karakter, want al werden hier en daar kansels »gewisseld» en «gemeenschappelijke" diensten gehouden, van de besturen of vertegenwoordigende colleges dezer Kerken ging die samenwerking niet uit. iVIaar wel traden op het groote Hervormingscongres te 's-Gravenhage sprekers uit verschillende Protestantsche Kerken in ons vaderland op, en zag men naast Lutherschen en Hervormden hiei ook mannen uit onze Gereformeerde Kerken uitgenoodigd. Voor zoover daarin een opheffing lag van het ostracisme, vaak in deze kringen op ons Gereformeerden toegepast, zijn we daarvoor niet ondankbaar. En nog gewichtiger was de stap, dien de Synodale Commissie der Hervormde Kerk deed, toen zij alle Protestantsche Kerken uitnoodigde, ook onze Gereformeerde Kerken, om aan haar vredesmanifest mede te doen, en afgevaardigden onzer Kerken met dié van de Hervormde Kerk dit manifest opstelden en onderteekenden. Van een wegdoezeling van het principieel verschil, dat onze Kerken van deze andere Kerken sclieidt, was in beide gevallen gelukkig geen sprake. Een Unionsversuch om sa^m te smelten wat niet sa^m boort, was noch het Protestantsche congres noch deze vredesactie. Het eerste droeg geen kerkelijk karakter; en het tweede respecteerde ten volle de zelfstandigheid der Kerken, maar wilde alleen een gezamenlijk optreden van de Protestantsche Kerken ten bate van den vrede. Daarom kon er onzerzijds ook geen bezwaar bestaan aan beide acties deel te nemen, Een offer van onze eigen overtuiging werd daarbij niet gevraagd.
Ongetwijfeld is uit deze belde feiten gebleken, dat de scherpe verhoudingen, door het kerkelijk conflict in 1886 ontstaan, voor een welwillender beoordeeling hebben plaats gemaakt. Te bevreemden behoeft dit niet. Ook wij Protestanten van onze dagen staan anders in onze beoordeeling van de Roomsche Kerk, dan Luther en Calvijn. De Paus is voor ons riiet meer de antichrist en de Roomsche Kerk niet meer de hoer uit de Openbaring. Het Christelijk element, dat in de Roomsche Kerk nog nawerkt, wordt door - ons beter gewaardeerd, en waar de strijd in onze dagen vooral tegen het moderne ongeloof gaat, voelen we zelfs, bij alle verschil van dogmatiek en kerkelijk standpunt, hoe na we in menig opzicht aan de Roomsche Christenen staan. En zoo ligt het ook in den aard der zaak, dat nu de stofwolken van het conflict zijn opgetrokken en de zelfstandigheid onzer Gereformeerde Kerken herwonnen en beveiligd is, de verhouding lot de Hervormde Kerk minder scherp is geworden. Van ons principieel bezwaar tegen het onwettig gezag der Hervormde Synode en de heele organisatie der Hervormde Kerk laten we niets los, evenmin als van ons protest tegen hiet dulden van allerlei kettersche leer en ongeloofspropaganda in haar midden. Maar wel kan de strijd tegen haar onwettige organisatie en tegen haar dulden van ketterij en ongeloof gepaard ga; -.n met waardeering van de Christelijke elementen, die ook in deze Kerk nog gevonden worden, vooral van de Gereformeerde broeders jn haar midden, die voor herstel "der wettige orde en handhaving der Gereformeerde belijdenis! het pleit blijven voeren. Trouwens de dwaze voorstelling, alsof de Gereformeerde Kerken zich zelf als de eenige Kerk zouden beschouwen, wordt reeds afdoende weerlegd, doordat onze Kerken den doop ook van de Hervormde Kerk, mits deze naar Christelijke instelling bediend wordt, steeds hebben erkend en de ambtsdragers in deze Kerk als ambtsdragers zijn blijven aanspreken. De enghartigheid van het sectarisme, dat in de eigen Kerk de alleen ware Kerk ziet en van de Katholiciteit der Christelijke Kerk niet weten wil, is nooit bij onze Gereformeerde Kerken gevonden.
Evenzeer echter als we op deze Katholiciteit der Christelijke Kerk nadruk wenschen te leggen en daarom de Christelijke elementen in elke Kerk wenschen te waardeeren, zoowel in de Roomsche als in de Hervormde Kerk, dient er echter tegen gewaakt, dat deze waardeering niet ontaardt in een verzwakking van ons eigen beginsel en ons eigen kerkelijk standpunt. Even beslist als - we voor het sectarisme met zijn eigenaardige bekrompenheid ons te wachten hebben, hebben we te waken tegen een syncretisme, dat alle grenzen wil wegdoezelen, onder den schijn van breede opvatting en broederlijke waardeering van al wat nog zegt Christus te erkennen, den kostelijken schat der waarheid ons geschonken, prijs geeft en uitloopt op een verzwakking en inzinking varr ons eigen kerkelijk leven. Al erkennen we de pluriformiteit der Kerken, die onder Gods bestel tot stand is gekomen, het verschil tusschen de zuivere en minder zuivere Kerk, tusschen de ware en de valsche Kerk, tusschen wat zich Kerk noemt en wat werkelijk een Kerk is, wenschen we geen oogenblik uit het oog te verliezen. Of er in dat opzicht voor ons Kerkelijk leven geen gevaar te duchten is, is een vraag, die zeker niet met al te groot zelfvertrouwen als onnoodig. kan worden afgewezen. De samenwerking, die op menigerlei terrein van Christelijke actie tusschen personen niet alleen Van verschillende Kerken, maar ook van verschillende dogmatische richting, heeft paats gevonden, kan op zich zelf niet worden afgekeurd, , in zooverre daarin bij alle verschil van richting en inzicht de diepere eenheid van het Christelijk geloof uitkomt. Maar deze samenwerking is dan alleen geaorloofd, wanneer ze niet tot fusie leidt. Dat gevaar nu is zeker niet denkbeeldig, en wat in de laatste jaren gezien is, — feiten en nam.en behoeven we niet te noemen, — toont wel, dat er een geestesstrooming ook in onze Kerken ontstaan is, die minder onder het volk, dat zeldzaam trouw is aan de gereformeerde beginselen, maar onder deintellectueëlen, de geleerden, de predikanten, op een ernstige verzwakking van onze belijdenis, die met het bloed der martelaren bezegeld is, moet uitloopen. In plaats van in de kringen, waarmede men samenwerkt, beslist uit te komen voor het rijkere inzicht in de waarheid, dat God ons schonk^ vreest men dan, door al te beslist te zijn, af te stoeten en zoc.tt zijn kracht veel meer i« het algemeen Christelijke, en vandaar glijdt men dan nog verder af, verbroedert met al wat nog »religieus« voelt, ook al wil dit religieuse leven niets weten van een Christendom, zóoals God het in Zijn Woord ons geopenbaard heeft en al is het niets dan een vaag mysticisme, uit den wortel der natuurlijke religie geboren.
Te ernstiger nu is dit gevaar, omdat de mannen, die God in zijne gei ade aan ons volk schonk, en die op zoo uitnemende wijze ons volk geleid en in trouw aan Gods Woord onderwezen hebben, allengs ons ontvallen en voor een nieuw geslacht plaats maken. Ook dit jaar kwam ons weder op zoo droef verlies te staan, waar God de Heere Prof. Rutgers en Prof. Woltjer van ons nam. Vooral voor ons kerkelijk leven is het heengaan van Prof. Rutgers, den man in wien de beginselvastheid als geïncarnee'rd was, een schier onherstelbaar verlies geweest. Men kon op deze mannen staat maken. Men wist wat men aan ze had. Hun banier toonde geen' verschoten kleuren, hun blazoen was nooit met fluweel omwoeld. Ze waren, zooals Marnix het van Prins Willem zong, helden onvervaard, die voor Gods Woord geprezen alles hebben gewaagd. In hen leefde de heldenmoed en de beslistheid van overtuiging, die bij onze Reformatoren, onze geloofshelden en martelaren uit het glorietijdvak der Reformatie, werd gevonden, Daardoor is zulk een groote kracht van hun persoon uitgegaan en hebbén-zij zoo opvoedend op ons volk gewerkt.
Waar zulke mannen van ons genomen werden, gaan we niet zonder zorg de toekomst tegemoet. En de bede klimt te ernstiger uit het hart op, dat God de Heere ook dit nieuwe jaar weer krachtiger met Zijn Geest in onze Kerken werken moge om ons vast te houden aan Zijn Woord en aan de heerlijke belijdenis, die Hij aan onze Kerken geschonken heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 6 januari 1918
De Heraut | 4 Pagina's