Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ons antwoord aan Dr. Buizer.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ons antwoord aan Dr. Buizer.

7 minuten leestijd

II.

Evenzeer als we dus ons bezwaar moeten handhaven tegen den grond, waarop dit gravamen rust, moeten we dit ook doen tegen de wijze, waarop dit gravamen tegen de Belijdenis door Dr.' Buizer gepubliceerd is. g

Reeds op zichzelf is het vrij zonderling, dat iemand, die een gravamen tegen de Belijdenis indient, dit ter publicatie toezendt aan politieke bladen, en met name aan een liberaal blad als de Nieuwe Rotterdammer Courant. Aan de Heraut werd het niet toegezonden, en schrijver dézes kreeg van dit gravamen eerst kennis door de liberale pers. Aangezien het naschrift, dat Dr. Buizer aan dit gravamen toevoegde en waarin enkele citaten waren opgenomen om zijn opvatting te adstrueereh, in de Nieuwe Rotterdammer Courant was achterwege gelaten, sprak het wel van zelf, dat dit naschrift ook door de Heraut niet kon worden opgenomen. Eerst nadat ons artikel gedrukt was, werd het gravamen met het naschrift ons toegezonden door de redactie van de Standaard, aan welke het ter plaatsing was aangeboden, maar die volkomen terecht oordeelde, dat het stuk niet in een politiek-, maar in een kerkelijk blad thuis hoorde. Dat ook onze Kerken uit een politiek blad moesten vernemen, at dit gravamen tegen de Belijdenis aanangig was gemaakt, schijnt ons niet in en haak.

Nu willen we gaarne aannemen, na de nadere toelichting door Dr. Buizer gegeven, dat de bedoeling van deze publicatie in een liberaal blad niet was om onze Kerken in een hatelijk daglicht te stellen, maar juist om onder de Hervormden de voorstelling tegen te gaan, alsof wij Gereformeerden zoo enghartig en bekrompen waren, dat wij de Gereformeerde Kerk voor de eenige ware Kerk hielden, buiten welke niemand zalig kan worden. Maar hoe goed deze bedoeling geweest is, het aangewende middel is dan geheel averechtsch geweest; immers wat Dr. Buizer betoogen kwam, was dat deze beschuldigers onzer Kerken volkomen gelijk hebben, want dat onze Confessie, die de geloofsuitdrukking onzer Kerken is, metterdaad dit bekrompen, enghartige en in den grond Roomsche standpunt inneemt. Zoo werd deze laster niet gestuit, maar veeleer haar voedsel gegeven. Had Dr. Buizer zich de moeite gegeven om dit vraagstuk ernstig ie onderzoeken, en dan aangetoond, wat hem niet moeilijk zou gevallen zijn, dat onze Gereformeerde vaderen nooit zoo enghartig en bekrompen hebben geoordeeld en dat ook in onze Kerken er nauwelijks één is, die dit bekrompen standpunt inneemt, en had hij dit betoog, goed gedocumenteerd, aan de Nieuwe Rotterdammer Courant toegeonden, dan zou hij daarmede aan den goeden naam onzer Kerken een dienst hebben bewezen 6n hadden ook wij hem onzen dank gebracht. Wat hij thans deed, was juist het omgekeerde. Zich zelf heeft hij gedisculpeerd; hèm zal men nu voor een m"an met een ruim hart en een breeden blik houden. Maar de aanklacht tegen onze Kerken zal er door versterkt worden, want, zoo zal men 'zeggen, ziet ge nu wel, dat uit uw eigen kring wordt toegestemd, dat onze aanklacht volkomen gerechtvaardigd was. Het standpunt, dat een Kerk inneemt, wordt immers niet beoordeeld naar wat enkele leden meenen, maar naar hetgeen de Kerk in haar Belijdenis als haar geloof belijdt. Van zulk een verdediging kan de Gereformeerde Kerk zeggen: non tali auxilio. Het zwaard voor mij getrokken keert zich tegen mij zelf.

Ook het argument van Dr. Buizer, dat zulk een gravamen zoo ruchtbaar mogelijk moet gemaakt worden en door heel de pers moet besproken, omdat »de publieke zaak publiek moet behandeld worden», schijnt ons niet juist. Althans onze Gereformeerde Kerken hebben hierover steeds anders geoordeeld. Hun eisch was veeleer omgekeerd, dat wie zulk een gravamen tegen de Belijdenis had, dit wel aan de wettige kerkelijke vergaderingen mocht meedeelen, om het daar te laten beoordeelen naar Gods Woord, maar dat men intusschen op geenerlei wijze daarvoor propaganda mocht drijven. Een gravamen toch is een aanklacht, een beschuldiging tegen de Belijdenis; een beschuldiging, dat zij leert wat met Gods Woord in strijd is. Deze beschuldiging moet ingediend worden bij den wettigen rechter, d. w. z. bij de kerkelijke vergaderingen, en deze hebben te onderzoeken, of deze aanklacht juist is. Zoolang dit onderzoek duurt, heeft men echter het recht niet, zijn afwijkend gevoelen" van de Belijdenis te propagandeeren. In de bekende onderteekeningsformulieren op de Dordtsche Synode vastgesteld, wordt dit uitdrukkelijk uitgesproken. De belofte werd hier geëischt van degenen, die in eenig kerkelijk ambt of bediening zijn, dat «wanneer ze tegen de aangenomen leer der Kerk of eenig punt daarvan bedenking zouden krijgen, ze dit noch openlijk noch heimelijk zouden voorstellen, drijven of schrijven, maar dat zij hetzelve te voren den Kerkenraad, Classis en Synode zullen openbaren om door dezelve geëxamineerd te worden, bereid zijnde het oordeel derzelve altijd gewilliglijk zich te onderwerpen*. De Belijdenis der Kerk heeft publieke autoriteit, en niemand mag deze Belijdenis openlijk aantasten, wanneer de Kerk deze aanklacht niet eerst onderzocht heeft.

Zoolang het onderzoek naar de gegrondheid van een gravamen duurt, behoort dus degene, die het gravamen heeft ingediend, zich van elke publieke actie tegen de Belijkenis te onthouden. Vandaar dat we de publicatie van dit gravamen, zooals dit door Dr. Buizer geschied is, met het doel, •< -•«« t*l*s»T: yv^: ; x r.t^w^, tji »i.vc-vylljK uuLrlJ-ulv-u vl»»» cussie uit te lokken, waaraan hij dan niet zal deelnemen om zijn gevoelen te verdedigen, niet juist kunnen achten.

Vermoedeliijk zal Dr. Buizer er op wijzen, dat toch ook degenen, die het bekende gravamen tegen eéne zinsnede van Art. 36 op de Synode te Middelburg hebben ingediend, niet aan dezen regel zich hebben gehouden, aangezien zij wel degelijk hunne bezwaren tegen dit stuk onzer Belijdenis publiek hebben gemaakt. Dat is ook zoo, maar daarom staan de beide gevallen toch niet gelijk. Vooreerst hebben degenen, die dit gravamen indienden, het niet zelf aan alle bladen, politieke en kerkelijke, toegezonden, om het urbi et orbi te verkondigen, dat zij een gravamen hadden, m^ar heeft de Synode dit gravamen ter kennis van de Kerken gebracht, door het in haar acta op te nemen^ In de tweede plaats hebben zij, toen dit gravamen was ingediend, rustig het onderzoek van de Kerk afgewacht en niet hangende dit onderzoek op de publieke opinie in vloed trachten uit te oefenen. En in de derdeplaats was dit gravamen niet ietsnieuws in onze Gereformeerde Kerken, maar was over dat gravamen reeds uitspraak gedaan en was het door de bevoegde kerkelijke autoriteit gegrond bevonden. In schier alle buitenlandsche Gereformeerde Kerken was het vraagstuk, dat niet de Kerk zelf raakte, rnaar de taak der Overheid, onderzocht geworden, en deze Kerken hadden óf dit stuk uit de belijdenis gelicht, óf den band aan dat deel der belijdenis losgemaakt. En practisch hadden onze Gereformeerde Kerken in Nederland 't recht gedaan, doordat zij de scheiding tusschen staat en kerk hadden aanvaard en elke poging zelfs hadden nagelaten om de Overheid te vermanen »den valschen godsdienst en het rijk van den Antichrist met geweld van den Staat uit te roeien."

Mocht Dr. Buizer meenen, dat hetgeen we hier als eischen voor het indienen van een gravamen tegen de Belijdenis gesteld hebben, alleen pour besoin de la cause geschreven is —, laat hij dan eens nalezen, wat Dr. A. Kuyper in zijn studie Revisie der Revisielegende over liet indienen van zulk een gravamen tegen de Belijdenis schreef. Hij zal daar met het rijkste historische materiaal uit de actestukken onzer Gereformeerde Kerken en de uitvoerigste getuigenissen onzer Gereformeerde vaderen zien, dat zoo en niet anders de eischen zijn voor het indienen van een gravamen op de Belijdenis door onze Kerken gesteld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 januari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Ons antwoord aan Dr. Buizer.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 januari 1918

De Heraut | 4 Pagina's